De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

Een loffelijk getuigenis.
Volgens het „Fr. Kerkblad" stak een moderne emeritus-predikant in het liberale „Handelblad" over de Gereformeerden (in „de Geref. Kerken") de loftrompet in deze woorden :
Maar nu ben ik in den laatsten tijd nog al eens, door bijzondere omstandigheden, die hier niets terzake doen, in aanraking gekomen met Gereformeerden en dientengevolge diep getroffen door wat zij voor hunne godsdienstige belangen over hebben. En dat vooral om dat onder hen over het algemeen niet zooveel menschen van kapitaal gevonden worden en alles wat zij voor hun kerk en predikant doen bij gemis van oude kerkelijke fondsen en rijkstractement, geheel uit eigen middelen moet worden samengebracht. En dit is wezenlijk een bedrag van belang ! Predikantstractementen op dorpen van ƒ 3000 a ƒ 3500 met pastorie, zijn bij hen geen zeldzaamheid; terwijl een stadstractement in een plaats van eenige beteekenis al gauw ƒ 4000 met genot van vrije woning bedraagt. Een kerk moet gebouwd, een nieuwe pastorie gezet, aan een predikant die emeritus wordt of ziek is, kan nog gedurende eenige maanden zijn tractement verzekerd blijven. En er gaat doodeenvoudig een lijst rond onder de leden der gemeente, die vaak in enkele dagen het benoodigde geld aan vrijwillige bijdragen bijeenbrengt.
Ja, in dit opzicht staan de Gereformeerden werkelijk niet achter bij de Roomschen en verdient hun offervaardigheid minstens evenzeer onze groote bewondering. En daar komt nog bij, dat we ze nog veel beter dan de Roomschen aan onze vrijzinnige Protestanten ten voorbeeld kunnen stellen. Want die Gereformeerden doen dat zeker niet terwille van eenige tijdelijke of eeuwige belooning. „Alles is genade", luidt hun leer en van goede werken en verdiensten, waardoor men zich de zaligheid verwerven kan, is bij hen geen sprake. Wat ze voor hun Kerk en hun godsdienstige belangen doen, geschiedt uit zuivere belangstelling, uit liefde voor hun Kerk, uit een diep besef van het groote gewicht van den godsdienst in het leven van ieder mensch en van de geheele samenleving.
En als we dat nu bedenken, is het dan niet om jaloersch te worden op die Gereformeerden, die, hoewel zooveel minder in getal en over het algemeen lang niet zoo gunstig met aardsche goederen bedeeld, zooveel meer weten tot stand te brengen in den tegenwoordigen tijd ? "
Dat mogen wij, in de Hervormde Kerk, ook wel eens lezen.

De veronderstelde wedergeboorte.
In „De Wachter", weekblad tot steun van de Theologische School van de Geref. Kerken, komt een Vragenbus voor, waar ds. J. Bosch te Westbroek (Utr.) een onderwerp behandelt, dat wij zouden willen noemen „de veronderstelde wedergeboorte." Laat ons, om te doen zien hoe in den kring van de Geref. Kerken hierover wordt gesproken, het stuk van ds. B. hier onverkort, zonder commentaar overnemen.
Ds. B. zet als opschrift naast zijn artikel : Conclusies van Utrecht 1905, wat, zooals men begrijpt, doelt op hetgeen de Synode der Geref. Kerken, in 1905 te Utrecht gehouden, in deze heeft besloten, conclusies, waarover al menig woordje gevallen is, in en buiten de Geref. Kerken.
Het artikel luidt dan :
Conclusies van Utrecht-1905. Van br. R. B. te A. ontving ik eenige vragen aangaande de bekende zinsnede uit de conclusies van de Synode van Utrecht 1905, „dat volgens de belijdenis onzer kerken het zaad des verbonds, krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren, en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt." Als ik goed lees, alzoo inzender, dan is hier sprake van in leven blijvende verbondskinderen. Nu zegt de conclusie, dat men zulke kinderen moet houden voor wedergeboren. En dat volgens de belijdenis onzer kerken. Hierin ligt dan opgesloten, dat men het ervoor houden moet dat die kinderen dan wedergeboren zijn buiten het Woord om. En dat moet dan natuurlijk zoo óók zijn, volgens de belijdenis onzer kerken. In verband daarmede wenscht inzender te vragen : 1e. Waar dit in onze belijdenisschriften staat, dat de in leven zijnde verbondskinderen moeten worden gehouden voor wedergeboorte. Waar staat in onze belijdenisschriften, dat bij het in leven blijvende zaad des verbonds de wedergeboorte wordt gewerkt zonder middel van het Woord ? 3e. Indien voor Ie. en 2e. grond bestaat, hoe zijn die artikelen dan te rijmen met die artikelen, waar geleerd wordt dat de wedergeboorte door middel van het Woord plaats vindt ? Zijn er zóó geen twee algemeen geldende regels ten opzichte van de wedergeboorte ?
