De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

Het Ethisch beginsel.

14 minuten leestijd

III.
Het probleem Ethisch of Gereformeerd — aldus ds. Meijster in een 3de artikel in „de Reformatie" — spitst zich dus toe tot deze vragen : Is de openbaring Gods mededeeling van leven of van waarheid? Is waarheid een intellectueel of een ethisch begrip ?
In het antwoord op deze vragen ligt het kernbeginsel waar het om gaat. Alle andere vraagstukken, de theologie der Ethischen betreffende, hangen met dit centrale samen, b.v. de leer aangaande den persoon en het werk van Christus en de opvattingen over de H. Schrift. Het ligt dan ook niet in mijn bedoeling deze punten reeds nu afzonderlijk te bespreken. In deze vijf artikelen blijven we bij het Ethisch beginsel en houden al het andere, hoe gewichtig op zichzelf ook, voor bijkomstig, al weten we, dat het gevaarlijk karakter der Ethische leeringen en haar heterodoxie veel duidelijker aan den cirkelomtrek dan bij het centrum blijken.
De lijnen die bij het middelpunt schijnbaar weinig uiteen wijken, geven aan den omtrek een meetbaar verschil. Hoe nauw de samenlaag met het grondbeginsel is, blijkt wel uit de onlangs gehouden voordracht van ds. Hoek uit Amsterdam, Over de vraag : Wat is Ethisch ?
Ds. Hoek zocht het kenmerkende van de Ethischen, dat zij niet beginnen met aanvaarden, maar dat zij trapsgewijze tot de aanvaarding komen, door de inwerking van Gods Geest, die gedurig de oogen opent, totdat Gods Woord in zijn volle heerlijkheid voor het verlichte oog schittert. Zij beginnen dus niet niet het dogma, dat de geheele Bijbel Gods Woord is. Ze beginnen vrij van de Heilige Schrift.
Terecht bracht prof. Grosheide in een artikel in „de Heraut", no. 2421, deze gedachte weer in verband met heel de Ethische theologie, die het eeuwig onveranderlijke te veel op den achtergrond schuift en zich al te zeer grondt op de steeds wisselende, zichzelf nooit gelijk blijvende en bij ieder individu zich anders openbarende menschelijke ervaring. Uitgangspunt blijft dus voor 't Ethisch beginsel de geloovige mensch, gelijk dr. De Sopper het uitdrukt: „De religie moet 't geheele leven beheerschen, haar invloed op ieder gebied doen gelden. Maar voor hem, die in de Godsopenbaring levensmededeeling ziet, beteekent dit heel wat anders dan voor dengene, die meent, dat God zinnetjes, waarheden, stelsels geopenbaard heeft. God deelt Zichzelf mee en niet een stelsel." (Synthese I, 44—46).
Met opzet — zoo vervolgt ds. M. - zweeg ik over de Ethischen zelf, over de baanbrekers en voortrekkers, over hun strijd en wederwaardigheden en over de geschiedenis hunner richting. Hoe belangwekkend zulk een bespreking ook zou zijn, zij zou binnen het kader dezer artikelen niet passen. Waardeering voor Ethische personen mag ons ook niet hinderen het beginsel scherp te zien. Want al hebben wij, Gereformeerden, van Ethische zijde nooit de meeste waardeering gevonden, al werd van het meerendeel harer strijdvoerders de toon het scherpst en het bitterst als het tegen ons ging (zelfs de edele Chantepie stookte den oven zevenmaal heeter voor de Gereformeerden, dan voor de Modernen !), dit zal ons niet verhinderen uit te spreken, dat er onder de Ethischen tal van eminente en in vele opzichten aantrekkelijke menschen waren en zijn, fijne en rijke geesten, en dat ook de lectuur hunner werken — voor wie ze waarlijk met oordeel des onderscheids leest — wel een verheffend intellectueel en geestelijk genot kan geven.
Veel innig mooie bladzijden spreken tot hart en geweten.
Trouwens, een groot deel der bezwaren, die de Ethlscben inbrengen tegen de zoogenaamde doctrinaire rechtzinnigheid, onderschrijven wij.
Maar anderzijds beweren we, dat de elementen van waarheid, die in hun voor stelling liggen, in de Gereformeerde theologie al van ouds af te vinden zijn en daar rusten op een veel solider basis.
De vraag mag echter niet teruggehouden : Hoe is deze richting in ons land opgekomen ?
Zij is oorspronkelijk geen Nederlandsche gedachte.
Ze is uit den vreemde geïmporteerd.
