Uit het kerkelijk leven.
Het Ethisch beginsel.
IV.
Is het verklaarbaar, dat de Ethische Theologie vele harten in ons conservatieve Holland stormenderhand veroverde ?
Wie de toestanden in de „Vaderlandsche Kerk" omstreeks 1870 eenigermate kent — aldus ds. Meyster in „de Reformatie" — heeft geen moeite het antwoord te vinden. Sedert meer dan een eeuw was de Gereformeerde prediking in ons vaderland even zeldzaam als een witte raaf ; ook aan de Hoogescholen werd geen echte Gereformeerde Theologie meer gedoceerd. De inzinking was trouwens al veel eer gekomen ; betrekkelijk kort na de Dordtsche Synode. In de kringen van het eenvoudige vrome volk had men de oude Waarheid nog lief, al vatte men die meest in louter bevindelijken geest op, en ging men veel te gast bij uit het Engelsch vertaalde ascetische schrijvers. Maar de prediking was al meer ontaard in een fijngesponnen verstandswerk, geesteloos begrippenspel, in een aankweeken van een braven vromen geest en een platvloersche moraal. Daar naast was echter de geest des tijds een gansch andere richting ingegaan. De schier oppermachtig heerschende wetenschap der Wijsbegeerte had haar betooverende stelsels ontworpen, die uitgingen van de autonomie van den mensch, de heerschappij van zijn geest, de gaafheid van zijn gezond verstand. Overal werd het oude afgebroken en kwam men met plannen voor grootschen nieuwbouw. En het antieke huisje van het christelijk geloof stond daar met waggelende muren en trillende grondbinten, terwijl de mokerslagen al naderbij kwamen. Daarbinnen, achter de gesloten luiken, waande men zich veilig en zat men genoeglijk te keuvelen en theologische kaartenhuisjes in elkaar te knutselen. Al meer waarheden vielen onder de hamers der sloopers, want de rede zou nu immers uitmaken, welke geloofsleer er nog voor de Kerk mocht overschieten, met hoe klein hoekje zij zich tevreden mocht stellen.
Dat het zóó ver gekomen was, ligt dus mee voor rekening van de Calvinisten.
Schleiermacher, de groote Duitsche theoloog, bij wien de Ethischen ook nauw aansloten, schreef in zijn Reden uber die Religion, dat reeds in Spinoza's dagen (dus ten tijde van onzen geleerden, maar tevens innig-vromen Voetius) het Evangelie zoo verkleurd en onkenbaar gemaakt was door droge formules en ledige spitsvondigheden, dat het van een vreemde, een uitgeworpene uit de Synagoge, niet te vergen was de hemelsche gedaante lief te krijgen.
Men heeft in deze woorden overdrijving gezien.
Ik leg er naast deze uitspraak van dr. Kuyper : „Nu een eeuw geleden", schrijft hij, „was alle geest uit de Calvinisten gevaren. Ze verkwistten kracht en tijd in letterzifterij-en ekstergesnater. Van een besef van hooger roeping viel geen spoor bij hen te ontdekken."
En zelfs van Voetius' tijd zegt Kuyper : „Gijsbertus Voetius, hoe door en door geleerd ook, is ten slotte in een dorre scholastiek vervallen, die zijn werken onleesbaar maakt; en de overige Theologen hebben zonder onderscheid óf eenvoudig Calvijn geplunderd óf zich verloopen in vraagstukken van de tweede-of derde orde, om voorts alleen in polemiek met andersdenkenden en dan nog meestal op zeer kleinen voet, hun studies voort te zetten."
En nu kom ik terug op het wankelende huis. Twee redmiddelen werden er aan de hand gedaan : 1. verdedig wat ge nog verdedigen kunt om het bulten de handen der sloopers te houden. Dat was de leuze der dusgenaamde apologetische of verdedigende school van Doedes en Oosterzee ; 2°. verhuis naar een andere, veiliger plaats en herbouw met de oude steenen naar nieuw bestek uw huis, maar op een ander, een beter fundament, dat voor den vijand onaantastbaar is. Dit laatste nu poogde Vinet In Fransch-Zwitserland, Schleiermacher in Duitschland, de Ethische theologie in Holland.