Zietdaar, waar de vragen op neer komen. Het zijn bedenkingen tegen een zinsnede, die al meermalen aan critiek heeft blootgestaan en nog altijd den aanval heeft te verduren bepaaldelijk der Christelijk-Gereformeerden.
Wanneer wij nu de vraag gaan beantwoorden waar de belijdenis leert dat het zaad des verbonds, krachtens de belofte Gods, voor wedergeboren te houden is, dan willen wij beginnen met de opmerking, dat deze uitspraak van de Synode niet zonder de nadere verklaring genomen mag worden. Die nadere verklaring is : dat dit het oordeel der liefde is, waarmede het zaad der geloovigen, totdat bij het opwassen, uit hun wandel of leer, het tegendeel blijkt, gehouden wordt voor ware bondelingen, en wel op grond van Gods belofte : Ik ben uw God en uws zaads God. Voorts zegt de nadere verklaring, dat dit oordeel der liefde geenszins zeggen wil, dat elk kind daarom waarlijk wedergeboren zou zijn. De zaak is dan deze : dat in het algemeen van de kinderen der geloovigen (want die zijn 't zaad des verbonds), gehouden wordt, als niet in hun leven blijkt dat zij het verbond met voeten treden, dat God in hun hart het nieuwe leven gelegd heeft, en dat dit op Gods tijd ook zich zal openbaren. Wij moeten toch één van beide kanten uit, in de beschouwing van het zaad der gemeente. En de belofte Gods dringt ons dezen kant uit, dat, als God Zijn genade ook aan ons zaad wil meededen, en wij hebben niet anders dan die belofte, dat wij het goede van de kinderen gelooven, omdat God zoo goed is. Zijn vleugelen ook over het zaad der geloovigen uit te breiden.
Wat nu aangaat de beschouwing van het zaad der gemeente in onze Geloofsbelijdenis, we lezen in art. 34: „en voorwaar, Christus heeft Zijn bloed niet minder vergoten om de kinderkens der geloovigen te wasschen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen." En daarom behooren zij het teeken te ontvangen en het Sacrament van hetgeen dat Chrisus voor hen gedaan heeft. Dit artikel zegt echter ook, dat de Heere bevolen heeft te doopen : „die de Zijnen zijn" en dat bij hen het bloed van Christus door den Heiligen Geest van binnen hetzelfde doet wat de Doop uitwendig doet.
En onze Catechismus Zondag 27, zegt, dat den kinderen alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing der zonde en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt.
Nu is dit duidelijk, dat, als aan het zaad der geloovigen ook de belofte toe­ komt van de vergeving der zonde en den H. Geest, dat die ook in vervulling gaat. En als de Doop teeken en zegel is van wat Christus ook voor de kinderen gedaan heeft, dan is het dit tegelijk van wat Hij op Zijn tijd in hen doet. Want de belofte is niet ijdel, en het werk van de verwerving der zaligheid is niet van de toepassing te scheiden. En daarom houden wij het zaad der geloovigen, tot dat.anders blijkt, als een geheiligd zaad waaraan God Zijn belofte vervult.
Maar hoe wij in de practijk met voorzichtigheid deze geloofsbelijdenis hebben in toepassing te brengen, blijkt even zeer uit wat de genoemde Synode uitsprak, dat namelijk volstrekt niet gezegd mag worden dat elk uitverkoren kind van zijn geboorte af zou wedergeboren zijn, „dewijl God Zijn belofte vervult naar Zijn vrijmacht, op Zijn tijd, 't zij vóór of onder, of na den Doop." Al is dus het zaad der gemeente te houden voor het zaad dat God zegent, met Zijn belofte en de vervulling, toch is in de bizondere bearbeiding van de kinderen der gemeente door ouders, predikanten en onderwijzers, niet uit te gaan van de beschouwing : die kinderen, die ik hier voor mij heb, heb ik voor wedergeboren te houden, en daarom is mijn arbeid enkel gericht op de ontwikkeling van het leven dat zij reeds bezitten. Neen : de wetenschap dat God ook de kinderen in Zijn verbond heeft opgenomen, en hun Zijn belofte gegeven heeft, mag een pleitgrond zijn, elk kind als Verbondskind te bearbeiden, hen roepende tot de genade die hun is beloofd, en voor hen bidden om versterking als God reeds het leven wrocht.
