Eenvoudige Bijbellezing
1 Timotheus.25 Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewtozoeker ; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. 1 Timotheus 3 vers 3.
Niet genegen tot den wijn. De apostel gaat verder in het noemen van verschillende deugden die den ambtsdrager sieren. Wat hij hierin aanprijst, geldt eigenlijk voor een ieder, al is hij geen leeraar of ouderling. Wij kennen geen priesterstand, zooals de Roomschen, voor wien andere wetten gegeven zouden zijn dan voor de gewone christenen. Maar dit neemt toch niet weg dat een opziener ook zelf een goed voorbeeld geven moet; hij moet in alles voorganger zijn. En dit geldt ook het gebruik van sterken drank.
Een opziener moet niet genegen zijn tot den wijn. Dat wil niet zeggen, dat hij nooit wijn mag drinken. Hij mag geen minnaar van den wijn zijn, niet belust op alcolholhoudende dranken. Maar dat hij zich angstvallig van allen sterken drank onthouden moet, wordt nergens in de Schrift geleerd. Wanneer iemand meent dat hij zich moet onthouden om der zwakheid wil van een ander, het staat hem volkomen vrij. En indien het hem daardoor gelukken mocht een drankzuchtige van zijn drankduivel te verlossen, dan heeft hij door zijn onthouding veel bereikt. Maar waarom kan een ander dat ook niet bereiken, een ander, die nu en dan, als de gelegenheid zich voor doet, wel eens een glaasje drinkt ? Hij kan evengoed een drankbestrijder zijn en met zijn gansche hart wenschen dat een ander doet zooals hij. Daarvoor behoeft men zich niet te binden. Hij kan evenzeer de nameloos groote ellende betreuren die de drankzonde bracht in menig huisgezin, in menige familie van geslacht op geslacht. Inderdaad, ieder christen behoort een drankbestrijder te zijn, elke leeraar, elke ambtsdrager.
Maar dat ik daarvoor een geheelonthouder moet zijn, zie ik niet in. Het matig gebruik van alcoholhoudende dranken zal niemand schaden. Hierin ligt geen zonde. Het kan met dankzegging genomen worden. En zoo kan ik minstens evenveel zijn voor het heil van mijn naaste, die in de vreeselijke drankzonde verzonken ligt. Hij zou mij kunnen antwoorden : „gij drinkt het zelf!" Welnu, dat moet hij weten. Maar ik geloof dat hij ten slotte nog meer respect zal hebben voor iemand die de kracht heeft het bij het matige te laten, dan, voor iemand die zich ééns verbonden heeft zich te onthouden. Het volstrekt zich onthouden is eer een bewijs van zwakheid dan van kracht. Ambtsdragers moeten menschen zijn die door de kracht des geloofs zidh wapenen tegen elke zonde ; menschen, die zich door Gods Woord laten onderwijzen om te onderscheiden tusschen goed en kwaad. En zullen zij de drankzonde onder Gods zegen kunnen bestrijden, dan moeten zij zelf daarin niet vallen. Zij moeten niet genegen zijn tot den wijn. Zij moeten onberispelijk zijn, ook in dit opzicht.
Geen smijter. Wat dit beteekent ? Het is een woord dat wij in onzen tijd niet zooveel gebruiken. Met een smijter is bedoeld iemand die er met de handen op los slaat. Gij moet dit maar in letterlijken zin opvatten, en nu niet denken aan iemand die in figuurlijken zin iemand onder handen neemt en slagen uitdeelt.
Immers wordt er in de bovengeplaatste woorden ook nog van een vechter gesproken. Daar hebben wij meer aan de overdrachtelijke beteekenis te denken.
Een smijter is iemand wiens handen hem los aan 't lijf hangen, zooals wel eens gezegd wordt. Mij dunkt, dat is toch haast niet noodig om den ambtsdrager daartegen te waarschuwen ? Stel u voor, dat zoo'n deftige dominé zijn vuisten dadelijk maar op iemand neer liet komen, dien hij gaat vermanen hij zou niet veel bereiken. Stel u voor dat in de Kerkeraadsvergadering men stoelen en banken opnam om elkander aan te vallen, zooals wel eens vermeld is van de Fransche Kamer. Neen, zoo iets komt onder ons niet voor. Het zou schandelijk zijn. Wij houden de handen thuis. En toch.. Paulus waarschuwt er tegen. Misschien was er in zijn tijd meer gevaar dat dergelijke menschen in het ambt geplaatst werden dan in onze dagen. Een smijter is iemand die met lichamelijk geweld te werk wil gaan. Neen, dat mag niet. Geestelijk zij uw kracht, broeders. Geestelijk uw wapen. Geen smijter mag er zijn in de leerkamer of in de vergaderzaal.
Geen vuil-gewin-zoeker. Natuurlijk niet! Het moet een opziener te doen zijn om zielen te winnen voor den Heere en om werkzaam te zijn voor de eer van zijn God. De gedachte aan enigen voor deel moet hiervan verre geweerd. Als iemand door zijn ambt zich zoekt te verrijken en zoo kans ziet meer geld voor zich te verzamelen, dan is dat vuil gewin. Iemand die liever dominé dan advocaat of dokter zou willen worden, omdat het eerste meer geeft, zou zich door een jammerlijk beginsel laten leiden. Nu is onder ons dat gevaar niet groot. Iemand die geen begeerte heeft in het ambt op zichzelf, zal het om het tractement niet begeeren. Dan staan er bij minder of gelijken studietijd heel wat voordeeliger wegen voor hem open. Toch geschiedt veel om vuil gewin. Het is natuurlijk niet altijd aan te wijzen. Wij kennen de harten niet en weten niet wat de drijfveer is van iemands handelen. Dat weet God alleen. Maar hierin moet een ieder voor zichzelf nauw toezien. Wij zouden een ander misschien wel als vleeschelijk aanzien, terwijl een hoogere levensdrang hem voert. Laat een ieder die in het ambt werkzaam is maar dicht bij God leven, daarom vragen, opdat het hem bij alles te doen mag zijn om winst voor den Heere en eer voor zijn God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's