De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

Het Ethisch beginsel.

25 minuten leestijd

V (Slot).
In een 5de (slot)artikel schrijft ds. Meijster in „de Reformatie" : Dat verstandelijke onderscheiding en uiterlijke aanvaarding der Waarheid, zonder innerlijk leven uit God, niet genoegzaam is tot zaligheid, het is eeuw aan eeuw merg en pit van de christelijke religie geweest.
Wij ontzeggen den Ethischen 't recht om octrooi aan te vragen op de ontdekking dezer waarheid.
Integendeel, zij is nergens zoo diep en zoo volledig beleden als in de Gereformeerde leer.
Op uitnemende wijze is dit aangetoond door prof. Honig in zijn studie : „Ethisch of Gereformeerd ? " (1914) een voorbeeld van humane en hoogstaande critiek, waaraan menig Ethisch polemist een voorbeeld kan nemen. Reeds Calvijn in zijn Institutie stelde op den voorgrond, dat de Theologie niet een puur verstandelijke bespiegeling is, maar een wetenschap, die zich aansluit aan de behoeften van het menschelijk hart.
Niemand zoo sterk als hij heeft nadruk gelegd op het ingeschapen Godsbestel, op de algemeene Openbaring in natuur en geschiedenis, die daarbij aansluit.
Wij gaan er dan ook van uit, dat elk redelijk schepsel bij zijn geboorte het vermogen ontvangt om, zoodra hij met die openbaring Gods in aanraking komt, dien God gewaar te worden. De predi­king van het Evangelie vindt aanknoopingspunten in het menschelijk hart. De oudste verdedigers van het christendom hebben reeds een beroep gedaan op de stem van het menschelijk hart, dat dorst naar geluk, op het geweten, dat wel Rechter is, maar geen Verlosser.
De Gereformeerde Theologie heeft steeds geleerd, dat uitwendige, aangeleerde kennis niet baten kan tot zaligheid, dat inwendige omzetting door den Heiligen Geest noodig is, in het wonder der wedergeboorte. Zelfs voor historisch geloof is nog zekere verlichting van dien Geest van noode. Steeds leeraarde zij, dat ook de theologie maar niet een bloote speculatie of bespiegeling is, maar een practicale kennis, welke den wil en alle affecten der ziel krachtig aanzet om God te dienen en lief te hebben.
Lees de Heidelbergsche Catechismus, die eeuw aan eeuw gepredikt is — en ge ziet hoe grooten nadruk daar op het innerlijk leven wordt gelegd.
We kunnen dus niet laten krachtig te protesteeren, als men ons verwijt : volgens de Gereformeerden is de religie steeds een openbaring van bovennatuurlijke waarheden, in den Bijbel vervat en het Christelijk geloof slechts de aanvaarding dier waarheden met het verstand. Die beschuldiging is onverdiend. Die aantijging werpen wij verre van ons.
De genade des Heiligen Geestes bestaat volgens ons belijden zelfs allereerst in mededeeling van leven. Want het onherboren hart neemt het zaad van het Woord niet aan.
Het geloof — nu genomen als ingeplant vermogen — maakt ons niet een stel geformuleerde waarheden uit de belijdenis deelachtig, maar Christus met al Zijne weldaden.
Tenzij dat iemand wederomgeboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien, en alle beschouwende kennis daarover is als van een blinde, die over de kleuren redeneert.
Maar als dat geloof in het hart gelegd is, dan openbaart het zich als leven in het toeëigenen van de weldaden uit Christus' volheid. En het toont zich te zijn een stellig weten of kennen, waar door wij het alles voor waarachtig houden wat ons God in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar tegelijk een vast vertrouwen — een Ethische daad, een daad van den omgebogen en herboren wil — dat niet alleen anderen, maar ook mij eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit louter genade, alleen om de verdiensten van Christus wil.
Wij beweren derhalve op grond van de Heilige Schrift, dat mededeeling van leven absoluut noodzakelijk is. Zonder wedergeboorte geen geloof. Maar wij weerspreken, dat daarin heel de genade zou opgaan, dat er ook niet mededeeling van waarheid mee gepaard zou gaan: . Niet alleen toch, dat onze wil door de zonde ten kwade geneigd is, ook ons verstand is verduisterd. En nu doet God geen half werk. Hij vernieuwt niet alleen onzen wil, maar ook ons kennen. Wat zegt Jezus niet : dit is het eeuwige leven, dat zij u hebben, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt, maar dat zij u kennen.
