De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

Het Ethisch beginsel.

9 minuten leestijd

II.
Wanneer het er om gaat, „het kenmerkende van het Ethisch beginsel" te noemen, weet men vooruit, dat het buitengewoon moeilijk is een duidelijk antwoord, een zelfs maar benaderende beschrijving te geven. En is het reeds moeilijk te zeggen, wat het Ethisch beginsel niet is, het haalt nog niets bij de zware taak aan te geven wat het wèl is.
Ethisch is, zeggen de aanhangers dier richting, niet een bepaald systeem van geloofswaarheden ; niet een apart dogmatisch stelsel naast gereformeerd, modern, evangelisch, enz. Het gaat niet allereerst over de vraag : wat geloof ik ? maar : waarom geloof ik ? Hoe ben ik tot dat geloof gekomen ? Is mijn geloof een soort instemming met een bepaald stel geformuleerde waarheden, die ik heb hooren beweren, die mij geleerd zijn, thuis, in de kerk of op de catechisatie, en die ik begonnen ben na te praten, op te nemen in mijn verstand, te verwerken en die nu langzamerhand in mijn overtuiging zijn ingeweven, en voor mij zijn gaan leven ? zoodat ik dus door de leer tot het leven gekomen ben ? Of is het precies andersom : door het leven tot de leer ?
Dat laatste is de overtuiging van den Ethische.
Eerst het leven, dat God ons in de gemeenschap met Christus schenkt ; en dat leven met Christus is het hebben van de waarheid. Daarna komt het uitspreken van die innerlijke waarheid, de beschrijving, de formuleering als ge wilt, maar die toch altijd een stumperig-zwak werk blijft, een tasten en zoeken, een teekenen van de zon met houtskool. Het resultaat daarvan, de belijdenis, het dogma, is altijd maar — zoo zegt de Ethische — wat we in de photographic zouden noemen een momentopname. En omdat er nu tusschen de verschillende geloovigen gemeenschappelijke geloofservaring is, is de leer, de belijdenis, het dogma, de beschrijving van het geloofs leven der gemeente; en omdat daar groei in zit door de kracht van het leven Gods, zal er telkens een nieuw beeld komen in de belijdenis. Uw Moeder kan — om een beeld te gebruiken — een album aangelegd hebben van uw jeugdportretten, van dat ge met uw eerste kanten schortje voor op de babyweegschaal laagt, totdat ge uw eerste glacéhandschoenen aan hadt. De éene kiek is beter geslaagd dan de andere. De oude hebben haar eigenaardige bekoring. Maar gij zijt toch niet meer zoó, ofschoon ge het wel zijt. Of eigenlijk, ge zijt het nooit geheel, altijd maar van één kant en onder bepaalde belichting. En nóg eigenlijker : ge zijt het heelemaal niet; het is maar wat lichtdruk op papier. Gij zijt leven; dat beeld is dood.
In dezen trant redeneerend, zegt de Ethische dus : dogmatiek is niet het systeem van de waarheden des geloofs, geput uit de Heilige Schrift (zooals de gereformeerde dat gewoon is te zeggen), maar het is : beschrijving van het geloofsleven der gemeente.
Het woord waarheid krijgt dus in dezen Ethischen trant redeneerend eene andere beteekenis.
Is het voor óns een intellectueel begrip, voor de Ethischen is het een Ethisch begrip, dat niet met het kennen, maar met het innerlijk zijn, het hart, het wilsleven, het geweten samenhangt en daarop aansluit.
De openbaring Gods is volgens de Ethischen niet bekendmaking van leer, maar mededeeling van leven. De waarheid hebben is nu dat leven hebben. In de waarheid zijn is aan dit leven deel hebben.
Alle Theologie moet dus, volgens den Ethische, uitgaan van het christelijk geloof, van de ervaring, van het leven der gemeente, van het persoonlijk-innerlijke, dat toch weer gemeenschappelijk is in het geloofsbewustzijn der tot God bekeerden ; en dus m.a.w. het anker onzer zekerheid ligt niet buiten ons in een vasten grond het is uitgeworpen in het schip, in ons innerlijk zielsbestaan, in ons geloof.