Over den tijd van de vervulling van Gods belofte laat de belijdenis zich niet uit : ook de Conclusie van Utrecht-1905 niet.
Ten tweede wordt gevraagd, waar in de belijdenisschriften staat, dat bij het in leven blijvende zaad des verbonds de wedergeboorte wordt gewerkt, zonder middel van het Woord.
Ons antwoord luidt: De belijdenis leert twee dingen : a. dat jonge kinderen de gave des Heiligen Geestes ontvangen kunnen en Christus ingelijfd worden, anders zou er geen zaligheid voor hen zijn. Zie bovengenoemd artikel, b. Dat de gewone weg is de prediking des Evangelies, welke de Heilige Geest als middel gebruikt, maar dan alzoo dat de wedergeboorte „niet in ons teweeggebracht wordt door middel van de uiterlijke predikatie alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking, dat, wanneer nu God Zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des menschen zou staan, wedergeboren of niet wedergeboren te worden, bekeerd of niet bekeerd te worden Leerregels III en IV, par. 12.
Na onze uiteenzetting onder Ie. meenen wij dat het niet noodig is te bewijzen uit de belijdenis, wat de belijdenis zelf niet zegt, n.l. wat in vraag 2 als regel schijnt gesteld te worden. Daar de tijd van de vervulling van Gods belofte verschillend is, is in het prille der jeugd de Heilige Geest bij machte, zonder de uiterlijke predikaties des Evangelies tot bekeering te brengen. Gelijk bij die tot onderscheid van jaren gekomen zijn door de prediking.
Dit mag echter niet betiteld worden als een zekere tegenstrijdigheid in de belijdenis. De inzender knoopt de consequenties aan elkaar, en roept dan uit : wedergeboorte zonder het Woord en wedergeboorte door het Woord — dat sluit elkaar toch uit ? Maar lieve broeder, daar is nergens in Confessie-of Synodebesluit een algemeene regel gesteld, dat de uitverkorenen als kleine kinderen reeds, zonder de predikatie des Evangelies worden wedergeboren. Indien dat zoo ware, zou er van strijd sprake kunnen zijn. Maar u zult toch zelf niet kunnen ontkennen dat de Heere ook in jeugdige harten werken kan, die door het Woord niet bereikt kunnen worden. Indien u dat ontkent, zou u moeten stellen dat kinderen niet zalig kunnen worden. Intusschen mogen wij als de gewone regel beschouwen wat de belijdenis zegt over de wedergeboorte door het Woord. En als we nagaan, hoe jong reeds de harten der kinderen bereikt kunnen worden door Gods Woord, dan zien we welk een breede toepassing die regel in het leven der gemeente kan vinden.
Onze belijdenisschriften bevatten dus waarlijk niet een „schrikkelijke" tegenstrijdigheid. En evenmin is het „onwaarheid" dat volgens de belijdenis onzer Kerken het zaad des verbonds, krachtens de belofte Gods, voor wedergeboren te houden is, als niet blijkt dat de levensopenbaring naar wereld en zonde overhelt.
Indien er niets anders in het besluit van Utrecht stond dan dit: dat het zaad des verbonds voor wedergeboren te houden was, zouden wij, evenals inzender, tegen die stelling bezwaar hebben, want dan zou hierin de tijd al verleden zijn, die men in 't midden wilde laten. Er zou dan strijd zijn tusschen wat men naar de liefde gelooft en wat men eigenlijk ook weer onzeker van tijd acht. Maar de algemeene beschouwing naar de belofte Gods van het zaad der geloovigen, deel hebbende aan Gods genadeweldaden, doet, als het tegendeel niet openbaar wordt, hen houden voor ware bondelingen, maar kweekt individueel tegenover onze kinderen geen zorgeloosheid, maar is wel een prikkel om tot bekeering te vermanen, tot een heiligen wandel aan te sporen en aan te dringen om Gods Woord te zoeken, dat een kracht Gods is tot zaligheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's