Uit de Pers
De boeteling.
De heer Vroegop, de bekende Middernachtzendeling, verhaalt het volgende, dat zich blijkbaar heeft afgespeeld op de begraafplaats te Groningen.
Al zachtkens voortwandelend, kwam ik nabij een heester, waarachter een man zat neergehurkt.
Naar het scheen, was de ontmoeting voor hem even onverwacht als voor mij, want hij schrok op, sprong overeind en verwijderde zich terstond, mij nog een boozen blik toewerpende onder 't heengaan.
Vanwaar die toorn ?
Ik had den man toch niets misdaan ? Of meende hij wellicht, dat ik hem met opzet had gestoord?
Mijn verbazing klom en verslond, helaas, mijn wijding, toen de man uit de verte nog de vuist tegen mij opstak. Voor welk raadsel stond ik hier? Kon misschien het opschrift op 't graf een verklaring brengen ?
Maar neen ! De moeilijk te ontcijferen, half uitgewischte witte letters op de zwarte plank zeiden mij niets. Een meisjesnaam, nu ja, en een datum van geboorte en overlijden, maar niets meer. Juist toen ik mij oprichtte uit de gebogen houding, waarin ik had staan lezen, passeerde mij op korten afstand een grafdelver.
Ik wenkte den man, bood hem een sigaar aan en deelde hem mijn vreemde ontmoeting mee. Of hij misschien ook wist, waardoor ik den onbekende beleedigd kon hebben ?
De kerkhofbeambte zette de spa, die hij op den schouder droeg, in den grond, kruiste er de handen op en zei : „dat zal ik u vertellen, mijnheer ; u hebt den boeteling gestoord."
„Al jaren komt die man hier. Hebt u 'm goed gezien ? Nee ? Wel, als u hem aandachtig had opgenomen, had u hem op zestig jaar geschat.
Maar dat is hij lang niet. Hij is niet eens veertig.
„En" — de grafdelver tikte met het mondstuk van zijn pijp tegen het voorhoofd.
„Nu is hij thuis bij zijn ouders, die een drogisterij hebben. Een jaar of vier, vijf heeft hij in „Meer-en-Berg" gezeten. Genezen doet hij nóóit meer, heeft de dokter gezegd ; maar hij is niet kwaad, dat is te zeggen, hij zal geen mensch aanraken. Daarom hebben ze 'm maar laten loopen.
Nu zit hij elken dag een uur, soms wat langer of korter, al naar het weer is, daar op het graf van zijn meisje; — boete te doen, zoo hij 't noemt.
„Boete te doen ? " vroeg ik. „Heeft hij haar dan misschien mishandeld of vermoord ? "
„Dat juist niet, meneer. Ziet u, hij moet zielsveel van haar gehouden hebben, dat is wel zeker, want anders trok hij zich haar sterven niet zoo aan. Maar ze hadden elkaar op een kantoor leeren kennen, ik meen aan een Bank, waar ze samen werkten. Het duurde niet lang of hij bracht haar 's avonds thuis; wel te verstaan : tot in de nabijheid van de ouderlijke woning. Verder niet, omdat haar vader niets van de verkeering wilde weten. Maar wanneer twee harten samengroeien, meneer, dan kun je ze wel met geweld van elkaar scheuren; maar ze gaan stuk, weet dat wel. De vader van het meisje wist het niet of wou het niet weten ; want toen zij hem bezwoer, haar toch te laten trouwen, om dat haar eer op 't spel stond, nam hij haar van het kantoor en sloot haar in een klein kamertje op.
Avond aan avond zwierf hij, die dan nu de boeteling is, rond het huis, tevergeefs smachtend naar een gelegenheid zijn meisje te zien.