Die twee gaven der genade Gods moet ge zuiver onderscheiden. In de veel gesmade Dordtsche Leerregels — een schrikbeeld voor vele Ethischen — staat het zoo waar en klaar, zoo innig en zoo mooi, dat als God de bekeering in de menschen werkt, Hij hun niet alleen het Evangelie uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden de dingen, die des Geestes Gods zijn, maar Hij dringt ook in tot de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking van dienzelfden wederbarenden Geest; Hij opent het hart, dat gesloten is ; Hij vermurwt, dat hard is ;
Hij besnijdt, dat onbesnoden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt, dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt, die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt. Hij beweegt en sterkt dien wil alzoo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen."
Er moet zelfs levendmaking voorafgegaan zijn op het oogenblik, dat de Openbaring van het Woord, het Evangelie inwerkt. Vergelijk hetgeen geschied is bij de opwekking van Lazarus. Jezus zegt : Lazarus, kom uit. Maar op datzelfde moment wekte Hij hem ten leven, opdat hij hooren zoude Zijn verlossend woord.
Heel de Heilige Schrift toont het ons, en de ervaring bevestigt het, dat de mensch van nature dood is in de zonden en misdaden en door genade herboren moet worden. Het geloof in zaligmakenden zin moet hem ingeplant worden — zal hij acht geven op hetgeen de Geest in het Woord tot de Gemeente zegt.
Maar daarom mogen leven en Waarheid niet vereenzelvigd worden. Al is 't een hopeloos pogen te omschrijven wat leven is, ieder verstaat toch, dat waarheid iets gansch anders is. Waarheid is overeenstemming tusschen denken en zijn. God is Waarheid, omdat er tusschen de werkelijkheid der dingen en Zijn goddelijke gedachten nooit strijd is. Christus is de mond der Waarheid, omdat wat Hij predikt in absolute harmonie is met de werkelijkheid, met „de dingen Zijns Vaders."
Waarheid is dus een intellectueel, en niet een Ethisch begrip, hangt saam met ons denken, niet met ons willen of met ons innerlijk gemoedsbestaan, al zal 't kennen en aanvaarden der Waarheid door het geloof ook op ons wilsleven terugwerken.
Men heeft getracht het woord Waarheid in het Nieuwe Testament te verklaren in Ethischen zin als mededeeling van leven. Een tijd lang heeft die exegese opgeld gedaan. Men is er echter eenparig van teruggekomen. Alle uitleggers zijn het er over eens : Waarheid staat in het Nieuwe Testament steeds in de gewone beteekenis, en niet in den zin, dien de Ethischen er in leggen.
Trouwens — denk nu eens aan het onderwijs, dat Jezus Zijn discipelen gaf. Aan deze mannen is eerst leven meegedeeld uit de volheid Gods. Zij zijn gegevenen des Vaders, ranken, ingelijfd in den wijnstok. Wat heeft Jezus echter drie jaren lang met Zijn jongeren gedaan ? Heeft Hij gezegd : nu heb Ik u het leven Gods meegedeeld ; en dat is genoeg ; Ik wil u niet van buiten af waarheden meedeelen, die niet uit uw herboren bewustzijn zelf opwellen, want anders zou het voor u geen Waarheid zijn ?
Neen, integendeel, Jezus heeft Zijn jongeren onderwezen; Hij heeft hun kennis bijgebracht; Hij heeft hun de Waarheid verkondigd, Zijn woorden, Zijn werken, Zijn wonderen, ze vormden één doorloopend, goddelijk onderwijs, opdat zij weten en belijden zouden, hun geloof tot wasdom zou komen, en zij zouden opgroeien in de kennis en in de genade van hun Heere en Zaligmaker.
Natuurlijk heeft Christus geen leerstelsel, geen systeem gegeven, evenmin als de Heilige Schrift zelf dit doet; eerst later zou die roeping komen om de waarheden van het Evangelie saam te vatten, te ordenen en zoo te belijden.
Maar de Heiland heeft Zijn jongeren onderwezen en dat onderwijs heeft vrucht gedragen.
Jezus zegt in het Hoogepriesterlijk gebed : Nu hebben zij bekend, dat alles wat Gij Mij gegeven hebt, van U is.
