Huiscatechisatie
Van de weldaden des heils of de toepassing des heils.
IV.
21. Vraag : Waarom heet het ware geloof ook welzaligmakend geloof? Antwoord : Niet, omdat het geloof eenige verdienstelijkheid in zich zelf zou hebben, noch als grond onzer zaligheid mag worden gerekend ; want het blijft alles Gods vrije genade en Christus is het een en het al voor de geloovigen. Maar wij noemen het ware geloof ook wel zaligmakend geloof, omdat het zich richt op en omdat het vereenigt met Christus, in Wien alle zaligheid is en uit Wien alle zaligheid toestroomt. Het geloof zaligt dus niet in zich zelf, maar het zaligt door zijn inhoud, n.l. Jezus Christus en dien gekruisigd. Rom. 5:1: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus. Joh. 1 : 12 : „Maar zoovelen Hem aangenomen hebben, dien hééft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijnen Naam gelooven."
22. Vraag: wat ontvangt de geloovige in de overgave aan den Heere ? Antwoord : De geloovige ontvangt velerlei weldaad in en door Christus, en wel: de vergeving der zonden, de aanneming tot kinderen Gods, de heiligmaking, het eeuwige leven. Joh. 1 : 12 : „Maar zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijnen Naam gelooven." Joh. 3 : 36 : „Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven."
23. Vraag : Is er ook een bevel des geloofs van God uitgaande tot den mensch ? Antwoord : Overal waar de Heere komt met Zijn Woord, komt Hij tot de menschen, die Zijn schepselen zijn en oorspronkelijk naar Zijn beeld geschapen zijn, met het bevel om te gelooven in het Evangelie, dat is: de blijde boodschap, dat God hun persoonlijk Zijn genade aanbiedt, zonder prijs en zonder geld.
24. Vraag : Hoe noemt de Schrift het ongeloof ? Antwoord : Waar het geloof, als een genadegave Gods, tot bezitter maakt van hetgeen de Heere in Christus aanbiedt, daar is het ongeloof een daad des menschen, vol zondige ongehoorzaamheid. Het ongeloof is een verheffen van geest en hart tegen de Waarheid Gods en daarom worden de ongeloovigen in de Schrift ook genoemd: kinderen der ongehoorzaamheid. De ongehoorzaamheid van het Paradijs wordt halsstarrig voortgezet en zoo verandert de onbegrijpelijke genade Gods over een boos en ongehoorzaam geslacht in een vloek. Joh. 3 : 36 : „Wie den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem: Marc. 16 : 16 : „Die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden."
D. De Bekeering.
1. Vraag : Hoe openbaart zich het nieuwe leven bij de wedergeborenen ? Antwoord : In een weg van bekeering, waarbij het innerlijk vernieuwde leven zich naar buiten openbaart in een nieuwe levensrichting. Bij verandering van gemoed hoort een nieuwe wandel.
2. Vraag : Waarin beitaat de echte bekeering ? Antwoord : In verbreking des harten, droefheid over de zonde en terugkeer tot God met de belijdenis : „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor U" (Lucas 15 : 8).
3. Vraag : Is er ook een niet-echte bekeering ? Antwoord : Ja, er is een droefheid over de gevolgen van de zonde, waarbij de mensch spijt heeft over hetgeen hij gedaan heeft, zonder dat 't harte vervuld is met ware droefheid over de zonde voor God. Dat noemt de Schrift een droefheid der wereld (2 Cor. 7 : 10), waarvan de schijnvrucht kan zijn een oppervlakkige bekeering en een uitwendige verandering des levens, waar waarvan het einde niet is het eeuwige leven, maar de dood.
4. Vraag : Hoe beschrijft de Heidelb. Catechismus de bekeering ? Antwoord : De Catechismus behandelt de bekeering in het 3de stuk, dat der dankbaarheid, omdat het leven van den bekeerde een openbaring is van een nieuw leven des menschen, vol dankbaarheid jegens God die riep tot de erve der heiligen. De Catechismus zegt dan, dat de waarachtige bekeering bestaat in twee stukken : in de afsterving van den ouden en in de opstanding van den nieuwen mensch. (Zondag 33).
5. Vraag : Wat is de afsterving van den ouden mensch ? Antwoord : Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en deszelve hoe langer hoe meer haten en vlieden.
6. Vraag : Wat is de opstanding van den nieuwen mensch ? Antwoord : Het is eene hartelijke vreugd in God, door Christus, een lust in liefde om naar den wil Gods in alle goede werken te leven.
7. Vraag : Wanneer hebben de profeten het Oude volk van Israël vooral tot bekeering vermaand ? Antwoord : Als het volk ontrouw aan den Heere zich wendde tot den dienst der afgoden of als het in uitwendige dingen den godsdienst liet opgaan.
8. Vraag : Hoe traden Johannes de Dooper en Christus Zelf onder 't Joodsche volk op ? Antwoord : Met de prediking : „Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, bekeert u en gelooft het Evangelie." (M.arc. 1 : 4 en 5). Ook toen steunde het volk op farizeeuwsche gerechtigheid en roemde in de besnijdenis des vleesches, waarbij de Heiland leert, dat men door een andere deur moet leeren ingaan.
E. De Rechtvaardigmaking.
1. Vraag: Wat is rechtvaardig? Antwoord : Rechtvaardig is wat aan den maatstaf en den eisch van het recht beantwoordt.
2. Vraag : Is er iemand der menschen rechtvaardig voor God? Antwoord : Niet één; en zoo valt ieder van nature onder de schuld en de straf der zonde.