Op zekeren keer ging de oude uit, en nu nam de boeteling zijn kans waar. Hij trad naar binnen, nadat de moeder van het meisje, een suffe vrouw, die doodsbenauwd voor haar man was, hem op zijn schellen had opengedaan, wist zijn beminde te vinden en wist haar ook te bewegen onmiddellijk met hem te vluchten. Hij bracht haar eerst bij zijn ouders, maar deze gaven hem te verstaan, dat zij het meisje niet in huis konden houden, omdat dit geen pas gaf en opspraak zou veroorzaken.
Toen huurde hij een kamertje met pension voor haar ; maar zoo gauw men daar merkte, hoe de zaak in elkaar zat, zei men het kamertje weer op. Dat ging zoo eenige malen achtereen. En ten laatste geen raad meer wetend, namen beiden hun toevlucht tot iemand, die in een dagblad wekelijks een advertentie had staan, welke niet strafbaar was volgens de wet, al begreep ieder er de schandelijke bedoeling van.
Nog geen week later stierf zij, op een afgehuurd vlierinkje, in zijn armen een ontzettenden dood, zich wringend als een worm en terwijl schuim en bloed haar uit mond en neus vloeiden.
Toen zij begraven werd, is het toen in 't hoofd geslagen ; en in de meening, dat hij haar moordenaar is, komt hij nu elken dag een tijdlang op haar graf knielen, maar fluisterend : „Willy, vergeef je 't me? " Dat gaat maar steeds zoo door. Men wordt er naar van als men 't hoort. Zie, dat is nu de geschiedenis van den boeteling."
Het verhaal greep mij aan.
Verbittering kwam in mijn gemoed, over de mogelijkheid, dat de misdaad zich openlijk kan aankondigen op eene wijze, die haar buiten het bereik der Justitie houdt; meer nog, over de gewetenloosheid van dagbladdirecties, die hun kolommen voor zulke aankondigingen veil geven, bovenal, over de grove schending hunner belijdenis, door ouders die bladen met zulke advertenties op de tafel durven leggen, waar hun kroost omheen zit.
Ik zou die ouders willen voeren naar het graf, waarop elken dag de boeteling knielt; — of ze er de sprake van mochten verstaan !
Ouders en kinderen.
Over dit altoos actuëele onderwerp handelt de „Geref. Kerkbode van Rott." Het blad waarschuwt de ouders tegen twee uitersten.
Ouders, die Gods Woord kennen als een lamp voor hun voet en een licht voor hun pad, laten zich ook in het moeilijke werk der opvoeding gaarne door Gods Woord onderrichten. Er staat onder meer voortreffelijke raadgevingen ook in dat Woord : gij ouders, verwekt uwe kinderen niet tot toom. Wanneer ouders nooit eens acht slaan op een betamelijk verzoek ; wanneer zij alle nieuwe dingen verwerpen, omdat zij nieuw zijn, zonder ze te hebben getoetst, wanneer zij er prat op gaan dat zij van hun oude gewoonten nooit afgaan; wanneer zij elke ontspanning, hoe onschuldig ook, veroordeelen, dan komt vroeger of later de tijd, dat ze hun kinderen tot toorn verwekken. De achting der kinderen gaat te loor, en het ouderlijk gezag schijnt wel een draconische heerschappij te zijn. Het gelijkt er op, alsof zulke ouders als autocraten aan niemand verantwoording schuldig zijn, maar eenvoudig te commandeeren hebben. Door 't optreden van zulke ouders, die meenen, dat zij erg schriftuurlijk zijn door telkens te zeggen : ik wil het en ik gebied het, zonder dat zij onderzoeken of, wat zij willen en gebieden, ook bijbelsch is, is ontzettend veel bedorven. Wanneer er geen billijkheid meer is in de opvoeding, dan gaat de achting weg. Trouwens, een gebod van ouders klemt eerst dan, als het kind gevoelt, dat het gebod rust op den wil des Heeren. Het is wel noodig om dit eens duidelijk uit te spreken. Willekeurige bepalingen mogen niet gemaakt worden, ook niet door ouders. Alle geboden moeten zuiver en te verantwoorden zijn. Anders voeren zij ten verderve.