Juist, zegt de Ethische, dus mededeeling van goddelijk leven.
Neen — want wat volgt er op : „Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt. En wederom: Ik heb hun Uw Woord gegeven. En, zij hebben Uw Woord bewaard." Daarom kan Jezus getuigen : Ik heb Uw Naam geopenbaard den menschen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hadt."
Wat bidt Christus voor hen : Heilig ze in Uwe Waarheid. Wat is hier Waarheid ? Leven Gods ? wat opwelt uit hun gemeenschappelijk geloofsbewustzijn ; uit het leven der gemeente?
Neen — zoo monumentaal staat daar dat heerlijke woord : Uw Woord is de Waarheid.
De diepste grond voor hun geloof rust dus niet in hun persoonlijk gemoedsleven, in hun herboren innerlijk, in hun aanvoelen en ervaren van de dingen Gods, in hun beleven van de Waarheid, maar in het Woord Gods, in de hun geschonken openbaring van den Vader.
Christus getuigde van den Vader, en zij namen door genade des geloofs dat getuigenis aan, en verzegelden dat God waarachtig is.
Sluiten we daarmede dus alle innerlijke bevrediging der Waarheid buiten ? Ligt de zekerheid dus alleen in het objectieve, zonder het subjectieve beleven en het persoonlijk genieten ?
Neen, omgekeerd, nu juist komt dat innerlijk werk des Geestes tot zijn recht. Het is niet de wellende bron, maar als het zuiver water is, is het toch uit dezelfde bron des Geestes gevloeid, die in het Woord opwelt, en het dient om de heerlijkheid van dat Woord te bevestigen.
Wat wij in het hart gevoelen, wordt in de Gereformeerde religie heelemaal niet buitengesloten, veeleer betrokken binnen den gouden cirkel der genade Gods. Maar het wordt getoetst aan het Woord, naar dat Woord moet het zich richten, en daarmede overeenstemmen.
Als onze Ned. Geloofsbelijdenis handelt over de leer der Drieëenheid, staat er in art. 8 : Dit alles weten wij, zoo uit de getuigenissen der H. Schrifture, alsook uit hunne werkingen, en voornamelijk uit degenen, die wij in ons gevoelen.
Van datzelfde gevoel is sprake in den Heidelbergschen Catechismus : bij het artikel van het eeuwige leven : Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal.
En onze Dordtsche Leerregels, handelend over de verkiezing, leggen dit getuigenis af: „Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zichzelven voor God te verootmoedigen, de diepte van Zijne barmhartigheden te aanbidden, zichzelven te reinigen en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft liefgehad, wederom vurig te beminnen."
Uit het scheepje der ziel is het anker des geloofs dus uitgeworpen in den vasten bodem van het Woord Gods ; maar als de storm opsteekt en de baren hoog rijzen, dan wordt het ook in dat scheepje gevoeld, dat het anker vastligt en houdt ; het verband met den vasten bodem zou er niet zijn zonder het anker en de ketting, die dat anker houdt, maar de rust van het vaartuig is toch niet in het schip, maar in den bodem, waarop het vastligt. Zoodra ge 't anker losrukt, baat het niet te roemen : we hebben een vast anker, het scheepje wordt een speelbal der golven, en het gaat als Paulus beschrijft : de hoop om behouden te worden wordt ons gansch ontnomen.
Die vaste ankergrond ligt voor ons in de Heilige Schrift als het geïnspireerde Woord onzes Gods.
Hier nu gaapt wel een zeer diepe klove tusschen de Ethischen en ons. Want al is het waar, dat uit het Ethisch beginsel nog niet aanstonds weerspraak op de belijdenis der Heilige Schrift als het onfeilbaar Woord van God voortvloeit, feit is toch, dat het bij bijna alle Ethischen daartoe gekomen is. Dat lag ook voor de hand. Juist omdat men meende vanwege de bezwaren, die de moderne wetenschap tegen de Schrift in het midden gebracht had, niet langer aan het onfeilbaar Woord te kunnen vasthouden, heeft men, bewust of onbewust, een anderen geloofsgrond gezocht in de innerlijke ervaring.
