De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

23 minuten leestijd

Christen of Jood?
Wij hebben geen couranten ter onzer beschikking om ze na te slaan op onze vacantiereis. Bizonderheden laten we dan ook weg. Maar de zaak zelve, waar om het gaat, willen we toch even hier melden.
Aan de Amsterdamsche Gemeente-Universiteit (is 't eigenlijk niet vreemd, dat een gemeente een Universiteit sticht en onderhouden gaat ? ) is een vacature bij de theologische faculteit. Een modern-godgeleerde, die jaren en jaren daar professor was en tegelijk hoogleeraar aan het Luthersch seminarie, heeft den leeftijdsgrens bereikt en gaat heen ; zoodat nu een ledige professorsplaats moet worden vervuld. Deze vacature gaat dus allereerst de Gemeente-Universiteit aan ; maar het Luthersch seminarie (de Hersteld Ev. Lutherschen hebben een eigen opleiding te Utrecht, waar prof. Pont doceert) heeft er eigenlijk óók belang bij; omdat weer op gemeenschappelijik gebruik van dezen professor in de godgeleerdheid gehoopt en gerekend wordt.
Bij de Lutherschen is een zwenking naar rechts ; op de laatste Synode, kort geleden gehouden, is dat gebleken. Daar werd toen ook over de vacature, bovenbedoeld, gesproken. Men wilde eerst zelf maar vast iemand benoemen, een Luthersch theoloog ; in de hoop en de verwachting dat het Gemeentebestuur dienzelfden hoogleeraar dan zou benoemen aan de Gemeente-Universiteit. Of, mocht dat niet gebeuren, dan had een eigen benoeming toch dit voor, dat men zelf een rechtzinnig professor had ; de Gemeente-Universiteit moest dan maar weten wat zij deed. 't Geen echter weer gedrukt werd door het bezwaar, dat een professor, die alleen aan het Luthersch seminarie colleges geeft, eigenlijk toch geen voldoenden werkkring heeft.
Door vooraanstaande mannen, die iets meer weten dan een gewoon menschje, werd betoogd ter Synode, dat men maar een weinig geduld moest oefenen, dan zou alles best terecht komen ! Want, zoo luidde de eenigszins geheimzinnige mededeeling, de faculteit van de Gemeente-Universiteit had een rechtzinnig thedoog, Oud-Testamenticus van professie, op 't oog en die zou wel benoemd worden door den Gemeenteraad. Dat was wel geen Luthersch theoloog, maar deze a.s. Amsterdamsche hoogleeraar had toegezegd, dat hij wel Luthersch wilde worden en zoo kon het Seminarie hem dan óók gebruiken.
Mooier kon het al niet! Sinds werd er meer publiek belangende deze affaire. En bet bleek, dat de theol. Faculteit werkelijk een rechtzinnig theoloog, niet-Luthersch, maar Hervormd zijnde, voordroeg ter benoeming, n.l. prof. dr. Böhl te Groningen.
Dat is dus de man blijkbaar, dien men ter Synode op het oog had, die dus blijkbaar gepolst is, die deze benoeming zal aanvaarden, die dan Luthersch wil worden en die dan door de Luthersche Synode benoemd kan worden aan het Amsterdamsch Seminarie, enz. enz.
Doch nu komt er een kink in den kabel.
Want toen de benoeming al aanhangig gemaakt was bij den Gemeenteraad en de naam van prof. Böhl in deze gepubliceerd, bleek het, dat de litterarische faculteit (de Hebreeuwsche taal en de Oostersche talen in 't algemeen zijn in het geding) een ander wilde benoemd zien. Een ander geleerde werd genoemd en mee aanbevolen. En zóó kwam de Gemeenteraad feitelijk voor een dubbeltal te staan, om uit dat tweetal geleerden een keus te doen ter vervulling van de vacature in de theol. faculteit.
En het bizondere is nu, dat de voorgedragene naast prof. Böhl een taalgeleerde is, die mee aan een Joodsche school een wetenschappelijk-kerkelijken graad heeft verworven en die dus Jood blijkt te zijn !