Daar is ze nog niet minder om, want ook de Réveil en zelfs het Calvinisme kwam uit het buitenland. Dit laatste is echter door-en-door Nederlandsch geworden ; het vond hier een geschikten voedingsbodem, een weltoebereide aarde en het paste zoo echt op wat men tegenwoordig de mentaliteit noemt in de Nederlandsche gewesten na de reformatie. Dat kan men van den Réveil niet zeggen, en veel minider van de Ethische theologie.
Zij heeft teveel woorden noodig om haar denkbeelden ingang te doen vinden. Al wil ze haar standpunt nemen in het leven, haar voorstellingen kan ze toch alleen met woorden propageeren, door „beschouwingen" haar vermeend goed recht verdedigen ; m.a.w. zij moet beginnen met een wijsgeerige bespiegeling over het karakter der waarheid ; waar haar kennaam en haar kernwoord Ethisch is, heeft zelfs de eenvoudigste broeder of zuster recht te vragen wat Israël vroeg, toen het manna vond : Wat is dat ? En als men dan moet antwoorden als De La Saussaye : „Ethisch lis de wijsgeerige karakteristiek van het beginsel der theologische wetenschap tegenover het empirisme, zoowel als het naturalistische als het supranaturalistische", dan stel ik me voor, dat de eenvoudige vrager niet veel wijzer is dan de heer Kegge uit de Camera Obscura, toen de tuinman hem vertelde, dat. het plantje naar den naam waarvan hij informeerde, de effetieve nolus mi tangere was.
Als voortrekker der Ethische Theologie in ons land wordt meest genoemd deze dr. Daniël Chantepie de la Saussaye, die eerst Waalsch predikant te Leiden, daarna tot 1872 Ned. Herv. pred. te Rotterdam, en eindelijk, slechts l'/2 jaar lang, hoogleeraar te Groningen was.
Eerst na zijn dood is zijn richting zich scherper gaan afteekenen, vooral onder den invloed zijner geestverwanten, onder wie als eerste genoemd moet worden dr. J. H. Gunning, eerst Herv. pred. te Heusden, Hilversum en Den Haag, daarna kerkelijk hoogleeraar te Amsterdam en eindelijk hoogleeraar te Leiden.
Toch liggen de sprengen der Ethische strooming niet in ons land. Vroeger zocht men ze te veel in Duitschland, vooral bij Schleiermacher, wiens invloed metterdaad duidelijk valt na te gaan.
Maar de eigenlijke oorsprong der Ethische gedachte is veel meer te zoeken bij den Zwitserschen theoloog Alexandre Vinet (1797—1847) hoogleeraar in de Fransche taal en letterkunde te Bazel, na 1837 in de theologie te Lausanne. Hij was een man van rijke gaven en diepe inzichten, literair fijn ontwikkeld en in het religieuse meer gevoelsmensch dan denker, welsprekend getuige tegen deze verstandelijkheid, die den vollen nadruk legde op het gemoed, het hart, het geweten. Deze Vinet gaf wel geen eigen theologisch systeem, maar ontwikkelde toch zijn denkbeelden op vaak meesleepende wijze.
Er klopte een warm en bezield leven in en dat deed zoo goed na de koude verheerlijking van het menschelijk verstand. Niet het verstand — zeide Vinet — maar het geweten is de zetel en het steunpunt der religie.
Geweten vatte hij dan op in een bijzonderen zin, heel anders, dan wij, Gereformeerden, het doen.
Wij gaan er van uit, dat het geweten is de zelfbeoordeeling van den mensch naar den hem bekenden maatstaf van goed en kwaad, zoodat het pas zuiver werkt als het dien miaatstaf ontleent aan de wet Gods.
Maar Vinet ging er van uit, dat het geweten een soort instinct was, door de zonde intact gelaten in het gemoedsbestaan van den mensch, waardoor hij gedwongen wordt te handelen naar zijne overtuiging. Het is de eenige wet, die door den willenden mensch gehoorzaamd moet worden. Op die behoeften van dat geweten, van dat arme menschelijk hart met zijn zorgen en nooden, spreekt nu het Evangelie aan. Het Evangelie zit eigenlijk al binnen in 't hart ; wie het uiterlijk Evangelie aan den mensch wil prediken, moet een beroep doen op het geweten. Geen redeneeringen dus, geen bespiegelingen, geen voor houden en aanpreeken van leer, maar een beroep op het geweten. ; Bekend is dit krasse Woord van Vinet: „Er is slechts verlegenheid, donkerheid, angst, onvruchtbare inspanning in alle stelsels over Jezus Christus, die men achtereenvolgens uit het Evangelie afleidt, wanneer het slechts stelsels zijn : de meest verheven en de meest noodzakelijike beschouwingen over Jezus Christus zijn uitdrogend en moordend."