Wie den onderbouw der belijdenis en der leervoorstellingen rusten laat op het geloof der gemeente, kan niet tegelijk de Heilige Schrift als grondpeiler der Theologie erkennen. Naarmate men het subjectief geloofsleven tot hooger rang verhief, naar diezelfde mate ging de waarde der Heilige Schrift omlaag.
En nu wilde men de Heilige Schrift niet loslaten, noch haar een hooger gezag betwisten, maar men weigerde haar de eere te geven, waarop zij zelf aanspraak maakt.
Dit aan te wijzen valt echter buiten het bestek van. deze artikelen, die slechts met luchtige schetslijn het hoofd probleem konden teekenen.
Ik eindig met een woord van ds. G. Hulsman, den vroegeren Ethische, die overliep naar het moderne kamp : „De strijd tegen het beginsel der Ethischen is een strijd zoo eerlijk als goud ; daar kleeft geen vlekje aan van persoonlijke bedoeling; het is de strijd van het hart, dat worstelt om klaarheid en waarheid, om éénheid in zijn wereldbeschouwing en om orde in zijn denken." (G. Hulsman. Het Ethisch beginsel en de Ethische Richting).

Verflauwing der grenzen.
De Doopsgezinde gemeente te Ouddorp heeft een niet-Doopsgezinden voorganger gekregen, en wel den Herv. Godsdienstonderwijzer Kooyman, over wien vroeger ook al eens geschreven is. Nu blijve de persoon van den heer Kooyman, die ons allerminst sympathiek is, geheel buiten beschouwing. Het feit, waarom het gaat, is, dat een Doopsgezinde gemeente een voorganger heeft gekregen, die nooit Doopsgezind was en tot de Doopsgezinde gemeenten in geen enkel verband stond.
Hoe zulk een voorganger zoo iets doen kan is óns een raadsel.
En hoe zóó een gemeente zulks doen kan, verklaren we óók niet te begrijpen.
Men is Doopsgezind of men is het niet — één van tweeën.
Is men het, dan zoekt men gemeenschap met geestverwanten.
Is men het niet, laat men zich dan bij een andere Kerkgemeenschap aansluiten, waar men eigenlijk thuis hoort.
Wij bedoelen dit: als de Ouddorpsche Doopsgezinde gemeente Doopsgezind is, laat men dan een Doopsgezinden voorganger kiezen. Maar als de Ouddorpsche Doopsgezinde gemeente niet meer Doopsgezind is, laat men zich dan voegen bij de Hervormde Kerk of bij de Geref. Kerk, om zoo onnoodige verdeeldheid op kerkelijk terrein weg te nemen, naar het woord van den Heiland, die niet op gescheiden leven, maar wel op samenleven der geloofsgenooten aandrong, in deze trouw gevolgd door Zijn discipelen en de Apostelen.
Wat is er een verandering gekomen op kerkelijk terrein; vergeleken bij vroeger !
De Roomsche Kerk, de Geref. Kerk, de Lutherschen, de Remonstranten, de Doopsgezinden had men. En Roomsch was Roomsch ; Gereformeerd was Gereformeerd ; Remonstrant was Remonstrant, Luthersch was Luthersch, enz.
Maar nu ?
Ja — Roomsch is Roomsch. En de Gereformeerden zijn Gereformeerd, hoe wel hopeloos verdeeld in de Hervormde Kerk, in de Geref. Kerken, in de Chr. Geref. Kerk, in de Geref. Gemeenten, enz. enz. Verschrikkelijk !
Daarbij : de Hervormde of Geref. Kerk niet haar Gereformeerde belijdenis is niet Gereformeerd meer. De Remonstranten vindt men niet alleen buiten de Hervormde Kerk, maar ook binnen hare grenzen en die nu in de Herv. (Geref.) Kerk zich bevinden, zijn dikwijls remonstranter dan de Remonstranten van 1600.
Daarbij is de Luthersche Kerk niet meer Luthersch.
De kenmerkende leerstukken zijn vervaagd, vervallen, weggeredeneerd en toch blijft men zich Luthersch noemen. Zóó nu ook de Doopsgezinde gemeenten.
Men noemt zich zoo en men doet alsof men de historische voortzetting is van het oude, maar het is alles nieuw geworden, in dien zin, dat er weinig of niets van het oude is overgebleven.
Zóó beteekent dan ook het elkander de hand reiken over de kerkmuren niet veel.