Maar nu het omgekeerde. Er zijn ouders, die in het geheel hun wettig gezag niet laten gelden. Zij zijn wel begonnen met recht te doen, maar de invloed der kinderen op de ouders is zeer groot geweest. Vragen als : maar waarom mag ik dat nu niet en waarom moet ik dat nalaten, waren steeds aan de orde van den dag. Zelfs als Gods Woord iets duidelijk verbood, dan vroegen die kinderen nog : waarom is dat nu noodig ? Ik ken gezinnen, waar vader en moeder al lang geen invloed meer hebben. Ze hebben letterlijk alles toegegeven. Daar was geen lijn in hun levensbeschouwing en de kinderen zijn de baas geworden. Men ziet van het christelijik leven in zulke gezinnen weinig of niets meer. Er kan gevoegelijk gezegd worden, dat vader en moeder afstand gedaan hebben van den troon, waarop God ze geplaatst had. Dat is ook een groot kwaad.
Ik weet dat sommige ouders met leedwezen moeten getuigen : ik heb te veel toegegeven, maar nu is het te laat. Natuurlijk zouden wij dit met vele voorbeelden kunnen duidelijk maken. O, het is zoo diep bedroevend, als men in gezinnen komt, waar eertijds de tucht van Gods Woord gold, en waar nu vader en moeder geen gezag meer oefenen. Zulke gezinnen zijn geheel en al verwereld lijkt. Men vindt er gansch te veroordeelen zeden. En dat is niet op eens gekomen, maar langzamerhand.
Bedenkt het wel, ouders ; gij moogt uw kinderen niet tot toorn verwekken. Uw bevelen moeten billijk zijn, maar, wanneer zij billijk zijn en op Gods Woord gegrond, dan moogt ge nooit uw bevel krachteloos laten maken. Gij oogt geen afstand doen van uw gezag, want dat wreekt zich ontzettend. Laten wij dan toezien !
Het is in onzen tijd vooral noodig.
Leer en leven.
Dienaangaande lezen we in „De Bazuin" :
Leer en leven zijn op elkander aangelegd. Wij bedoelen daarmede niet een leer, die alleen door mededeeling van buiten is verkregen, en haar zetel alleen heeft in het verstand, maar eene leer die wortelt in de innerlijke levensovertuiging en in 't leven des geloofs. Als wij waarlijk uit den dood zijn overgegaan in het leven, dan aanvaarden wij ook het Woord Gods als waarheid niet maar in het algemeen, maar ook voor ons. Dan weten wij aan God en aan Zijn Woord gebonden, staan wij teer voor God, en wordt het de behoefte om den Heere te volgen naar Zijn Woord. Het is onmogelijk dat zij, die tot God bekeerd zijn, niet zouden voortbrengen vruchten des geloofs en der bekeering waardig.
De rechte kennis laat niet ledig, maar zij dringt door tot het hart, en wekt daar een nieuwe levensovertuiging en een levensvastheid, zij roept aandoeningen van vrees en hoop, van ellende en verlossing, van zekerheid en vertrouwen wakker, en bewerkt dat wij doof de genade des Heeren ons geheel aan onzen God toevertrouwen, rusten in Zijne leiding en eene begeerte kennen om naar den wil Gods in goede werken te wandelen. Zoo komt het tot eéne rechte levensbeschouwing, tot eene rechte levensovergave, een rechte levensgenieting, en tot eene juiste verhouding tot God en den naaste.
Liefde tot God is de diepste reden voor het zedelijk handelen. De heilige God kan met het onheilige geen gemeenschap hebben. God de Heilige kan alleen met ons gemeenschap hebben in den weg door hem zelven verordend. Hij vraagt aan ons heiligheid als voorwaarde voor de gemeenschap met Hem. „Zijt heilig, want Ik ben heilig", zoo is de eisch des Heeren. Niet alsof onze heiligheid het verkeer met God zou mogelijk maken, want al onze heiligheid komt van God. Maar Hij bereidt zich zelf een heilig volk toe, opdat Zijne deugden in dat volk zouden uitschitteren en zij in woord en wandel het beeld zouden vertoonen van hunnen Vader, die in de hemelen is, en zij de glorie huns Vaders zonden zoeken. De liefde van God tot ons in Christus verplicht tot gehoorzaamheid. De liefde Gods, aan ons betoond, wekt wederliefde en dringt om den Heere aan te kleven en te volgen.
