Stichtelijke overdenking.
Een bidder.
„Want zie, hij bidt".
Handelingen 9 vers 11c.
II.
Deze Saulus bidt als een arme smeekeling, die met het arme bedelaars-en boetekleed omhangen is. Hij kan onmogelijk aflaten en laat herhaaldelijk den klopper vallen op de deur van vrije genade. Dat is wel duidelijk uit de wijze, waarop hij zijn smeekingen opzendt, uit de omstandigheden, die daarbij zich voordoen. Drie dagen lang ligt hij daar neer. Hij weigert voedsel en lafenis. Neen, hij kan niets meer voor het lichaam nuttigen sedert hij ernstig met den toestand zijner ziel te doen kreeg, sedert hij zoo zondig, zoo schuldig zichzelf leerde kennen. Hij vast al die dagen. Dat deed hij vroeger ook, zonder dat hij ooit den echt geestelijken zin van dat vasten heeft gekend. Toen deed hij het als een eigenwillige wetsbetrachter, enkel maar om er eigen gerechtigheid mede uit te werken, meenende, dat zulk een vasten den Heere welbehagelijk zou zijn. Nooit had hij het verstaan, dat waarschuwend en ernstig vermanend woord, dat Jesaja in den Naam des Heeren tot het volk van Israël richten moest: „Zie, ten dage wanneer gijlieden vast, zoo vindt gij uwen lust en gij eischt gestrengelijk al uwen arbeid.
Nu de zonde in hem levendig is geworden, nu gevoelt hij eerst recht, dat bij het beweenen van zijn zonde, bij het aanklagen van zichzelf, bij het ootmoedig smeeken en het ongehuicheld bidden niet achterblijven kan 't ware vasten. Trouwens, zijn ziel is zoozeer door droefheid overstelpt, dat hij om het lichaam niet meer denken kan.
Was het vasten ingesteld als het uitwendig teeken van ware verootmoediging van den oprechten bidder voor Gods aangezicht, thans is het hem meer dan een teeken. Hij gevoelt het nu als noodzakelijk om zich voor den Heere te vernederen.
Zulke ware verootmoe'diging wordt ook bij elken waarachtigen bidder gevonden. Niet, dat zulk een dat vasten als het uitwendig teeken van zijn verootmoediging voor God zou gebruiken ! Met is bij ons als zoodanig in onbruik geraakt. Maar waar de nood gevoeld wordt, die tot het ware, arm zondaarsgebed dringt, daar ziet men ook menigmaal dat zulk een zóó diep verslagen neerligt, dat hem spijze en drank niet kunnen smaken. Zijn ziel is hongerig en dorstig gemaakt naar de geestelijke goederen des heils en om de vervulling van die behoeften is het hem te doen.
't Is geen bindend voorschrift voor de Kerk des Heeren, maar wel ware het te wenschen dat er ook in onzen tijd veel zulk vasten bij zulk bidden mocht gevonden worden. Dat zoo de nooden van eigen ziel, van eigen leven, van wat omringt, van Kerk, Staat en Maatschappij mocht worden gevoeld, dat er eens bidders mochten zijn, die om de lichamelijke nooden eens minder bekommerd waren en dat vasten kenden om die geestelijke spijze en drank, die in Christus is, recht heilbegeerig te verlangen en in waren ootmoed van den Heere af te smeeken. Het is waar, die door ge nade een arm bedelaar aan de deur van vrije genade mocht worden, leerde daar iets van, maar wat kan dat later toch veelszins anders zijn, wat wordt het in onzen tijd veel gemist. Wat heeft ook Gods volk toch weinig echte vastendagen.