Als een Herv. predikant Luthersch wordt en in de Luthersche Kerk gaat prediken! en arbeiden — nu ja, dan is het, omdat hij daar in een hem sympathieken kring kan gaan werken of daar meer promotie kan maken dan in de Herv Kerk. Maar met het „over de kerkmuren elkander de hand reiken" houdt het geen verband. Het bewijst slechts, dat men in verschillend Kerkgenootschap leeft, nu ja, omdat er een historie achter ligt, die het zoo gemaakt heeft — maar van die historie trekt men zich overigens weinig aan, blijkbaar. Hervormd of Gereformeerd is niet Gereformeerd meer ; Luthersch is niet Luthersch meer ; Doopsgezind is niet Doopsgezind meer. Er is groote onwaarachtigheid bij de Kerkgemeenschap pen en bij hun voorgangers !
Laat Gereformeerd weer meer en meer Gereformeerd worden en laten alle Gereformeerden staan naar het samenwonen in één huis, onder de tucht van Gods Woord en met de liefde van Christus in het hart !
Laat Remonstrant dan Remonstrant wezen.
Luthersch moet Luthersch zijn. Doopsgezind moet Doopsgezind wezen.
Of anders wijzigen de grenzen — naar uitwijzen van geschiedenis en belijdenis en niet het minst naar uitwijzen van Gods Woord, dat rechter zij over ons allen.

Uit de Synode.
Ja — waarmee zullen we beginnen en waarmee zullen we eindigen ?
Het voorstel van den Kerkeraad te Ternaard (Fr.) om bij vacature twee ouderlingen ter Classicale Vergadering af te vaardigen, is met 14 tegen 5 stemmen verworpen. Men vond het vreeselijk, dat de Gemeente, in dit geval de Kerkeraad, het recht ontving nóg een ouderling te kiezen ; dat zou een dubbel recht geven aan een vacante gemeente, boven een gemeente die een predikant heeft en die maar één ouderling kiezen mag. En daarom was men er tegen. Nu moet een vacante gemeente 't maar met één afgevaardigde doen!
De nieuwe en hoogere quota's zijn, in weerwil van de bezwaren van vele Classicale Vergaderingen, aangenomen en de eindstemming van de Provinciale Kerkbesturen moet alleen nog maar volgen. De Synodale Organisatie gaat hoe langer hoe meer geld kosten. Maar dat vindt men in Den Haag minder erg. Alleen toen er sprake was van de „Groote Synode", toen roerde men zich om héél erg te jeremiëeren over de hooge kosten die daaraan verbonden zouden zijn.
De regeling der quota is als volgt geregeld : de gemeenten in de eerste klasse betalen ƒ 10.—, in de tweede klasse ƒ 15.—, in de derde klasse ƒ20.—, in de vierde klasse ƒ30.—, in de vijfde ƒ 40.—, in de zesde ƒ 50.—; in de zevende ƒ60.—, in de achtste ƒ70.—, in de negende ƒ90.—, in de tiende ƒ110.—.
Inzake de vraag, hoe te handelen als een kerkvoogdij weigert het quotum te betalen, wordt voorgesteld, dat de Synode zich aldus zal uitspreken : „Volgens artikel 10 Regl. op de kosten voor het Bestuur vraagt de Kerkeraad het quotum tijdig van het college der kerkelijke administratie van de gemeente. Kerkvoogden, mede geroepen de bestaande reglementen uit te voeren, zijn derhalve verplicht het quotum te betalen. Op den Kerkeraad rust de verplichting alle middelen in het werk te stellen teneinde de kerkvoogden er toe te brengen dat zij aan deze verplichting voldoen. Blijven de kerkvoogden tóch weigerachtig, dan ligt het op den weg van den Kerkeraad om de gemeente daarmede in kennis te stellen en op andere wijze de noodige gelden te vinden."
Deze conclusie wordt aangenomen en besloten wordt haar in het orgaan der Ned. Hervormde Kerk te publiceeren!
Men voelt : hier wordt de Kerkeraad opgeroepen om te betalen, als de kerkvoogden niet willen. Gaat men de kerkvoogden langzamerhand uitschakelen om den Kerkeraad te leeren te betalen wat er te betalen valt ?