Als wij leeren zien dat Christus zich tot ons, onwaardigen, nederboog en ons maakte van slaven der zonde tot kinderen des Vaders en erfgenamen der eeuwige zaligheid, en dat die verlossing is vrucht der eeuwige ontferming Gods, dan wordt Jezus ons zoo onuitsprekelijk dierbaar en wordt het een behoefte om ons leven toe te wijden aan Hem, die ons eerst heeft liefgehad.
Hieruit blijkt zoo duidelijk, dat leer en leven onafscheidelijk aan elkander zijn verbonden. De leer is noodig en heerlijk, maar zij moet het hart doordringen en zich in handel en wandel openbaren ; zoodat het blijkt dat zij niet onvruchtbaar zij.
Regel van het christelijke leven is de wet Gods, God is onze Schepper, onze wetgever en rechter. Niet beschikken wij onafhankelijk over wat wij wenschen te doen, want wij hebben niets van ons zelf en moeten alles wat wij bezitten en waarvan wij ons bedienen, van God ontvangen. Wij behooren niet onszelven, maar den Heere toe. Eigen weg volgen leidt naar het verderf, maar des Heeren weg bewandelen leidt tot geluk en vrede.
Een christenmensch moet zoo gezind zijn, dat hij verstaat dat hij in heel zijn leven, overal en altijd met God te doen heeft. Een leven naar de wet Gods, is een leven dicht bij God, als voor Zijn aangezicht. De oude regel der wijsgeeren : „Doe het goede om het goede" is misleidend. Want zij veronderstelt, dat wij menschen zelf den regel zouden kunnen stellen om te bepalen wat goed of kwaad is, dat dus de mensch is de maat der dingen, en dat wij in ons zelven ook de kracht zouden hebben om tot het goede te komen. Als dat het geval was, zouden wij kunnen roemen in ons eigen werk en zouden wij God niet noodig hebben.
Doch alle christenen erkennen gaarne dat zij nooit tot God en tot het goede zouden kunnen komen, tenzij God hun daartoe de kracht en den lust gaf. En nu is het zoo wonder een genade, dat God zelf Zijn volk bewerkt tot Zijne vreeze, en hun met de kracht ook den lust geeft om in Zijne wegen te wandelen. Als de Geest Gods ons herschept en brengt tot de bekeering, dan krijgen wij de wet Gods lief, dan kennen wij een liefdesbetrekking op den Heere, en wenschen wij het goede te doen, niet alleen omdat God het van ons vraagt, maar ook omdat het door genade onze keuze werd. Zoo doet ook de christen vrijwillig het goede.
Doch omdat het zondige beginsel onzer menschelijke natuur gedurende het geheele leven ons bijblijft en zich steeds verzet tegen de wet Gods, is het noodig dat wij den Heere steeds voor ons stellen, in zelfverloochening ons buigen voor God en zoeken hetgeen Hem welbehagelijk is.