Schleiermacher heeft door zijn nieuwbouw velen uit de kringen der aanzienlijken en der geleerden in Duitschland voor Christus gewonnen. Hij maakte de theologie los van de haar vijandige wetenschap. Hij leerde, dat het centrum, de kern van alle religieus leven is het vrome gevoel. Bij alles wat de religie aangaat, miet het eerste woord niet aan 's menschen verstand, niet aan de dialectiek, maar aan het gevoel worden toegekend. Ieder mensch draagt in zich om het onmiddellijke besef zijner algeheele afhankelijkheid van God (absolutes Abhangigkeltsfühl — en dit gevoel is het eigen wezen der religie.
In dit vrome gevoel toch sluimeren allerlei religieuse gedachten, die, wanneer zij te voorschijn worden geroepen, en ontwikkeld, ons kennis verschaffen van God en Zijne werken.
De Apologetische richting van Van Oosterzee en Doedes, die evenzeer veel goed en nuttig werk heeft verricht, stond echter op het standpunt, dat het heel wel mogelijk was de waarheden des geloofs ook op wetenschappelijke gronden te verdedigen voor de rede van den natuurlijken mensch, mits deze slechts heilige waarheidsliefde en zedelijken ernst bezat. Uit de waarheid, zeide deze school, wordt het leven geboren. Gods openbaring is mededeeling van licht en eerst daardoor en daarna van leven, het leven is dus een gevolg der waarheid. Het geloof is redelijk in den schoonsten zin des woords.
Deze voorstelling ligt in de lijn der oud-liberale Theologie van het begin der 19de eeuw, die ook altoos leerde, dat wat God geopenbaard had, door de rede van den mensch kan worden begrepen.
Toen dan ook het moderne ongeloof al meer om zich heen greep en driester de eene waarheid na de andere ging loochenen, bleek steeds meer de zwakheid van het apologetisch standpunt. Want — een geloof, dat zich niet meer reöhtvaardlgen kon met kracht van argumenten, moest het ééne bolwerk na het andere prijs geven, het verloor het proces voor de rechtbank der wetenschap.
En juist in die dagen was nu het verrassende van het Ethische beginsel, dat het zeide : „die strijd raakt ons geloof niet." Waarheid is leven, en heeft dus met dien wetenschappelijken strijd niets te maken. Laat de nieuwere wetenschap allerlei gegronde bezwaren inbrengen, b.v. betreffende het ontstaan van den bijbel, de echtheid van bijbelboeken en losse uitspraken der Schrift, de oude formuleeringen uit de belijdenis, enz. Wij staan met beide onze voeten op 't standpunt van het geloofsleven; openbaring is mededeeling van leven, niet van leer.
Hier zien we meteen, hoe gevaarlijk dit standpunt is. Prof. Valeton zegt uitdrukkelijk": „zoo kan men zonder zijn geloof te verliezen bezwaren hebben en uitspreken tegen formuleeringen inzake de geloofsleer (d.i. de belijdenis) en ten opzichte van den bijbel resultaten van wetenschappelijk onderzoek aannemen, ook al zijn die In strijd met overgeleverde voorstellingen." Men kan aan bijbelcritiek doen, van de kenmerkende leerstukken der Kerk desnoods het een na het ander loslaten, met het geloof, dat waarheid leven is in het hart, blijft de schat onaangetast. Als de leer, die men overhoudt — want er moet toch ook leervoorstelling overblijven — zich maar dekken laat met den vagen term „geloof der gemeente", dan is de zaak in orde.
Dan staan we op denzelfden bodem, putten uit dezelfde levensbron : wij leven — zegt Valeton — hetzelfde geloof. „Ik heb het wetenschappelijk onderzoek kunnen laten zijn wat het is en mij kunnen laten leeren wat het mij leerde (dus b.v. ook als die leering één vernietigende critiek was op de H. Schrift en de belijdenis der Ned. Her v. Kerk) en mijn geloof, niet in den orthodoxen, maar in den Ethischen zin, is gebleven mijn geloof."
Nog één schrede verder, en we hebben het oude dualisme : met het hoofd een heiden, met het hart een christen.
Men kan dan het huis van zijn geloof in orthodoxen zin vrij laten berooven ; met een glimlach ziet men het aan, hoe het ééne kostbare stuk na het andere uit het aloude familiebezit wordt geroofd, ja, zelfs het huis wordt afgebroken en de fundamenten uiteengescheurd — in een verscholen hoekje heeft men nog een veilige schuilplaats, dat is het geloof in Ethischen zin en men zegt, ik ben veilig, mijn geloof blijft mijn geloof, al zou ik met mijn verstand de wetenschap moeten toestemmen, dat al mijn geloofsvoorstellingen onhoudbaar zijn en er niet één van steek houdt.