Met het combineeren van kleine gemeenten gaat 't niet heel vlot. De combinatie van Maastricht met Eysden, in uitzicht gesteld, is weer afgewimpeld. Nu zijn Vrouwenpolder en Serooskerke, Zoelmond en Asch genoemd, maar men vond het verstandig er nog even mee te wachten. De Provinciale Kerkbesturen zullen weer opnieuw inlichtingen moeten geven overal. En als die inlichtingen er zijn, zal de Synode, wat begonnen is, weer even te niete doen. Zoo blijft er werk aan den winkel, wat in deze dagen van werkloosheid heel wat waard is.
Een voorstel-Nijmegen om de nieuwe methode van persoonlijke kerkvisitatie af te schaffen en weder te keeren tot de oude, werd verworpen. Men kan nog niet oordeelen over het nieuwe, dat nog niet eens is doorgevoerd en het dan al weer terug te nemen, dat gaat niet.
Ditzelfde lot onderging een voorstel van een „belijdend lid" der Ned. Herv. gemeente te Nieuw-Vennep tot afschaffing van het z.g.n. „veto" der Provinciale Kerkbesturen. De Synode vereenigde zich (met op 3 na algemeene stemmen) met de conclusie van het rapport van prof. Van Nes.
De vroeger gehouden enquête inzake het Godsdienstonderwijs was ter bewerking gegeven aan prof. dr. A. van Veldhuizen te Groningen. De hoogleeraar heeft aan die opdracht voldaan. Besloten werd zijn rapport te zenden aan alle theologische hoogleeraren, alle predikanten, theologische studenten en candidaten, benevens Godsdienstonderwijzers en - onderwijzeressen van de Ned. Herv. Kerk. Tevens werd hem toegestaan dat rapport op te nemen als bijlage in een door hem in bewerking genomen leerboek der Catechetiek.
De Synode nam kennis van het overzicht van den staat der Nederlandsche Hervormde Kerk. Volgens het verslag der schriftelijke kerkvisitatie over 1922 zou de Ned. Hervormde Kerk plm. 3.067.092 zielen tellen, waarbij moet worden bedacht dat het aantal zielen in de provincie soms bij benadering is opgegeven. De uitkomst der 10de tienjaariijksche volkstelling wees een getal aan van 2.835.429 zielen.
De voorstellen door de Federatie van Diakenen bij de Synode ingediend, zijn in de 19de zitting aangenomen. Breed hierover te schrijven, gaat nu niet. Wij achten het héél iets belangrijks wat nu gebeurd is en, voor zoover wij er over oordeelen kunnen, zal het 't werk der diakenen ten goede komen.
Ds. Barbas, lid van de Synode, had voorgesteld, dat de Synode zich tot de Kerkeraden der groote steden zal wenden om het Reglement op de buurtgemeenten toe te passen, terwille van den herderlijken arbeid en om den achteruitgang der Kerk te voorkomen. Maar de Synode heeft het parochiestelsel niet verplichtend gesteld en kan dus eigenlijk in dezen weg niet treden. Nu zal er toch iets in deze door de Synode gedaan worden in een anderen vorm.
In de 20ste zitting wordt er geschaafd en bijgeplakt; alles betrekking hebbend op het Reglement op de Predikantstractementen. Ds. Bongers bespreekt het protest van de Groningsche kerkvoogdij tegen de regeling van de predikantstractementen door de Algem. Synode, alsook de adhaesiebetuigingen van eenige kerkvoogdijen en den brief van den Groningschen Kerkeraad aan bedoelde kerkvoogdijen.
De rapporteerende commissie noemt de houding der kerkvoogdij „onverdedigbaar" en stelt voor deze stukken voor kennisgeving aan te nemen.

Verworpen!
In een afzonderlijk stukske willen we het even hebben over de verwerping van het z.g.n. vredes-voorstel oftewel het concept-reglement op het vormen van bij-gemeenten van dr. C. J. Niemeyer, geflankeerd door de heeren ds. G. H. Wagenaar te R'dam, ds. W. A. Hoek te Amsterdam, ds. B. Klein Wassink te Leeuwarden en dr. M. C. van Mourik Broekman te Breda.
Men weet, dat tot deze zaak besloten is op een vergadering, uitgeschreven door de Herv. Broederschap (ds. Wagenaar en dr. Riemens), bij welke samenkomst de Confessioneelen en de Gereformeerden buiten de deur, werden gehouden.
