De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Een bidder.
„Het gebed is de ademtocht der ziel." Deze zegswijze, U voorzeker niet onbekend, waarde lezers, blijft immer haar waarde behouden. Waar werkelijk geestelijk leven gevonden wordt, moet zich dat leven uiten. Het uit zich dan ook eerst en meest in het ootmoedig gebed. Een kind Gods, dat het gebed verwaarloost, kan ook niet van veel leven in de ziel gewagen. Door het kanaal des gebeds toch wordt zulks verkregen en in stand gehouden. Het staat er dan ook niet best met hem voor, als hij niet noodig heeft om, tot den Heere te spreken en Hem zijn nooden bekend te maken. Het is niet goed met hem gesteld, als hij zóó druk bezig is en bezet met de dingen van het tijdelijke leven, dat er geen oogenblikken af kunnen om in de stilte der eenzaamheid tot God te naderen.
Hoe geheel anders was dat bij de mannen Gods van vroegeren en lateren tijd ! Naarmate zij meer bezet waren met zaken, die hen in beslag namen, hadden zij ook meer behoefte om hun nooden den Heere bekend te maken, hun zaken en omstandigheden Hem voor te leggen. Bekend is in dat opzicht de levenspractijk van Luther, die bij meer bezigheden zich ook meer afzonderde tot het gebed. En bovenal, ziet eens naar den Heere Jezus zelve, hoe grooter nooden Hij heeft, hoe meer Hem dat uitdrijft tot het gebed.
Bidden, dat is het eerste kenmerk van waarachtig geestelijk leven, het blijft ook altijd het meest sprekend bewijs daarvan. Het wordt verkregen en geleerd niet door afgetrokken beschouwing van de noodzakelijkheid daarvan. Het wordt geboren in de nood, die door den bidder wordt gevoeld. Waar geen nood gevoeld wordt, daar is ook geen gebed. Daarom brengt de Heere de ware bidders ook altijd in den nood, opdat zij daaruit tot Hem zouden roepen. Gelukkig de mensch, die in waren nood wordt gebracht. Gelukkig degene, van wien het getuigenis Gods mag gelden, dat wij lezen van den bidder, die in onzen tekst geteekend wordt.
„Want zie, hij bidt".
Handelingen 9 vers 11c.
Wie dat is, van wien dit getuigenis door dien Heere zelve gegeven wordt, is u bekend, lezers. Het is Saulus van Tarsen, de man, die nog zoo kort te voren kon worden opgemerkt bij de wreede steeniging van dien grooten en getrouwen Kruisgezant, dien zoozeer bevoorrechten discipel des Heeren, Stefanus.
Toen was hij met blinden haat en ijver bezig. Wat gevoelde hij zich fier op de eer, die hem gegund werd, om de kleederen te bewaren van degenen, die Stefanus steenigden. Gij zoudt toen onmogelijk hebben kunnen vermoeden dat hij thans in zulk een toestandi, in zulk een gestalte zou worden aangetroffen. En nog veel minder, ais ge hem daarna met eenmaal aangevuurden, hoog opvlammenden haat had kunnen zien rond waren om de discipelen van den gehaten Nazarener op te sporen en van de aarde te verdelgen. Eerst sluipt hij door Jeruzalem rond om die gehate dwepers te bemachtigen en hen voor het Sanhedrin te sleepen. Niet genoeg daarmede voldaan, maar steeds sterker aangehitst gaat hij met een bende ter stadspoort uit op weg naar Damascus, om daar zijn bloedig bedrijf — waartoe deze ijverige wetsdienaar zich niet ontzag te verlagen — vol ijver voort te zetten.
Doch, niet altoos zal die geweldige voortvaren. Hij, moge zich machtig wanen, nu hij met de brieven van den Hoogepriester voorzien is, er is Eén, die sterker is dan hij, machtiger dan alle schepselen, dan het woeden der tyrannen. Deze is ook machtig om dezen brieschenden en woedenden Saulus neer te werpen en ten onder te brengen. Hij vertoont zich aan hem, in den glans en majeisteit van Zijn persoon. Met een duidelijkheid, die niets voor twijfel over laat, openbaart Hij zich aan Saulus en laat hem in een oogenblik zien, Wien hij eigenlijk vervolgt. Daardoor ligt plotseling de woedende man neergeslagen onder den uitroep : Wat wilt Gij, Heere, dat ik doen zal ?