Grooter scheiding dan deze is er in den geest van een mensch niet denkbaar. Dit is zoo onharmonisch mogelijk. De wetenschap trekt uit ten strijde, wordt deerlijk gehaend, moet voet na voet overlaten aan den vijand, ontvangt doodelijke wonden. En het geloof van dienze1fden mensch zit rustig en veilig thuis, blijft goed en gaaf, en trekt zich als Gallio geen van deze dingen aan.
Zet ik het register van het verstand open, dan hoor ik schreeuwende dissonanten, maar niet zoodra trek ik de aeolusharp van het menschelijk gemoedsleven open, of alle andere stemmen zwijgen en ik hoor een zuiveren psalm.
Het verstand loochent — het hart belijdt — bij denzelfden mensdh. En was nu de Ethische theologie er op zoo'n manier nog in geslaagd haar vijanden van zich af te houden ! Maar ach, de zoogenaamd veilige schuilplaats van het Ethisch principe bleek al ras tegen het zware geschut van het ongeloof niet bestand en de tegenstelling : rechtzinnig in den ouden zin van 't woord of modern kwam steeds scherper uit. Een linie tusschen de twee fronten, die beweren wil tegenover beide neutraal te zijn, krijgt toch het vuur van weerskanten. Hoe aanlokkelijk dan ook het Ethisch stelsel voor een oogenblik scheen, al roemde het hoog op het leven en de realiteit, zelf buiten het leven der gemeente te dolen op de wijde velden der bespiegelende wijsbegeerte. En nu denk ik aan een teekenend woord van dr. Kuyper. (Voorrede bij prof. G. F. Wright, Wetenschappelijke bij!dragen tot bevestiging der oud-Testamentische Geschiedenis, vertaald door C. Oranja) :
„Toen ik in 1868, uit mijn lief Gelderscih dorp gekomen, te Utrecht voor het eerst met onze groote Apologeten kennis maakte, viel de positie, die zij innamen, en de stemming, waarin zij verkeerden, mij bitter tegen. Er sprak uit die stemming geen zweem van aandurvenden moed noch hoog besef van overwinning, en veelmin blakenden strijdlust, maar veeleer een zekere benepenheid, of men niet nóg een voorschans en nóg een ravijn zou moeten prijsgeven, en zich alleen in het hart der vesting terugtrekken, om niet met volslagen nederlaag te worden bedreigd.
De uitkomst was dan ook, dat men steeds meer terrein als verloren beschouwde en voor en na prijs gaf wat men eerst nog poogde te verweren. Steeds kromp de verdedigingslinie in, en in steeds breeder phalanx ontplooide de aanvaller zijn gelederen.
Veel van het heiligste waar de gemeente des Heeren bij leefde, werd op die manier gedurig aan een netelig dispuut over een enkel vers, over een enkel woord opgehangen. Tegen dat Paschen in zicht kwam, wist men in de zeventiger jaren nooit zeker, of Jezus nu waarlijk opgestaan, dan wel in Zijn graf was gebleven.
Anderen ergerde dit weer ; zij poogden het over een anderen boeg te werpen — (dit ziet nu óp de Ethischen) — zij vleiden onder het geloof der gemeente een vloer van philosophische makelij; en stalden, nadat die ondervloer gereed was, daarop hun eigen subjectieve overtuiging voor de gemeente uit. Een kring, die hen volgde, heette dan de gemeente. Hetgeen ze zelven in dien kring ingang hadden doen vinden, noemden ze dan het geloof der gemeente en gaven hun in dien vorm overgegotene philosophische theologie voor de belijdenis van Christus' Kerk uit."
Toch kunt ge u zoo echt verklaren, waarom de Ethische theologie vooral in het hart van vele jonge menschen een weltoebereide aarde vond.
Jonge menschen houden van warmte, van bezieling, van overtuiging, van innigheid. En niets schrikt hen in hunne eerste ontwikkeling meer af dan koude vormelijkheid. Zelfs al is er een werk des Heiligen Geestes in hun hart, dan hebben ze nog alle deelen van de leer der Waarheid niet in hun bewustzijn op genomen en verwerkt. En als zulke dan met een kil doctrinarisme in aanraking komen en men dringt hun op, dat christen zijn wil zeggen : allerlei samengestelde geloofsformules te onderschrijven, zonder dat er sprake zou zijn van een innerlijk beleven en een christendom in handel en wandel — dan keeren zij zich licht tot een richting, die zegt : eerst leven uit God ontvangen, dan leer. Er zijn dan ook afstootende verstandsmenschen, die zich geloovigen noemen en met de stukken der leer precies werken als de onderwijizer met de balletjes van het telraam, hij voegt ze saam en hij slaat ze weer weg met een tik van zijn stokje.