Wat zal Saulus toch wel gebeden hebben in die drie dagen ! Wij weten het niet, maar kunnen wij het niet vermoeden? Waar zal de inhoud anders op neergekomen zijn dan dat hij vroeg om de wegneming van zijn schuld, de vergeving van zijn zonden, dan om van Christus geleerd te worden, wat hij doen moest tot zaligheid ? Is dat niet duidelijk door zijn bede op den weg naar Damascus ? En uit wat Christus hem als zijn schuld kwam voor te houden, toen Hij vanuit den hemel hem toeriep : Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij ? Nu moest hij Hem weer telkens, nu eens in een lang, aanhoudend smeekgebed, dan weer in een korte, hartelijke verzuchting, voorhouden om hem genade te willen bewijzen, waar hij zoo snood en driest, zoo boos en opzettelijk Hem had tegengestaan en verder naar Zijn eigen wil hem te leiden.
Is dit ook niet altijd de inhoud der gebeden en verzuchtingen van allen, die door den Heere in het stof der verootmoediging worden neergelegd ? In den grond der zaak komt het gebed van elken, aan zichzelf ontdekten zondaar, daarop altijd neer. Zulken moeten met Saulus bekennen de verzenen tegen de prikkels te hebben geslagen, doordien zij nooit hebben gelet op wat de Heere in de leiding van hun leven en in al de bemoeienissen, die Hij met hen maakte, tot hen te zeggen had. Hoe menigmaal is Hij hen tegengekomen, somtijds met harde slagen, en zij hebben het niet gevoeld ! Wat al zegeningen deed de Heere hun toekomen, en zij hebben ze niet geacht ! Zijn Woord hebben zij achteloos verworpen. „Zijn wil en wet, hoe heilig, stout versmaad." „Zij deden wat kwaad was in Zijn heilig oog." Zij hebben den kostelijken genadetijd verbeuzeld en het bloed van Christus vertreden. Zij hebben Hem door hun zonden aan 't kruis helpen nagelen ! Hoog rijst voor hun oog hun schuld, te hoog om die te overzien ! Zij gevoelen, dat zij alles waar Hij hen mede tegenkwam in den wind geslagen hebben. Hebben ook zij, als uitwendig godsdienstigen, wel gebeden, het was slechts lippenwerk, want hun hart hield zich verre van den Heere. Maar thans moeten zij het doen met een van schuld verslagen hart. Nu wordt 't eerst recht bidden. Hoevele ook hunne gebeden mogen zijn, immer komt het nu daarop neer, dat zij uitroepen : Gena, o, God, gena, hoor, hoe een boet'ling pleit! O, God, wees mij zondaar genadig !
Heeft Saulus ook gebeden om wegneming van de schellen zijner lichamelijke oogen, het is geweest met erkenning van Gods straffende gerechtigheid, dat Hij hem zoo had bezocht. Maar meest heeft hij voorzeker gevraagd om de wegneming van zijne geestelijke blindheid. Want dat hij geestelijk blind was, heeft hij geleerd, en erkend, gelijk allen, die zóó biddende gemaakt worden, die om geestelijk geopende oogen leeren vragen. Vroeger meende hij als echte Parizeer, niet blind te zijn, maar te zien. Maar nu hij met lichamelijke blindheid geslagen is, verstaat hij, dat hij geestelijk blind is en bidt hij om opening zijner oogen in geestelijken zin.
Maar dat is bij hem en bij al zulke ware, ootmoedige bidders juist het kenmerk, dat hunne zielsoogen reeds aanvankelijk zijn geopend.
Waar Saulus zoo bidt, dat de Heere Zelf van hem getuigt: Want zie, hij bidt, daar wordt hij zekerlijk verhoord. Zulk een bidder kan de Heere niet onverhoord laten. Hij laat hem niet in den nood, verlegen en ongeholpen. Want zulk bidden treft God in het hart, zoodat Hij haastelijk overkomt om te hooren naar 't gebed desgenen, die gansch ontbloot is.