Hieruit is met één trek voor ons duidelijk, wat er is geschied. Saulus heeft Christus ge'zien en dat feit doet hem in één oogwenk veranderen en omkeeren. Hij ligt daar neergeslagen als een van des Konings vijanden, het hart doorboord door een pijl van goddelijke almacht, een pijl, die immer tot uitwerking heeft, dat die vijanden des Konings voor Hem neervallen met den neus in het stof der verootmoediging. Als een gebroken man wordt de straks nog zoo fiere en verheven Saulus naar Damascus gebracht. Zijn oogen zijn met schellen overtogen, hij is blind, maar o, wonder, van binnen is hij ziende geworden. In zijn binnenste ziet hij met het geestelijk oog tegen Wien bij zoo snood gezondigd heeft en dat gezicht doet hem bitter weenen, klagen bidden.
Daar ligt hij missohien wel van afmatting en diepe moedeloosheid op het bed uitgestrekt. Hij weigert alle voedsel en lafenis. Hij ligt daar neer als een toonbeeld van Gods onbegrijpelijke lankmoedigheid en nog meer van Zijne ondoorgrondelijke zondaarsliefde. Want de Heere kwam hem niet tegen om hem in zijn vijandschap te doen vergaan, Hij sloeg hem niet meer ten doode, tot verdelging, maar tot zijn redding en behoud. Hij slaat hem neer tot een groot teeken van Zijn wonderdadige genade en ontferming, straks als een toonbeeld van onpeilbare zondaarsliefde, wanneer Hij hem zal uitzenden als een uitverkoren vat om Zijnen Naam den Heidenen tot zaligheid uit te dragen.
Daar ligt Saulus neer als een getuigenis voor ieder, die leeft onder het Evangelie van Gods eeuwige zondaarsliefde. Want als dit gezien wordt, dan gaat daar de prediking vanuit, dat er voor den Heere niets te wonderlijk is. Een prediking tevens van Gods onbeperkte vrijmacht. Dan gaat daar de sprake van uit, dat er voor den Heere geen enkele zondaar te groot, te hard, te vijandig zondaar kan zijn, die niet tot Hem kan worden bekeerd. Dan blijkt het dat ook de meest woeste vijanden Gods, als Hij het wil, voor Hem moeten knielen. Dan gaat daar sterke bemoediging van uit voor zulken, die met zieleangst loopen, dat zij te zondig en te slecht zouden zijn, dan dat de Heere met hen nog bemoeienis zou kunnen en willen maken. Gij, die zoo gesteld mocht wezen, ziet het hier aan dien biddenden Saulus, wat de Heere wel vermag. Laat u niets door deen zielevijand wijsmaken, die u, na u eerst tot de zonde te hebben aangedrongen, thans u tracht te benauwen, dat gij niet tot God en Zijnen Christus zoudt kunnen worden bekeerd. En laat ook gij, die misschien bij den Heere worstelt om de bekeering van dezen of genen, die u op het hart gebonden is, in niets u afschrikken. Al rijst u misschien de schuld van uzelf of van zulk een als bergen hoog ten hemel, wanhoop dan toch niet ! Hier hebt gij het bewijs van 's Heeren wondere macht.
Dat dit gezicht ook al des Heeren volk in onzen tijd mocht aandringen om van den Heere te bidden, dat het Hem mocht behagen om zondaren in den teugel te grijpen, gelijk Hij op den weg naar Damascus toonde dat te vermogen. Wat lijkt het ons al spoedig toe, dat deze of gene te woest en woedend zondaar is, dat de wereld van thans zoo onbekeerlijk is, dat zij niet tot den Heere zouden kunnen bekeerd worden. Zie toch eens naar dien biddenden Saulus en bewonder dan de onweerstaanbare wondere macht van vrije genade, die hem, die zulke zondaren in het stof der verootmoediging neerwerpt als arme smeekelingen, ware boetelingen, oprechte bidders.
De hand Gods heeft dezen Saulus aangeraakt. De Heere is hem te sterk geworden en heeft hem overmocht. Daarom is hij in zulk een bidder verkeerd.