Tegenover zoo'n christehjkheid staat de Ethische sterk als hij nadruk legt op innerlijk beleven en zegt, dat men bekeerd moet zijn om de Waarheid te kunnen zien. Dat de Waarheid in het hart moet zijn en het formuleeren van waarheden tweederangswerk is.
(Wordt voortgezet).
Uit de Synode.
Behalve andere dingen behandelde de Synode ook het Reglement op de pensioenen. Laat ons hier meedeelen hoe er door de leden der Synode gesproken en ook gestemd is. Wij doen het aan de hand van het breede verslag, voorkomend in „Het Handelsblad" van Dinsdag 5 Aug. j.l., hier en daar aangevuld met hetgeen de „N. R. Cour!" bericht:
Ds. Eilerts de Haan is de rapporteur en deelt mee hoe de consideraties der Prov. Kerkbesturen en der Class. Verg. zijn geweest. De Provinciale Kerkbesturen van Gelderland, Zuid-Holland, N. Holland, Utrecht, Friesland, Overijsel, Groningen en Drenthe adviseeren unaniem gunstig, alhoewel zij wel eenige bezwaren hebben. In Zeeland hebben enkele leden groote bezwaren ; zij vreezen dat de predikanten op den duur niet in staat zullen zijn de hooge premies te voldoen. In het Prov. Kerkbestuur van Noord-Brabant met Limburg zegt men, dat de praemisse (veronderstelling) waarvan de Synode uitgaat, n.l. dat de tractementen zoodanig op peil zijn gebracht dat de predikanten zelf voor een behoorlijk pensioen kunnen zorgen, niet juist is. De pensioenbijdrage van ƒ250.— zou voor velen een te groote last zijn. De Synode kan niet, zooals de Staat, de uitkeeringen garandeeren en mist daarom 't recht tot deelneming te dwingen. In de Waalsche Commissie adviseert men ongunstig.
De Classicale Verigaderingen adviseeren met grooter of kleiner meerderheid gunstig. In enkele Classicale Vergaderingen heeft men gemoedsbezwaren. De verzekering moet vrijwillig blijven. Ook op andere gronden is men soms tegen de verplichte deelneming. De deelneminig is moeilijk af te dwingen ; de vraag is of de Synode het recht heeft de premie te eischen; de tegenwoordig dienstdoende predikanten kunnen niet gedwongen worden; ook moet de normale leeftijd van 25 jaar hooger worden gesteld ; de administratie is te duur ; ook wil men geen hooger premie dan 8% van het genoten tractement, kindergeld en woning niet inbegrepen ; ook zijn er, die het beginsel afkeuren, dat de predikanten zelf geheel moeten zorgen voor het pensioen en daarom moet worden aangespoord, dat de Kerkeraden met 50% deelnemen in de betaling der premie ; anderen willen, dat de kerkelijke administratie de premie betaalt; ook wil men den leeftijdsgrens van 40 jaar doen vervallen, opdat alle verplichte deelnemers bevoegd zullen zijn deelnemers met beperkte rechten te worden in den zin als in dat artikel wordt omschreven. Ook zijn er, die aan hen, die verzekerd zijn, meer bevoegdheid willen verleenen tot aftrek van de te betalen premie van bedragen, die zij voor reeds aangegane verzekeringen moeten storten, 't Hoofdbestuur van den Bond van predikanten wil, dat predikanten, die direct tot deelneming verplicht zullen zijn, niet meer betalen dan de normale premie ; dat de leeftijdsgrens van 40 jaar vervalle ; dat de achterstallige premies worden verrekend met de gelden, door den betrokken predikant te ontvangen van de Kerk, hetzij als toelage uit het Fonds van de schraalste predlkantstractementen, hetzij als uitkeeringen van den Raad van Beheer. Ook wil het verband leggen tusschen het Rijksemeritaats-pensioen en de pensioenen van het Fonds.
De Commissie van rapport overweegt verschillende bezwaren : Zij, die werkelijke gemoedsbezwaren hebben tegen verzekering, kunnen van hunne verplichtingen ontheven worden, als zij een bedrag, gelijk aan de verschuldigde premie, storten in het Fonds van Noodlijdende Kerken en Personen. De op deze wijze verkregen gelden kunnen dan afzonderlijk worden beheerd en gebruikt voor ondersteuning van hulpbehoevende emeriti, weduwen en weezen. Een gemoedsbezwaar, meent de Commissie van rapport, mag niet dienen om een last van zich af te werpen zonder een anderen last te aanvaarden.
