De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

4 minuten leestijd

„Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen." 'Psalm 119 vers 54.

Uwe inzettingen.
De wereldhistorie vangt aan in een paradijs en zij zal sluiten met een paradijs. En tusschen dat begin en dat einde Ijgt de woestijn.
Deze wereld, het land dat ons draagt, het stukske grond waarop ons leven zich afspeelt, de plek waarop wij arbeiden en kampen om het bestaan, alles een woestijn is dat niet te sterk gesproken ?
Zoo schijnt het ons. Vooral op die heerlijke dagen, waarin de schepping voor ons opstraalt als in feestgewaad, als in bruidstooi.
Ach, al die heerlijikheid, die wel schoon is, tenslotte is het maar een matte schemering van de pracht en de weelde van weleer.
Wij zijn in het land, waar de doornen onze moede voeten wonden, waar de distelen overdekken het pad dat wij betreden moeten, zoodat het voortgaan schrijnt en pijnt.
Want de vloek des Heeren, de vloek onzer zonde in Eden's hof bedreven, toen wij Gods gunst verbeurden en Zijn liefde met voeten trapten, heeft het lustoord van weleer gemaakt tot het land der ellende.
Gezien in het licht van onzen oorsprong, zijn wij in het land der ballingschap ; zijn wij midden in de woestenij.
De zanger, die zingt in onzen tekst, schouwt het ook alzoo. Maar hij zegt het met andere woorden. Hij spreekt van de „plaatse zijner vreemdelingschappen." Dat is eigenlijk hetzelfde als „woestijn", maar het gaat nog veel dieper. Het omvat nog veel meer. Deze zanger, dit woestijnkind, voelt zich niet thuis in de woestijn. Hij ziet haar niet meer als zijn vaderland. Hij is er, ja, maar op de doorreis. Zijn vaderland is elders. Zijn vaderland is de stad Gods, het Vaderhuis met'zijn vele woningen, gelijkt gij reeds op dien zanger ? Zijt hij, evenals hij, vreemdieling af geworden, om het weer te worden in anderen, in hoogeren zin ? Uit onszelven zijn wij vreemdeling voor God en ons hart. Vreemdelingen van de verbonden en de beloften. Vervreemd van het burgerschap Israëls.
Maar als het groote geheim der genade Gods komt in ons leven, de groote ommekeer, de omzetting, het zalige, waardoor in onzen dood het leven van Gods genade gaat kiemen, uit Gods heilfonteinen gedrenkt, dan worden wij vreemdelingen hier beneden, die gaan zoeken de toekomende stad, het vaderland dat Christus hun verwierf.
Dat groote, dat heerlijke, hebben bij dezen zanger Gods inzettingen bewerkt.
„Uwe inzettingen" Wat verstaat de zaliger daaronder ? Dat zijn des Heeren geboden! Denk nu niet aan „gebod op gebod, regel op regel". Ach neen, dan veroppervlakkigt gij dezen tekst, en dan waant ge dat gij den „groote ommekee'r" verdienen kunt, door die regels te houden, pijnlijk nauwkeurig. En dan blijft ge eeuwig vreemdeling voor God.
Gods inzettingen ze vormen heel dat samenstel van diensten, waardoor de Heere komt met Zijn eischen, doch tevens wijst op Zijn heerlijke beloften, in Christus immers Ja en Amen !
Gods inzettingen onder de schaduwen der oude bedeeling zoowel als in het licht van den nieuwen dag is daarmede gedoeld op den weg der middelen, waardoor God ons roept en wil brengen tot het heil in Christus.
Neemt gij die inzettingen Gods reeds waar? Ze zijn voor den psalmist de oazen in de woestijn.
En voor u ? Ach, ga ze niet voorbij in schuldige onverschilligheid. Neen, betracht ze, dag in dag uit, op allerlei wijze. De Heere God is het zoo waard dat wij Zijne wegen bewaren. Ja, wie wij ook zijn, dat wij Gods inzettingen waarnemen, biddend, smeekend, dat de Heere Zelve ze ons doe kennen en genieten, zooals deze zanger ze kende. In het betrachten van Gods inzettingen moeten wij aangeraakt, geleid, gedreven worden door Zijn Geest. Dan gaan eischen en beloften voor ons leven. Dan voeren ze ons naar Christus. Dan wordt het alles leven in Gods inzettingen. Ze te betrachten wordt behoefte !
Dan ja, dan worden ze ons gezangen. Gij verstaat dat nu wel. Gods geboden worden ons dan liefelijk. Er komen momenten, waarin wij moeten zingen : „Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten "
Zoo worden Gods inzettingen Zijn kinderen tot verlustiging. Ze moeten er van zingen.
Ja, maar dat is nog niet de diepste beteekenis van den tekst. Die is nog heerlijker.
Gods inzettingen zelve begonnen voor hem te zingen. De Heere Zelve zong daar doorheen voor het hart van den psalmist het wondere lied van Zijne genade. O, dat te hooren, het is onuitsprekelijk heerlijk. Nooit is Gods verborgen omgang rijker en zaliger. Dan worden we meer en meer vreemdeling hier beneden, om te moediger, ondanks de vele verdrukkingen, op te worstelen naar de stad des lichts.
Wij zijn allen woestijnkinderen. Daarom, ja daarom zij er bij ons een biddend betrachten van 's Heeren inzettingen, opdat wij mogen beluisteren dat zingen Gods en onze arme ziel moge hooren het oude lied van Jezus den Heere !

H.

B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's