Met blijdschap kunnen wij melden, dat de Synode in haar 18de zitting dit z.g.n. pacificatievoorstel, door den modernen voorman dr. Niemeyer uitgedacht en door den Ethischen dominé Hoek daarna toegelicht en verdedigd, heeft verworpen met 11 stemmen tegen en 6 stemmen vóór (bij welke 6 Hervormde stemmen natuurlijk brutaalweg ook de 2 Waalsche stemmen nog kwamen, zoodat het werd 11 stemmen tegen en S stemmen vóór).
De 6 vóórstemmers waren : dr. Eilerts de Haan, dr. Niemeyer, ds. Tammens, dr. Van Beek, ouderling Voerman en dr. Deeleman. (De twee Walen, die waarlijk hun mond wel hadden mogen houden, zijn ds, Picard en mr, Tijssens).
De 11 tegenstemmers waren : ds. Zoete, ds. Barbas, ouderling Veenman, dr. H. Schokking, ouderling Sneep, ouderling Landsman, ds. Bongers, ouderling Van der Veen, ds. van Zwet, ds. Wagter en de president, dr. Weyland. Ook adviseerden tegen : prof. Van Nes, prof. Brouwer en de secretaris ds. Bakhuizen van den Brink.
Alles wat orthodox is stemde dus in deze als één man tegen.
Zal men nu, waar wéér met 11 stemmen tegen en 6 stemmen vóór deze zaak van de baan geschoven is, eindelijk eens ophouden met voorstellen van bij-gemeenten of filiaal-gemeenten of rechten van minderheden (modernen, enz.) ?
Wij moeten niet hebben rechten van minderheden, maar het recht van de belijdenis.
Wij zijn het eens, met wat dr. Schokking van Den Haag heeft gezegd : „Het is goed, dat er weer eens op gewezen is, dat er in onze Hervormde Kerk moeilijkheden zijn, maar de oplossing zoekt men hier verkeerd. Leer-en belijdenisgeschillen zijn er, en die worden niet opgelost door het maskeeren ervan. Wij kunnen niet meegaan met dr. Niemeyer CS., omdat eerst de belijdeniskwestie moet zijn opgelost. Tegenover Rome en het ongeloof helpt geen stabiliseeren van den bestaanden toestand. Hij acht het ook ongeoorloofd, dat een Classicaal Bestuur geen onderzoek mag doen naar den geloofsgrond der bij-gemeente, zooals in het voorstel bedoeld is. Geen pacificatie is te wachten, de strijd zal blijven en scherper worden."
Waar wij verblijd zijn, dat dit voorstel nu verworpen is, achten wij het meer dan tijd, idat allen die staan op den bodem der belijdenis (die alleen recht heeft in onze Herv. (Geref.) Kerk) niet alleen rustig voortwerken, maar veel meer nog dan tot nu toe, zonder verloochening van eigen standpunt, op elkaar toewerken en alles gaan doen, wat onze kerkelijke belijdenis voor het kerkelijk leven vaster kan maken. Dat alleen kan tegenover Ronle. en tegenover het veldwinnend ongeloof heilzaam werken. Dat de kracht van onze Gereformeerde beginselen en de rijkdom van de Waarheid Gods, in Zijn Woord ons geopenbaard, meer en meer blijke! Daaraan heeft onze Herv, (Geref.) Kerk behoefte en daarin ligt de ware zegen voor de ouderen èn voor de jongeren.
Niet stilzitten, maar voortarbeiden; werkende het werk des Heeren, dat niet ijdel zal blijken, indien onze verwachting mag wezen van Hem, die gezegd heeft: Mijne genadie is u genoeg. Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht.

Van ons Zendingsveld.
De Gereformeerden in de Hervormde Kerk hebben een eigen Zendingsbond. Niet uit liefhebberij. Maar om des beginsels wille. En zoo hebben ze ook een eigen zendingsterrein, het land van de Toradja's, die wonen op het eiland Celebes.
Op den laatsten Zendingsdag, die zoo druk bezocht was en zoo uitnemend geslaagd is, sprak o.a. ook de Zendeling-onderwijzer Belksma, na den dood van Zendeling van de Loosdrecht vooral op den voorgrond tredend. Wat de heer Belksma mededeelde, laten we hier volgen, overgenomen uit „de Standaard" :
Zendeling P. Belksma, hierna het woord verkrijgend, brengt de groeten over van de brs. Zijlstra en Van Veen en van de Christen-Toradja's.