Zij oordeelt ook, dat de Synode het recht heeft de verplichting tot toetreding te handhaven, vooral ook voor de aanstaande predikanten.
De Commissie wenscht ook, dat er verband zal worden gelegd tusschen de Rijks-emeritaatspensioenen en het pensioen uit het Fonds, om zoo de pensioenen gelijk te maken.
Zij is van oordeel, dat de inwerkingstelling kan worden bepaald op 1 Jan. 1926, altijd onder deze voorwaarde : dat het aantal deelnemers, naar deskundig oordeel, voldoende is. Op dit oogenlblik hebben 438 predikanten zich bereid verklaard tot deelneming,
naar de enquête door den Bond van predikanten ingesteld.
De president geeft een kort overzicht ter inleiding van de algemeene besprekingen. De hoogleeraren dr. Van Nes en dr. Brouwer zijn van gevoelen, dat indien inderdaad de groote meerderheid in de Kerk er vóór is, het reglement moet worden ingevoerd. Het is hier echter voor hen een quaestie van „gelooven op gezag".
De secretaris zou zich liefst van advies willen onthouden. Hij ziet hier echter een groot gevaar en verbaast zich over het optimisme der commissie, welke nog tevreden is over een getal van vóórstanders, die zich volgens de enquête van den Bond van predikanten tot deelneming bereid hebben verklaard. De vice-president, de heer D. Zoete, heeft geen groote verwachting. Hij kan zich niet vereenigen met de toelichting van 1923, dat 't nu de tijd zou zijn voor zulk een pensioenfonds^ voor zoover nu aan de predikanten een behoorlijk tractement verzekerd zou zijn. Immers, zóó werkt het Reglement op de predikantstractementen nog niet, dat de predikanten de premie thans wel zonder eenig bezwaar kunnen betalen. Ook vraagt hij: wat bedoelt het reglement met „verplichte" deelnemers. Voor hem staat het vast, dat als het reglement wettig is uitgevaardigd, alle predikanten die in de termen vallen, persé moeten mede doen. Evenals de secretaris vindt hij dat cijfer 438 een getal om te doen huiveren.
De heer Bongers is optimistisch gezind. Zeker zal het financieel bezwaar voor velen zwaar wegen, doch de groote voordeelen zullen hen nopen middelen te vinden om er aan te voldoen.
Hij is bevredigd door het aantal predikanten, dat zich bereid heeft verklaard.
De heer Van der Veen is van oordeel dat er meer verscheidenheid moest zijn in de tarieven. Nu is er eene uniforme regeling, en dat acht hij niet goed. Men moest reikening houden met de gezinnen der predikanten.
De heer Barbas staat wat sceptisch tegenover dit reglement. Hij hecht in dit geval niet bijzonder veel waarde aan de consideraties der Kerk, omdat men niet voldoende kan oordeelen over dit reglement. Verder vreest hij, dat er te veel voor administratie zal moeten betaald worden. Hij acht de premie te hoog ; zij zal niet betaald kunnen worden, vooral niet door jonge, opkomende gezinnen. Als wij den boog willen spannen, dan moeten wij oppassen, dat de boog niet breekt.
Dr. Schokking deelt het gevoelen van den vice-president, dat, als het regiement eenmaal is aangenomen, er geen kwestie mag zijn van meedoen of niet meedoen. Men geeft geen antwoord op een vraag, die niet gesteld mag worden. Doch wèl weegt voor hem het bezwaar van de werkelijk bezwaarden. Naar zijn gevoelen moet niet het zelf-betalen door de predikanten op den voorgrond staan, veeleer moet het beginsel worden gehandhaafd, dat de Kerk, met name de Kerkvoogdij, voor het pensioen heeft te zorgen. Later in het debat komt spr, hierop nog terug. Hij zou wenschen dat in het reglement een bepaling werd opgenomen volgens welke de predikanten de kerkvoogdij verzoeken aan de betaling voor het fonds deel te nemen. Men begaat een principiëele fout, als men zegt: de gemeente zorgt alleen voor het tractement. Neen, zij heeft te zorgen voor 't behoorlijk levensonderhoud van den predikant — en daartoe behoort ook het pensioen. Hij formuleert dan ook nader zijn voorstel tot het opnemen van die bepaling. Doch het wordt met 12 tegen 7 stemmen verworpen.