Heeft Saulus vurig verlangd naar verhooring van zijn gebeden, wie weet, hoe verre hij die verhooring wel heeft gesteld, ook al hoopte hij, dat dit eindelijk eens gebeuren mocht. Maar de Heere gaf verhooring naar den regel, dien Hij Zelf stelde : bidt en gij zult ontvangen. En de Heere deed het verrassend en wonderbaar. Daar krijgt Saulus in 'n gezicht te zien, hoe een man, met name Ananias, tot hem kwam en hem de hand opleide, opdat hij wederom ziende werd. En deze Ananias wordt in een gezicht zelf door den Heere onderricht en naar Saulus uitgezonden om dat te doen. Ananias stribbelt eerst tegen ; niet uit moedwillige ongehoorzaamheid, maar uit vrees voor dien zoozeer beruchten en gevreesden vervolger. Doch hij gaat gewillig en gaarne, als hij verneemt, wat de Heere Zelf van hem verklaart. Van zulk een biddenden, tot den Heere bekeerden vijand, zulk een uitverkoren vat, heeft niemand van Gods kinderen eenig gevaar meer te duchten. Wat is dat voor Ananias een heerlijke geruststelling en hoe verblijdend tevens ! Dan is er met dezen man een groot wonder gebeurd !
Welk een heerlijk uitgaan is het naar een, die te voren een vijand was, maar die door het wonder van vrije genade Gods tot een waren bidder is gemaakt!
O, werd het in onzen tijd eens meer gehoord, dat er zulke bidders waren geboren ! Wat zou het voor des Heeren gezanten, voor al des Heeren volk een heerlijke gang zijn om zulken in hun droefheid met het Woord des Heeren te gaan vertroosten !
Als Ananias duidelijk is onderricht, dan is het zoo begrijpelijk, dat hij zich nu dubbel spoedt en recht hartelijk dien Saulus als een broeder toespreekt, dat diezelfde Jezus, Die hem op den weg. verscheen, hem gezonden heeft, opdat hij weer ziende mag worden en daarenboven, dat hij met den Heiligen Geest zou vervuld worden.
Wat een rijke verhooring van het gebed, en hoe wonderdadig ! De wonderen Gods worden hier als opeengestapeld. Het is in een enkel oogenblik de grootste, de heerlijkste ommekeer voor Saulus. Zulk een verhooring heeft hij zich geenszins kunnen voorstellen. De Heere doet hem boven bidden en denken. Maar dat doet de Heere gewoonlijk. Bij eiken waren bidder, die in ootmoed voor Hem neerligt, komt Hij steeds zoo wonderlijk-verrassend, boven bidden en denken te verhooren. Zelfs al geeft Hij niet, zooals zulk een bidder zich voorstelt, al komt Hij niet, zooals deze het meende, dat Hij komen zou, de Heere komt toch wonderlijkverrassend. Wat wordt het dan ook duidelijk, dat de verhooring des gebeds van den Heere is ! Dat blijkt uit de opmerkelijke omstandigheden, die dikwijls daarbij plaats hebben, zooals hier bij Saulus. Ananias moet gaan „naar de straat, genaamd de Rechte", waar Saulus zijn intrek heeft genomen. Maar zoo toont de Heere het ook heimelijk, dat Hij weet, waar de bidders wonen, die dag en nacht tot Hem roepen. Hij weet in welke straat zij wonen, onder welk dak zij zich bevinden, in welken nood zij verkeeren en onder hoedanige omstandigheden zij leven. Dat ondervinden zij in de verhooring van hun gebeden. Is dat niet de ervaring van al Gods volk ?
Wat is dat een rijke troost en wat mag dat tot heerlijke bemoediging verstrekken voor alle ware bidders, alle arme smeekelingen ! De Heere hoort en verhoort hen op Zijn tijd zeker en gewis. En in welken nood zij ook maar verkeeren, zoo zij het maar van Hem verwachten mogen, zal Hij hen kennelijk uithelpen. Verkeeren zij vooral in den nood en den angst hunner zielsverlorenheid, zij worden in hun gedurig smeeken, in hun gestadig bidden zeker verhoord.