Dr. D. P. Chantepie de la Saussaye, de baanbreker der Ethische richting in Nederland, heeft het uitdrukkelijk gezegd : „Het leven wordt niet bepaald door de richting van den geest, maar omgekeerd : „de richting van den geest door het leven." „De christelijke ervaring is het beginsel der theologie, de grond waarop zij staat en buiten welken zij niet is."
Hoe men het dus wende of keere, uitgangspunt van de theologie der Ethische richting is niet God en Zijn openbaring, maar de geloovige mensch.
Van Ethische zijde wordt dit wel weersproken, maar in een artikel uit 1870, dat bedoelt een antwoord te geven op de vraag : „Wat is de Ethische richting ? staat toch woordelijk te lezen : „Het uitgangspunt van de theologie der Ethische richting is de mensch."
Ethischen zelf hebben dus zoo gesproken. Volgens Chantepie de la Saussaye staat het zóó : „Openbaring — dat is niet iets, dat God geopenbaard heeft en dat men zich dan veelal voorstelt in den vorm van leeringen, of wel men verstaat daaronder de Schrift. Deze opvatting, leeraart hij, staat niet in de Schrift en is niet eens christelijk, gaat uit van een deïstisch, abstract-supranatureel Godsbegrip." (Protestantsche Bijdragen I, blz. 425, aant. 1).
Ook naar de voorstelling van dr. Gunning is een belijdenis als b.v. de godheid van Christus niet anders dan de uitdrukking van hetgeen in het binnenste van Gods kinderen beleefd is en niet een uitlegkundige slotsom van onderzoek." (Prot. Bijdragen, 1870, blz. 150).
Als we dan ook luisteren naar de Ethischen zelf, hooren we nooit anders dan boven is weergegeven. Neem prof. Valetan Jr., die onvermoeid getracht heeft zóo duidelijk mogelijk voor te stellen wat Ethisch eigenlijk is, en ook hij noemt het Ethisch principe : „door het leven tot de leer." Hij omschrijft het „als de absolute verzekerdheid omtrent de realiteit, afgezien van alle daarvan vroeger of later gegeven of nog te geven voorstellingen van hetgeen God den mensch in Jezus Christus geschonken heeft, zijn openbaring, de verzoening in en door hem, het leven, dat hij aangebracht heeft. Het poneert de absolute zelfstandigheid van het geloofsleven, als hebbende zijne zekerheid alleen in zichzelf." (De Ethische Richting, blz. 9—11 enz.).
„Wij hebben deze dingen — schrijft hij verder — : openbaring, verzoening, leven met God, en wij hebben ze door het geloof, afgezien van ons kennen er van, in den zin van meer of minder juist verstandelijk kennen."
Om dit duidelijk te maken gebruikt prof. Valeton een beeld, n.l. van de zon. De zon schijnt - schrijft hij — hare stralen worden door ons gezien ; wij genieten van haar licht en warmte. Dat doen wij, afgezien van de vraag of wij inderdaad iets weten van het wezen en de werking van het licht en of wij op de hoogte zijn van de nieuwste theorieën dienaangaande. Misschien zijn wij ten opzichte van deze laatsten zeer onkundig. Misschien is er voor de mannen der astronomische en natuurkundige wetenschap alle reden ons voor zeer ouderwetsch te houden en zeer achterlijk en in geen enkel opzicht bevoegd over deze dingen mede te spreken. Misschien ook zal wat thans door de meest toongevende mannen op natuurkundig gebied geleeraard wordt, straks op grond van nog nauwkeuriger onderzoek weer voor geheel andere theorieën plaats moeten maken.
Niemand zal toch kunnen beweren dat daardoor eerst de zon zon voor ons wordt, of het licht licht, of de warmte warmte, of ook dat de dingen anders geworden zijn omdat wij ze anders hebben leeren kennen. Zij zijn wat zij zijn, onafhankelijk van onze kennis ervan.