Deze denkbeelden van Vinet waren eerst in Nederland weinig bekend. Ze vonden uitsluitend lezers in de Fransch lezende aristocratische kringen van den Réveil, waartoe in Zwitserland Vinet zich oorspronkelijk had aangetrokken gevoeld. Via Chantepie en de zijnen hebben ze bij meerderen ingang gevonden, al is het Ethisch beginsel nooit populair bij de groote massa geworden.
Merkwaardig is nu, dat èn Chantepie èn Gunning te : goeder trouw meenden in de zuiver-Gereformeerde lijn te zijn. Chantepie heeft uitdrukkelijk gezegd zich Calvinist te achten en wat Gunning aangaat, deze heeft zich reeds in 1863 tijdens de kerkelijke troebelen zoo positief uitgelaten, dat hij wel een soort baanbreker voor de doleantie kon geweest zijn. In een brief aan een vriend, getiteld Vorm en Geest, schreef hij : „zelf in hart en nieren Gereformeerd noem ik de Gereformeerde Kerk, met hare levensvoile, in merg en been historische, met hart en leven des volks tezamengegroelde, volheerlijke Nederl. Hervormde belijdenis" en „met haar oneindige diepte van leven des harten, die van oneindige hoogte der ontwikkeling profeteert en noch rechts noch links noch ergens een slagboom duidt, het heerlijkste, dat op aarde gevonden en gedacht worden kan."
De Synodale Kerkregeling daarentegen en de daaruit geboren toestanden en verhoudingen verklaarde hij „vol zonde, vol onwaarheid, en ellende" en hij vergeleek 't Herv. Kerkgenootschap bij „een min of meer magonnieke vennootschap, welker verordeningen men telkens als het noodig is, zonder bitterheid op zijde kan zetten."
Naast Chantepie en Gunn'ing zijn meerdere mannen van bijzondere bekwaamheid en gaven te noemen. Ik wees u reeds op dr. Valeton Jr. den Utrechtschen, we mogen ook niet vergeten Chantepie Junior, den Leidschen Hoogleeraar. Namen van andere vooraanstaande en vooraangaande mannen in het Hervormde Kerkelijk leven zouden er bij te voegen zijn, van professoren als Daubanton, en vooral den oorspronkelijken en geestigen Is. van Dijk, wiens werken ge — al deelt ge zijn inzichten niet, al staat ge er vaak dwars tegenover — toch met buitengewone belangstelling en waardeering leest, iets wat evenzeer geldt van dr. Jonker, den paradoxalen stylist. Ook predikanten als Roozemeijer te Arnhem en Gerritsen in Den Haag, hebben naam gemaakt. En voorts is er een tamelijke Olympus met mindere goden, waarvan ik er geen noemen zal, om niemand over te slaan.
Deze mannen die ik opsomde, hebben echter de Ethische richting het duidelijkst vertegenwoordigd en haar eene plaats gegeven in de Hervormde Kerk, waarvan Chantepie nooit gedroomd had, al heeft later het kenterend getij weer hoog water gebracht voor de Confessioneele Orthodoxie.

(Wordt voortgezet).

Uit de Synode.
Wij zullen dit jaar geen breed verslag geven van de zittingen der Synode. Wij zijn minder „synodaal" dan b.v. onze Gereformeerde broeders, die kerkelijk van ons gescheiden leven, ons nageven. De Synode laat ons vrijwel koud. We willen liever ons oog slaan op de Kerk dan op de Synode, te meer, waar het gelukkig hoe langs hoe meer uitkomt, dat de Kerk de Synode niet is en de Synode niet de Kerk. Wat, bij rustig werken en bij de doorwerking van de Gereformeerde Waarheid ten slotte verandering moet brengen ; dan zal de Synode het voor de Kerk moeten afleggen. Op voorwaarde, dat allen die in beginsel hetzelfde gevoelen, zich ook als zoodanig meer één betoonen. Dan zal de eeuwige God, die niet met dagen en weken en jaren werkt, maar dikwijls tientallen van jaren en eeuwen noodig heeft, op Zijn tijd verlossing geven.
Doch al geven we geen breede verslagen — laat ons toch enkele dingen aanstippen.
Ds. Zoete, het oudste lid in jaren, herinnerde er aan, dat verleden jaar besloten was tot de Groote Synode en nu toch de oude Synode weer terug was. Dit is — zoo zei hij — niet de wensch van de Kerk in meerderheid geweest. De Besturen hebben dat zoo gewild. Of liever — zeggen wij — de Modernen, met name de Waalsche Commissie, die in deze zaak liever blanco had moeten zijn, waar het een zoo belangrijke aangelegenheid van de Nederlandsche Hervormde Kerk gold In de Synode zit nu ook dr. Niemeyer, de leider der Vrijzinnig Hervormden. Als wij ons niet vergissen, kreeg hij een extra groet van den president, dr. Weyland, toen die met het houden van een toespraak den voorzittershamer opnam. Wij vermoeden, dat we van dr. Niemeyer's tegenwoordigheid in de Synode nog wel eens iets zullen gewaar worden ; 't zal zeer zeker, gemeten aan Gods Woord en die belijdenis der Kerk, niet veel goeds zijn.