Deze zelfverloochening heeft twee voorwerpen: God en mensch. De mensch streeft in dit leven naar genot en rust, naar eer en macht, en vreest voor smaad en kruis. Ons hart is vervuld met zichzelf. Er is plaats in ons hart voor alles wat de zinnen streelt, voor wat eigen hoogheid tegemoet komt, maar niet voor God, die de volle overgave des harten eischt, die vraagt, dat wij ons door Hem laten leiden. De hoogmoedige mensch meent het beter te weten dan God, vertrouwt op eigen inzicht en kracht, en is te hoog en te hard om zich voor God te buigen. Wij willen niet het kruis op ons nemen en dit den Heere nadragen. Wij staan den Heere altoos tegen, en leggen allerlei struikelblokken op den weg, tengevolge waarvan wij niet recht de gemeenschap met God genieten en niet des Heeren eer zoeken. De mensch verheft zich op zijne kennis, op zijne deugden en goede werken. Hij is niet vereend met Gods wil, wanneer God hem tegenkomt en hem ontneemt waaraan zijn hart zich hecht. Om die reden moet ons zelfzuchtig bestaan gebroken worden en moeten wij leeren ons te schikken naar 's Heeren wil, opdat wij in zelfverloochening onzen God leeren dienen.
De levende vroomheid houdt zich daaraan, dat God de Heere regeert, dat Hij goed is en recht, en dat het betamelijk is den weg te volgen, dien God ons voorhoudt. En de Heere weet de beste wegen en de beste middelen te kiezen om ons daartoe te brengen, om zichzelf in ons te verheerlijken en ons toe te bereiden naar Zijn evenbeeld. Hij snijdt onze wegen af, en laat ons zien de heerlijkheid van Zijn weg. Hij beteugelt onze begeerte, opdat zij geheel gericht wordt naar Zijn heilige wet. En in den weg van het kruis troost Hij ons met Zijne gemeenschap, met het inzicht in Zijne onveranderlijke trouw en wekt in ons een heimwee naar den hemel, lopdat wij hier als pelgrims zouden leven en het eeuwige zouden stellen boven het tijdelijke.
Echtscheidingen.
Uit „Cijfers en Feiten", de Gids voor 't politieke en sociale leven (De Graafschap, Aalten), knippen we 't volgende :
Daar liggen de Jaarcijfers 1922 voor ons, schrijft „De Nederlander" (C.-H.) in haar no. van 8 Maart 1924 : 335 groote bladzijden vol kleine letters en cijfers en tabellen.
Zoo iets leest men niet. Men bladert of men studeert.
Zullen we 'n greep doen ? Nemen we het smartelijk onderwerp van de echtscheidingen. Die zijn sinds 1913 in aantal geklommen tot 1920; sinds daalt het weder. Men leze slechts deze drie cijfers :
1913 1.02 per 1000 echtparen. 1920 1.59 „ „ 1922....'.. 1.50 „ „
Beginnen wij de moreele ellende van den oorlog te boven te komen ? Na hoeveel tijd laat men zich scheiden ? Hier geven wij geen vergelijkende cijfers over eenige jaren ; doch den stand voor 1922. "
Binnen 1 jaar 4 Na 1—5 jaar 463 Na 5—9 jaar 568 Na 10—14 jaar 343 Na 15—20 jaar 232 Na meer dan 20 jaar 307
De eerste en de laatste cijfers zijn wel het allerdroevigst. Reeds in het eerste jaar scheiding ? Heeft men dan: niet ernstig zichzelf vooruit beproefd ? En nog na 20 jaar zulk een aantal ? Heeft men dan in al die jaren niet geleerd wat God aan man en vrouw door vrouw en man wilde leeren ?
Doch zie ook de andere cijfers ! In het tweede jaar komen 110 scheidingen voor. En zulke getallen handhaven zich.
Hoeveel leed, hoeveel verscheurde idealen beduidt dit alles !
En toch
Hier is een tabel, die aangeeft hoeveel kinderen de scheidende echtgenooten hadden. Wat de opgave leert ?
Dat het aantal scheidingen zeer sterk mindert naarmate het aantal kinderen groeit. Het wil dus zeggen, dat de onzedelijke kinderbeperking de banden scheurt èn dat kinderen ouders samenbinden.
Dat is een dubbele lichtstraal in de donkerheid.
Ziehier de cijfers voor één jaar : geen kind 691 echtscheidingen, een kind 493, twee kinderen 291, drie kinderen 161, vier kinderen 68, vijf kinderen 28 zes en meer 39 „
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's