Wij hebben het nu niet over het zonderlinge, dat de litterarische faculteit voor deze vacature bij die theol. faculteit een mede-voordracht doet naast den man door de theol. faculteit, die in het geding is. Maar waar wij even de aandacht op wilden vestigen is het zonderlinge geval, dat nu de Gemeenteraad van Amsterdam (denk u dat eens even in) zal moeten uitmaken met stemmenmeerderheid, wie er hoogleeraar zal worden in de theologie, een Jood of een Christen ?
Beide mannen, willen we veronderstellen, zijn wetenschappelijk geschikt te achten.
Maar wie is nu de man voor de theol. faculteit te Amsterdam ? Een Jood ? Waarom wèl ? Waarom niet ?
Een Christen ? Waarom wèl ? Waarom niet ?
Vraag het maar aan den socialist exgemeentewerkman Gulden ; of aan den communist - bolsjewist - ex-Jood David Wijnkoop ; aan den man van de rapaille partij of aan den vrijzinnig democraat ; aan den liberalist of aan den Roomsche; aan den Christelijk-Historische of aan den Antirevolutionair, die zitting hebben in Amsterdams Gemeenteraad ! Samen zullen ze het hebben uit te maken, zij, die samen de Gemeente - Universiteit hebben te besturen.
Toch wel een iet-wat rare regeling, zoo'n Gemeente-Universiteit
Het zal ons benieuwen wie benoemd zal worden: een Jood of een Christen.

De Diaconale arbeid.
Gelukkig dat de diakenen in onze Hervormde Kerk veel meer van zich laten hooren dan vroeger. Zij weten zich daarbij niet zelden gelukkig aan te passen aan de dingen die wij in onze 20ste eeuw rondom ons zien ; denk maar aan de verzorging van ouden van dagen, van verarmde dames, van werkeloozen, van zieken als t.b.c.-lijders, enz. enz.
Over de plaats van den diaken in het kerkelijk leven, vooral wat Kerkeraad en Kiescollege (met al den partijstrijd) betreft is daarbij sprake gekomen ; ook over het zitten in de hoogere besturen en het versohijnen op de Classicale Vergaderingen.
Een en ander heeft aanleiding gegeven, dat men gekomen is met een ontwerp-regeling, dat nu aan de Synode is voorgelegd en waaraan de Synode haar goedkeuring heeft gegeven, zoodat het voorstel voorloopig is aangenomen.
Bezien we dat voorstel, opgesteld door een Commissie, bestaande uit de h.h. ds. Eilerts de Haan, Ruys, Adriani, Harmsen (diaken te Rotterdam), van Holthe tot Echten, Kruisbergen (van Barneveld), ds. Van Paassen, prof. Slotemaker de Bruine en ds. Te Winkel, wat nader, dan bemerken we dat de Commissie meer onderling verband wil leggen tusschen onze Diaconieën en een betere werkwijze beoogt, benevens wil, dat de plaats van den diaken wat minder in het gewoel van den partijstrijd zal komen staan, door hem meer, gelijk vroeger een „eigen" werk te geven en te laten.
Drie dingen worden dan ook in het ontwerp, door de Commissie gemaakt, verwerkt, en wel: a. de organisatie der Diaconie; b. de positie van den diaken en c. wetswijzigingen die noodig zijn om a. en b. te bereiken.
Wat het eerste betreft wordt gevraagd : Ie. een nieuw artikel in het Regl. voor de Diaconieën, bepalende, dat Diaconieën voor bepaalde doeleinden kunnen samenwerken, 't zij door met elkander instellingen in het leven te roepen en financieel te steunen, 't zij door van haar kapitaal gelden daarvoor beschikbaar te stellen (dit laatste met inachtneming van art. 21) ; 2e. een invoeging in art. 2 van het Regl. voor de Diaconieën, waarbij diakenen de be­voegdheid verlangen, de regelen te ontwerpen, waarnaar zij de beginselen der kerkelijke armenzorg willen zien toegepast, welke regelen de goedkeuring van den Kerkeraad behoeven.