't Begon al dadelijk in den vorm van een voorstel tot wetswijziging inzake de Generale Kas. In 't algemeen staan de Synodale fondsen, die vrijwel alle aan bloedarmoede lijden, bij de Kerk, althans bij het belijdend deel der Kerk, in niet al te goeden reuk. Alles wat „synodaal" aangepakt wordt heeft iets van „geen vleesch en geen visch." En dat gerecht wordt in de kerkelijke wereld weinig begeerd. Men ziet liever andere dingen, waarvoor men méér voelt. Zoo ook de Generale Kas. Die floreert niet. Niet, omdat er niet iets goeds in zit; maar men vindt het te synodaal ; en die kleur spreekt niet. Warme belangstelling ontbreekt dan ook, ook bij degenen, die anders nog wel belang stellen in het kerkelijk leven ; maar dan, op andere wijze dan de Synode aangeeft.
Dan maar dwang ! Dat is het gewone middel dat uit de Synodale medicijnkast te voorschijn gehaald wordt; ook al heeft men bewijzen te over, dat het .middel steeds erger is dan de kwaal.
Dr. Niemeyer's eerste voorstel in de Synode was naar het oude recept: dwang ! 't Is alsof de menschen nooit wijs worden. Ook die voor 't eerst in de Synode verschijnen raken soms niet boven 't peil. Wat de Kerk ten goede komt
Gelukkig dat de Synode het eerste voorstel van dr. Niemeyer die inzake de belijdenis voor de meest mogelijke vrijheid (lees : losbandigheid) is, maar inzake de Generale Kas voor meer dwang voelt — niet aannam.
Er is nóg een voorstel niet aangenomen ('t welk zich waarschijnlijk nog wel eens zal herhalen, vooral nu er alleen aan voorstellen tot wetswijziging een dertigtal op de synodale tafel liggen).
Het voorstel dat wil nu bedoelen is dat van de Confessiomeele Vereeniging, om nog eens een kerkelijke samenkomst te houden gelijk we in 1914 (vóór den oorlog) in Den Haag hebben gehad.
Dat voorstel, verdedigd vooral door ds. Te Winkel, is met 5 stemmen vóór gewezen van de hand.
Eén der Synode-leden ('t was ds. Van Zwet, van Almelo, als we ons niet vergissen) zei, dat hij er tegen was, omdat hij niet zulke aangename herinneringen aan die vergadering had.
Dat kan waar zijn.
Maar vast staat, dat er velen, zéér velen zijn, die in deze met ds. Van Zwet verschillen. Wij ook.
En wel om deze oorzaak : daar in Den Haag is in 1914 op zoo bizondere wijze uitgekomen de éénheid in de hoofdzaak, bij wat we gewoon zijn te noemen : de Confessioneelen, de Kohlbruggianen en de Gereformeerde Bonders.
Er lag een klove tusschen Modernen, Evangelischen en Ethischen aan den eenen kant en bovengenoemden aan den anderen kant.
Die klove was er en werd ook gevoeld.
En de eenheid was er en werd ook gevoeld.
En dat laatste vooral heeft velen in de ziele verblijd en het heeft de hope verlevendigd op den opbloei van het Gereformeerd Protestantisme in ons Vaderland, in onze Hervormde Kerk bizonder.
Dat er geen herhaling komt van de Vergadering van 1914, betreuren wij niet. Zulke dingen kan men niet „nóg eens doen". Zulke dingen worden niet „gemaakt".
Maar dat, ook waar een dergelijke vergadering niet wordt herhaald, de éénheid onder de broederen, die de Confessie lief hebben, wéér en méér in het openbaar blijken mocht, is onze hartelijke wensch en bede en iets er van te bespeuren zoo nu en dan verblijdt
ons, gelijk het ons smartelijk aandoet als 't geen, waarin men verschilt, zóó wordt opgeblazen, dat hetgeen waarin men het ééns is, geheel verdwijnt en vergeten wordt.
De pogingen om den Goeden Vrijdag tot Zondag te maken konden het hart van de Synode ook niet stelen.
Neen, neen, de Synode is nog zoo dom niet.
Dat zullen we verder nog wel duidelijker zien !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's