Wat zal dat Saulus tot onuitsprekelijke blijdschap hebben verstrekt, toen hij zoo opeens werd opgericht en van zijn blindheid genezen! Nu was hij weer in staat om spijze te nemen en geen wonder, dat hij nu werd versterkt. Want dat eerst geeft ware versterking, als een biddende en worstelende ziele mag ervaren, dat de Heere opmerkende is op de stem van haar gebed en Zijn oor tot haar neigt, doordien Hij in de verhooring Zijn gunst haar toont.
Gaat dan een Saulus van stonde aan van Christus gewagen, predikende dat Hij de Christus is, op zijne wijze doet dat ook zulk een door den Heere verhoorde bidder, als hij uitroept: Komt en hoort toe, o allen gij die God vreest; en ik zal vertellen wat de Heere aan mijne ziele gedaan heeft. Uit de benauwdheid heb ik den Heere aangeroepen : de Heere heeft mij gehoord, stellende mij in de ruimte.
Waarde lezers !
Mocht het ook van u reeds gelden, wat van den biddenden Saulus werd getuigd : Want zie, hij bidt ! Gij bidt misschien wel. Gij doet het mogelijk elken dag, maar is het ook een waar bidden ? Weet gij, waaruit u dat duidelijk kan worden ? Uit de verhooring des gebeds. Velen zijn bidders, als waarvan Jacobus zegt : gij bidt, maar gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt. Het rechte, ware gebed heeft tot ondergrond : oprechten ootmoed, verzaking van eigen zin en wil, gelijk bij Saulus, toen hij leerde vragen : Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal.
Waarom bidt gij ? Om den nooddruft des lichaams, den welstand van uw tijdelijk leven ? Het is niet te verwerpen, maar is u dat genoeg ? Is er bij u ook gebed om opening der oogen, genezing van uw geestelijke blindheid bij aanvang en voortgang ?
Zoo gij dat nog nimmer in waarheid deedt, mocht gij het dan eens leeren doen en dat eens niet langer uitstellen. Vraag dan den Heere om den Geest der genade en der gebeden, opdat Hij u in ootmoed brenge aan den troon der genade, om daar als een in uzelf veroordeeld arm zondaar te verkeeren. Dit noodzakelijk gebed zult gij hier toch moeten leeren, zal het u eeuwig wèl kunnen zijn.
Worstelt gij misschien als een arme bidder voor des Heeren aangezicht, maar blijft voor u de verhooring uit ? Houdt evenwel moed ! Op Zijn tijd zal de Heere u in uw nooden boven bidden en denken verrassend en wonderlijk verhooren. Blijft gij in al uw zielsverdriet op Hem hopen. Straks voert Hij u uit in de ruimte en zal Hij u heerlijk vertroosten. „Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden."
Mocht dat ooit van u in waarheid gelden : zie, hij of zij, bidt ? Och, dat dit veel van u kon worden getuigd ! Gij hebt zooveel nooden en behoeften. Gij hebt in zooveel den Heere noodig. En bovendien, daar is zooveel dat gij wel op het hart moogt idragen om het in ootmoedig smeekgebed voor den Heere neer te leggen. Daar is zooveel biddeloosheid, dat kan zelfs bij u nog zooveel gevonden worden.
Dat gij toch veel behoefte kennen mocht om in recht levendig smeekgebed voor den Heere gevonden te worden, worstelend voor u zelf en voor anderen, vooral ook daarom, dat ook in onzen tijd de Heere veel ware bidders moge doen geboren worden. Dat ootmoedig gebed zal hier toch de ademtocht uwer ziel blijven. Dan zult gij geestelijk welvaren als dat bij u veel te vinden zal zijn. Hoe meer gij hier bidt in waarheid, zooveel rijker stof zult gij eenmaal hebben om God-Drieëenig eeuwig te loven, te prijzen en te danken.
Oosterwolde (Geld.).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's