Wat het tweede aangaat, n.l. de positie van de diakenen in den Kerkeraad (wij schreven daar vroeger zelf óók over, vooral met het oog op den algemeenen Kerkeraad in de groote steden) wordt betoogd : dat het van groot belang zou zijn, indien de benoeming van diakenen buiten den partijstrijd kan worden gehouden en bij hunne verkiezing alleen kan worden gerekend met geschiktheid en bekwaamheid. (ook toch zeker voor hun geestelijk werk ter vertroosting van de armen, enz. ? Red. W.h.vriend). Dit kan worden bevorderd door wat betrekking heeft op de beroeping van predikanten en de benoeming van ouderlingen en diakenen over te brengen van den algemeenen naar den bijzonderen Kerkeraad en in de gemeente, waar een bijzondere Kerkeraad is, de diakenen niet te laten zitting hebben in het Kiescollege. („De diakenen voor 't geen der diakenen is.") Aan de diakenen kan dan een aanbeveling worden gevraagd voor de benoeming van hunne ambtgenooten.
Eindelijk heeft de Commissie nog een derde reeks van voorstellen gedaan, groep III. Deze betreffen geen levens-belangen der Diaconie. De Commissie zou de aandacht der Synode er niet voor gevraagd hebben, indien niet uit anderen hoofde het reglement voor de Diaconieën en de regeling van den Diaconalen arbeid aan de orde kwamen. Nu dit wel het geval is, vond zij het wenschelijk de gelegenheid te gebruiken om
a. de terminologie in het reglement voor de Diaconieën te verbeteren ;
b. eenige onzekerheid ten aanzien van collecten, en
c. oneffenheden in de bewoordingen betreffende de verhouding van Diaconie en Kerkeraad weg te nemen.
Nadat de groote meerderheid der Synodeleden zich verklaard had ten gunste van een behandeling der drie groepen van voorstellen, werden daarin eenige wijzigingen gebracht.
Besloten werd dat de Diaconale raden niet zullen worden vertegenwoordigd bij de kerkvisitatie. En ook dat hun advies niet noodig zal zijn voor Classicale en Provinciale Besturen, om besluiten te nemen ten opzichte van de Diaconieën in hun ressort.
Groep I werd daarna aangenomen met 16 tegen 3 stemmen ; groep II met 10 tegen 9 en groep III (redactiewijzigingen) met algemeene stemmen.
Wij hopen nog wel gelegenheid te vinden om op deze dingen terug te komen ; want ze zijn zeer zeker van groot belang voor onze Diaconieën.
Nu volstaan we met dit korte overzicht, die hoop koesterend, dat deze dingen onze Hervormde Kerk in haren Diaconalen arbeid ten goede mogen komen.

Uit de Synode.
De vergadering van de Synode is reeds geëindigd nu wij dit, niet ver van de Javastraat logeerend, schrijven. Als we ons niet vergissen zijn er 24 zittingen geweest — behalve de commissievergaderingen, enz. Nu zullen we niet zeggen, dat al de tijd aan deze dingen besteed door 19 predikanten en ouderlingen (wat bespottelijk weinig voor een Synode !) en 2 hoogleeraren als praeadviseurs (óók niet te veel!) verloren tijd is. Dat zou misschien een weinig te boud gesproken zijn. Maar met een rustig geweten zeggen we toch, dat de 24 zittingen van weinig of geen beteekenis zijn geweest voor ons kerkelijk leven. Alleronbelangrijkst lijkt ons de Synode van 1924 ; ook al vergeten wij niet, dat zaken als de pensionneering van predikanten, pacificatie voorstel en diaconale aangeslegenheden aan de orde zijn geweest. Hoewel deze dingen zijn behandeld is 1924 weer voorbij gegaan zonder dat er iets belangrijks door de Synode is verricht. Wat ook geen wonder is. Hoewel 't ons moet verwonderen, dat niet veel méér Hervormden instemmen met de leuze : „Ceterum censeo ordinem eoclesiasticum synodalem anni 1816 delenidum esse" ; dat is : „Wat het overige betreft, meen ik nog eens te moeten uitspreken, dat de Synodale Organisatie van 1816 behoort te worden te niet gedaan." („Geref. Kerk", 14 Aug. j.l.)