Voorzeker heeft hij ook vroeger reeds gebeden. Als een echte, onberispelijke Parizeer, gelijk hij was, heeft hij zelfs veelvuldig gebeden, maar zooals hij het nu doet, heeft hij het nog nooit gedaan. Hij bidt nu met een verbroken hart en verslagen geest. Te voren was zijn hart wel doorprikkeld geworden en was zijn geest in opstand gekomen, toen ook hij met eigen oor in het Sanhedrin de vermeende godslastering van Stefanus heeft gehoord, maar dat had tot uitwerking, dat zijn hart, evenals dat van de anderen, was vervuld geworden met wrevel, haat en nijd. Thans is hij met ootmoed bekleed, waar hij te voren in zijn hoogmoed stond. Hij heeft gezien, tegen Wien hij gezondigd heeft. Dat werd hem een wonder dat hij nog een plaats op aarde mag beslaan en dat niet diezelfde Jezus, Dien hij gehoond, gesmaad, gelasterd en vervolgd had, hem als een der grootsten van Zijn vijanden had neergeslagen ten ondergang. Hij gevoelt het dat hij dezen Christus als smeekeling te voet moet vallen en om genade smeeken.
Dat is het, waarom Saulus bidt, als gij het van zijn zijde beziet. Maar zoo gaat het ook ieder, die evenals hij, als de grootste der zondaren Christus en God-Drieëenig te voet gaat vallen, als een arme smeekeling, biddend om genade en geen recht. Doch als wij dieper mogen zien, is daar een andere oorzaak, waarom deze bidder zoo smeekend bidt. Het is, omdat hij een uitverkoren vat is, waarin en waardoor de Heere wil verheerlijkt worden voor de oogen der heidenen. Nooit zou Saulus zóó op de knieën gekomen zijn, had de Heere hem niet als zulk een uitverkoren vat aangezien. Straks zal hij moeten heengaan om in en voor den Naam des Heeren kloeke daden te doen, als een strijdbare held Gods. En wijl God dat met hem voorheeft, werpt Hij hem eerst in het stof en brengt Hij hem in het bidvertrek. „Het gebed is de ademtocht der ziel." Hier in het bidvertrek wordt deze Saulus geoefend in dat geestelijk ademhalen. In het bidvertrek worden de echte strijders gevormd. Straks, als hij buiten komt, zal hij noodig hebben datgene, waarin hij hier geoefend wordt. De Heere is hier met hem bezig om hem voor te bereiden voor de groote taak, die hem wacht.
Rijke, vrije genade heeft de Heere aan hem verheerlijkt door hem zóó staande te houden en zóó in zijn bidvertrek te brengen. Maar diezelfde genade verheerlijkt Hij ook aan allen die voor het eerst de stramme knieën leeren buigen met verootmoediging en verfoeiïng vanwege hunne zonde voor God. Die het door genade leeren mag, ziet het van achteren, hoe de Heere Zich over hem ontfermde door ook hem neer te werpen in het stof der verootmoediging met hartelijk zuchten, oprecht bidden en vurig smeeken voor des Heeren aangezicht. Dan ziet en erkent hij het, gelijk Paulus dat later deed, dat het was omdat hij in Gods oog een uitverkoren vat was, waarin de Heere de heerlijkheid Zijner genade wilde openbaren. Wat m'oet hij dan die vrije gunste Gods roemen, dat dit bij hem mocht plaats vinden. Immers hij zou nooit naar den Heere hebben gezocht of gevraagd. Nimmer zou ook hem de ootmoedige vraag uit het hart en over de lippen zijn gekomen : „Wat wilt Gij, Heeré, dat ik doen zal ? " had niet de Heere Zelve de hand van genade aan hem geslagen en naar hem gevraagd en omgezien. En als hij zóó biddende gemaakt werd, wat erkent hij dan niet gaarne, dat al wat hij te voren meende gebeden te hebben, den naam van bidden nooit heeft kunnen dragen. Wat een ondoordachte taal, ijdel lippengeprevel en opgesmuktheid voor God en menschen is dat niet geweest. Nu gevoelt hij pas, wat dat zeggen wil : bidden. Het is aan Gods genadetroon worstelen met een verbroken hart en verslagen geest, als een verlorene, die roept om genade, vergeving, kwijtschelding.
Zulk een bidder leert het verstaan, dat het enkel van den Heere is, dat hij zoo in verootmoediging werd gebracht, daar hij gevoelt, hoe hij te voren onbuigzaam, onwillig was, om zóó vernederd te worden. Maar zulk een bidder wordt in het bidvertrek, worstelend aan 's Heeren genadetroon, ook geoefend om straks uit te gaan om den goeden strijd des geloofs te leeren strijden, waarin al Gods kinderen worden ingewikkeld, ook al is het, dat zij nooit, op verre na niet, zulk een aandeel daarin verkrijgen als deze „biddende Saulus."

(slat volgt).

Oosterwolde (Geld.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's