3. Vraag : Wat is bij den Heere wet en regel ? Antwoord : Bij den Heere is wet en regel, dat de goddelooze wordt verdoemd (veroordeeld en schuldig verklaard) en dat de rechtvaardige wordt vrijgesproken en loon ontvangt. (Spr. 17 : 15 : „Wie den goddelooze rechtvaardigt en wie den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden." Num. 14 : 18b : „die den schuldige geenszins onschuldig houdt.")
4. Vraag : Wat mogen wij nu weten ten opzichte van den Heere en de rechtvaardiging des zondaars ? Antwoord : Dat er bij den Heere voor arme zondaren het tegenovergestelde van verdoemen (veroordeelen en schuldig verklaren) is, waartoe de Souvereine God Zelf een weg heelt geopend in Christus, voor een iegelijk die in Hem gelooft.
5. Vraag : Waarin bestaat de rechtvaardiging des zondaars niet ? Antw. : De rechtvaardiging des zondaars en de verlossing van den reddeloozen mensch bestaat niet hierin, dat de Heere hunne onrechtvaardigheid (het niet beantwoorden aan 't recht Gods) over het hoofd ziet, want de Heere is een heilig God, die recht doet en den schuldige geenszins onschuldig houdt.
6. Vraag : Waarin bestaat de rechtvaardiging des zondaars wel ? Antw. : De Heere verbuigt voor de Zijnen niet het recht, maar voor hen is de schuld in Christus voldaan, die heeft voor hen de straf gedragen ; en op grond van de gerechtigheid van Christus worden zondaren vrijgesproken van schuld en straf en wordt hun recht gegeven op het eeuwige leven.
7. Vraag: Hoe kunnen wij dus de rechtvaardiging des zondaars nader omschrijven? Antwoord: De H. Schrift leert ons de rechtvaardiging des zondaars kennen als een rechtvaardigverklaring, dus als een juridische daad, een rechterlijk vonnis, dat in onze verhouding tot het Goddelijk recht verandering brengt. Het is niet een ethische daad uitgaande van den mensch, die zich zelf verandert en rechtvaardig gedraagt, — maar het is een rechterlijke daad Gods, die niet onzen toestand, maar onzen staat betreft en ons, goddeloozen zijnde, in den staat van rechtvaardigen zet, enkel en alleen om de wille van de toegerekende verdiensten van Christus.
8. Vraag : Hoe wordt bij de Roomschen het woord rechtvaardigen meer genomen ? Antwoord : Bij de Roomschen wordt het woord rechtvaardigen meer genomen in den zin van rechtvaardig maken door de liefde en de goede werken — meer een ethische daad, voort komend uit een veranderden toestand ; en wordt dus verward met de heiligmaking én de bekeering.
9. Vraag : Is de rechtvaardiging des zondaars een belangrijk stuk voor ons ? Antwoord : De rechtvaardiging voor God is de rechtsgrond waarop al het andere rust en waaruit het harte van de geloovige telkens vrede mag ontvangen. Rom. 5 : 1 : „Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus." Ps. 32 : 1 : „Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mensch dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent en in wiens geest géén bedrog is."
10. Vraag : Wat is de grond van de rechtvaardiging des zondaars ? Antw. : Christus' gerechtigheid. Wanneer die den zondaar wordt toegerekend, krachtens Gods genadeverbond, is de zondaar rechtvaardig, omdat hij dan de bezitter is geworden van een volmaakte gehoorzaamheid aan al Gods geboden. Het is dan, zooals de Catechismus zegt : „als hadde ik nooit zonde gehad nóch gedaan, ja, als hadde ik al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft." 2 Cor. 5 : 21 : „Want Dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in hem." (1 Ptr. 2 : 22—24 ; Gal. 3 : 13; Rom. 8:3).
11. Vraag : Waarin zoeken de Pelagianen en modernen den rechtsgrond ? Antwoord : De volgelingen van Pelagius zoeken den rechtsgrond in den mensch, in zijn geloof en goede werken, die wel gebrekkig zijn, maar die God, als de God van liefde, als volkomen aanmerkt en rekent. In den weg van berouw en zinsverbetering volgt vergeving.
12. Vraag : Waar ligt voor den zondaar de rechtsgrond : in of buiten den mensch ? Antwoord : De rechtsgrond ligt buiten den mensch in Christus ; toch moet de zondaar daarmee gemeenschap hebben door het geloof. De gerechtigheid ligt dan ook in Christus gereed om door het geloof te worden aanvaard en toegeëigend door degenen die door den Heere daartoe worden gebracht. Genade en waarheid ontmoeten dan elkander om beide het recht Gods te dienen. (Ps. 85).
13. Vraag : Wat mag dus in 't stuk van de rechtvaardiging des zondaars niet worden over 't hoofd gezien ? Antwoord : Waar Paulus het aandurft, te zeggen : dat God den onrechtvaardige rechtvaardigt (Rom. 4:5: die den goddelooze rechtvaardigt), waarbij dus alles wat des menschen is wegvalt en een goddelooze overblijft, mag toch niet over het hoofd gezien worden, dat God niet rechtvaardig spreekt wie het niet is (Ex. 34 : 7 ; Num. 14 : 18 ; Spr. 17 : 15). Daarom moet er nadruk op gelegd worden, dat de gerechtigheid van Christus ons persoonlijk eigendom moet worden, daar er anders geen gerechtigheid bij ons is. Als de gerechtigheid van Christus de onze is geworden, kan zij de grond zijn voor onze rechtvaardiging door God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's