Spr. zal een en ander vertellen van het Toradja-volk. Hij zal vertellen hoe het er van buiten uitziet en hoe het ging, toen het volk met de zending in aanraking kwam.
Het uiterlijk van den Toradja beschrijvend, wijst Spr. er op, dat vooral de vrouwen zeer onzindelijk zijn. Daardoor en door onoordeelkundige voeding is de kindesterfte zeer groot. De huizen, hoewel mooi van uiterlijk, zijn van binnen zeer vuil.
Wat het innerlijke betreft, merkte Spr. op dat de Toradja's animisten zijn. Alles is bezield, naar hun meening.
Drie leerstukken treden vooral op den voorgrond. Ten eerste het geloof dat de deugd beloond en de ondeugd gestraft wordt, waarbij men echter als deugd beschouwt alles wat de voorvaderen ook deden en als ondeugd alles wat zij niet deden. Ten tweede het geloof aan de voorbeschikking of praedestinatie. Ten derde het geloof aan een voortbestaan na den dood;
De Toradja's zijn ook spiritisten. De afgestorvenen vormen naar hun meening een deel van de stam.
Drie grootmachten kent de Toradja. Ten eerste den hoofdgod, dan de dewata's, die overal zijn en scherp toezien op de menschen, aan wie dus geofferd moet worden, en ten derde de voorouders, die ook offers krijgen.
De priesters hebben zich ook onmisbaar gemaakt, door allerlei plechtigheden voor te schrijven, bij verschillende gebeurtenissen in het leven, waarbij hun diensten noodzakelijk zijn. De rijken, die groote offerfeesten kunnen geven, die kunnen gelukzalig leven, daar komt het op neer.
Vrees en hebzucht zijn in den godsdienst van den Toradja de hoofdelementen. Vampiers en heksen omringen hem. Spr. deelt verschillende feiten mede van de vrees voor de goden, die in het leven zoo'n groote rol speelt.
Als de Zendeling komt, vindt hij weinig bereidwilligheid om het Woord te hooren. Hoogstens wil men onderwijs ontvangen, knap worden. Van die omstandigheid maakt de Zending natuurlijk gebruik, door overal scholen op te richten. De taal is natuurlijk een zeer groote moeilijkheid.
In de gedachten der Toradja's vindt de Zendeling verschillende aanknoopingspunten. Zij kennen een almachtigen God, het paradijs, den zondeval, de geschiedenis van Sodom en Gomorra, den zondvloed. Bij die Toradja-geschiedenissen kan de Zendeling zijn prediking aansluiten.
Door scholen te openen, de jeugd te trekken en door gestadige prediking, moet de Christus gebracht worden. In Toradja-land zijn thans 31 scholen met 2500 kinderen en 70 onderwijzers, waaronder 36 Toradjagoeroe's. Ook een kweekschool kon opgericht worden. In 1916 heeft Br. van den Loosdrecht zijn eerste vier doopelingen gehad. Thans staan er 830 namen in het doop boek. Er zijn 20 Christen-gemeenten, waarvan de grootste 244 en de kleinste 7 zielen tellen ; lederen Zondag wordt in 30 plaatsen het Evangelie gepredikt. Den laatsten tijd hebben ook verschillende priesters zich tot het Christendom bekeerd.
Spr. wekt tenslotte op tot veel gebed voor de Zendelingen, de inlandsche helpers en de Christen-inlanders.
Waar allen die den heer Belksma zagen en hoorden het buitengeiwoon aangenaam vonden van zoo nabij „onzen" Zendingsman te aanschouwen en uit zijn eigen mond zulke heerlijke dingen te vernemen, daar hopen wij zeer, dat hier door de liefde voor den Gereformeerden Zendingsbond mag toenemen — er is zooveel, zoo héél veel nog te doen onder de Toradja's ! — maar dat ook vooral het gebed mag vermeerderen in onze huisgezinnen en ook in onze Gereformeerde gemeenten voor allen, die daar in de verte werken in den wijngaard des Heeren.
Des Heeren eer is er mee gemoeid, dat ook op Celebes de Christus Gods worde verkondigd en dat ook van de Toradja's velen de knie leeren buigen voor Sions Koning, om straks in den hemel mee te zingen het nieuwe lied ter eere van het Lam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's