De heer Tammens heeft bezwaar tegen het egaliseeren van de pensioenen. Ook acht hij dat een bezwaar voor verschillende gemeenten, die thans een hooger pensioen hebben en daardoor ook gemakkelijker een predikant kunnen krijgen. Hij gevoelt niet veel voor het bezwaar van den heer Barbas, ook de Rijksambtenaren moeten een vrij aanzienlijk bedrag betalen voor hun pensioen. Hij wil de lasten niet leggen op de gemeenten, die al zwaar belast zijn door het Reglement op de predikantstractementen.
De President gevoelt wel bezwaar. Hij acht de verantwoordehjikheid van de Synode zeer groot. Hij is huiverig aan het reglement zijn stem te geven, omdat hij niet overtuigd is dat de predikanten op den duur de bijdragen zullen kunnen betalen, want men weet niet of hunne tractementen zullen blijven, zooals zij thans zijn. Hij wil zich evenwel niet tegen het reglement verklaren.
De heer Eilerts de Haan geeft toe, dat er bedenkingen zijn van groot gewicht. De predikanten zijn wel verplicht en toch vraagt men of de predikanten willen deelnemen. Tegenover dienstdoende predikanten kan men moeilijk dwangmaatregelen nemen ; daarom vraagt men hem, of zij willen deelnemen. Toch moet de verplichting blijven, want anders komt er van het reglement niets terecht en zullen velen niet deelnemen. De komende predikanten zullen zeer zeker verplicht kunnen worden, Men heeft ook gezegd : men kan aan die verplichting niet voldoen, met het oog op de nog te lage tractementen. Maar laten we niet vergeten, dat door het Reglement op de predikantstractementen reeds veel verbetering is gebracht. Gemiddeld kan uit de Centrale Kas reeds ongeveer ƒ680.— worden uitgekeerd. Nu is ook, met het oog daar op, dat het Reglement op de predikants tractementen nog niet volledig werkt, daarvoor eene overgangsbepaling gemaakt, zoodat zij, die het hun toekomend tractement nog niet hebben, met 8 % van hun tractement, zonder de vrije woning te rekenen, kunnen volstaan. Kunnen de tractementen niet blijven op de hoogte, welnu, dan kunnen er nog altijd wijzigingen gebracht worden in de bijdragen voor de pensioenen. De gemeenten mogen niet verplicht worden de pensioenbijdragen te betalen, omdat zij reeds veel voor de tractementen doen. Wel hoopt hij, dat de gemeenten, die het kunnen doen, de predikanten, voor wie het moeilijk valt te betalen, tegemoet zullen komen, maar hij wil dat niet in het reglement opnemen. De verantwoordelijkheid kan de Synode op zich nemen, als het Fonds gebaseerd is op een goede basis en dat is hier het geval. Ook is er in het reglement gezegd, dat het niet in werking behoeft te komen voor, naar deskundig oordeel, het aantal deelnemers groot genoeg is.
Voor den rapporteur was het getal van 438 bereidwilligen (volgens de enquête van den Bond van predikanten) geen teleurstelling. Er zijn velen traag, het; is waar, doch er zijn er ook, die blijikbaar eerst willen afwachten, wat van het reglement worden zal. En als straks de vraag officieel aan hen wordt voorgelegd, zullen zij ongetwijfeld bevestigend antwoorden.
Daarop brengt de President in stemming of men in beginsel dit reglement wil aannemen. Met op één na dgemeene stemmen verklaart men er zich vóór.
Men gaat over tot het behandelen van de conclusies, die allen worden aanvaard, behalve één: (de egaliseering van de pensioenen). Degenen, die uit gemoedsbezwaren tegen dit reglement zijn en dit aannemelijk kunnen maken aan den Pensioenraad, kunnen daarvan vrij gesteld worden door jaarlijks, de som die zij zouden moeten betalen, te storten in 't Fonds voor Noodlijdende Kerken en Personen, welke som afzonderlijik zou moeten worden beheerd. Deze conclusie wordt aangenomen.
|In art. 3a wordt onder bevoegden verstaan zij, die 55 jaren zijn of een diensttijd van 30 jaren hebben.
Met eenige wijzigingen wordt het reglement vastgesteld en aan de hoofdelijke stemming van de leden der Provinciale Kerkbesturen onderworpen. Eén lid verklaart er zich tegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's