Ons verzoend zijn met God hangt niet af van onze dogmatische theorieën dienaangaande.
En vraagt ge dan wat geloof is op dit standpunt, dan antwoordt Valeton : Ik behoef niet te zeggen, dat ik daarmee natuurlijk niet bedoel : geloof in den zin van een verstandelijk aannemen, dat deze dingen wel zoo zijn zullen ; maar dat ik er mee bedoel : de levensrelatie met God, die van de zijde van den mensch is als het antwoord op de daad Gods. Op Ethisch standpunt zou ik het geloof willen noemen: ons zesde orgaan.
Ook formuleeringen uit de laatste jaren zeggen hetzelfde — want zelfs de formule-hatende Ethischen komen als denkende menschen telkens hun afkeer van de formule weer in een formule uitdrukken. Het referaat van ds. J. F. Beerens 21 Oct. 1920 gehouden te Utrecht, formuleert op dezelfde wijze. Want dr. B. vraagt : Wie zijn de Ethischen ? en hij antwoordt: 't zijn niet de menschen die het zoo nauw niet nemen met de waarheid, zich tevreden stellen met een „afgezakte theologie", in de algemeene verzoening gelooven, ; de heiligmaking op den voorgrond plaatsen, Heer zeggen in plaats van Heere, nieuwe gezangen zingen, vrij met de kerkelijke liturgie omspringen of aan „critiek" doen. Ethisch is men : wanneer men den godsdienst beschouwt als iets, dat de geheele persoonlijkheid raakt, niet in de eerste plaats het verstand, maar het hart, het centrum der persoonlijkheid. De Ethischen leggen den nadruk op het zedelijk karakter der Waarheid in tegenstelling met confessioneelen en gereformeerden, die het intellectueel karakter op den voorgrond brengen, al ontkennen zij natuurlijk dat zedelijk karakter niet.
Ook wijs ik u nog op het Ethisch Orgaan „Bergopwaarts", waar in no. 8 van den vijfden jaargang nogmaals een poging wordt gewaagd om duidelijk te maken wie de Ethischen zijn.
In het algemeen — zoo heet het daar — behooren de Ethischen tot de orthodoxe familie. Trots alle verschil is er een diepere eenheid tusschen de Ethischen en de Gereformeerden. Maar terwijl de Gereformeerde meer let op de kwaliteit van het zaad, dat in den bodem gestrooid wordt, let de Ethische meer op de gesteldheid van den bodem, waarin het zaad gezaaid wordt. „Het is waar, dat de laatste grond van ons geloof niet subjectief in den mensch, maar objectief in God ligt. Iets anders te beweren is de ongerijmdheid zelve. Maar de fout schuilt hierin, dat de hartstochtelijke strijders voor 't objectieve, naïef hun eigen subjectivisme in de verklaring van Gods Woord over het hoofd zien. Daardoor worden zij nolens volens heerschers over het geloof van anderen, inplaats van medewerkers hunner blijdschap."
Nog kan hier gewezen worden op de omschrijving, die ds. Vermeer, van Den Haag, gaf in zijn brochure : „De Ethischen en de Partijstrijd in de Ned. Herv. Kerk", die het heel duidelijk zegt: „Het kenmerkende, van de Ethischen is, dat zij alleen als geloofsbelijdenis erkennen wat uiting is van de persoonlijke geloofservaring.
Op het persoonlijke, het individuëele, komt het vooral in geloofszaken aan. Hoeveel beteekenis ook moge hebben, wat door anderen in geloofszaken is ervaren, hoeveel eerbied dit ook moge eischen en verdienen, niet, dan nadat het in het eigen leven ervaren werd, kan het als geloof worden beleden."
Ge ziet, dat hier het element van geloof der gemeente veel meer op den achtergrond is geschoven. Het is bijna een religieus standpunt het ideaal van den „N. Gids" in de kunst : „aller-individuëelste expressie der allerindividueelste emotie."

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's