Laat ons nog iets in deze rubriek mee deelen van hetgeen door de Synode is besproken en beslist.
De Kerkeraad van Vianen (hulde !) had gevraagd om weer opnieuw aan de orde te stellen „de Groote Synode". Waar de Synode zelve verleden jaar zich vóór verklaard had en de eindstemming der Prov. Kerkbesturen in meerderheid ook vóór was (de Waalsche Commissie deed 't schip stranden), daar was het zoo mal nog niet geweest, indien deze zaak weer eens was besproken door de Synode. Er zijn wel dingen, die minder belangrijk zijn, voor den 2den, 3den en 4den keer aan de orde gesteld !
Maar Vianen kreeg nul op 't request. En slechts één lid heeft uitgesproken — zoo luidt het verslag — dat het verwerpen der grootere Synode zeer betreurd moet worden. Wij hebben een sterk vermoeden, dat voor een lid van de Synode , visschenbloed en een olifantshuid heele gewone dingen zijn, die een mensch zeer wel gebruiken kan.
Over de verwerping van het „vredes"voorstel van dr. Niemeyer („als de vos de passie preekt, boer, pas op je kippen") hebben we het al gehad.
Intusschen komt in het Weekbl. voor de VrijZ. Hervormden ds. Eilerts de Haan meedeelen, dat „het Reglement op uitnemende wijze werd verdedigd door dr. Niemeyer", en verder : „het schitterend betoog van dr. Niemeyer vermocht niet de rechtsche meerderheid voor het ontwerp te winnen."
Wij meenden deze publicatie van uitnemend belang, hoewel zonder schitterend succes, hier niet te mogen verzwijgen.
Van de Federatie van Diaconieën is een schrijven bij de Synode ingekomen, dat er een afzonderlijke commissie is benoemd om bet werk der ziekenzorg beter te behartigen. Wij hopen daar spoedig meer van te mogen hooren, het lijkt ons van groot belang indien in deze zaak saam wat gedaan kan worden !
Wat den Raad van Beheer betreft, wordt (in de 20ste zitting) bepaald, dat er meer openbaarheid zal komen ten opzichte van de gronden waarop de aanslag berust. Nu, dat mag ook wel zoo langzamerhand. Volledige publicatie zou misschien nog beter zijn. Maar daar wilde men nog niet aan.
Een voorstel van den ring Kollum, op de Classicale Vergadering van Dokkum vroeger aangenomen, was nu bij de Synode ingediend door de Classicale Vergadering van Appingedam ; het bedoelt de toevoeging van een alinea aan art. 4 van het Regl. op de Predikantstractementen. Voorloopig wordt aangenomen de bepaling : „dat predikanten, die een tractement genieten, hetwelk het minimum overtreft en bovendien de verhoogingen, waarop de predikant recht heeft, ontvangen, geen bijdrage zullen krijgen uit de Centrale Kas." Hierover zal nog wel een woordje gewisseld wordden denken we, daar èn rechtzinnigen èn vrijzinnigen hier en daar nu een veer zullen moeten laten ; wat nooit prettig is. Toch moet hier een plooi gladgestreken worden. Meegedeeld wordt, dat het jaar 1922, wat het Regl. op de Predikantstractementen betreft, sloot met een totaal aan ontvangsten van ruim ƒ 575.691 en het jaar 1923 met ruim ƒ627.221. Dit laatste beidrag was op 15 Maart 1924 geklommen tot ruim ƒ 814.323. Prof. v. Nes wijst met nadruk op het verschijnsel dat die gemeenten, waar nagenoeg alles moet komen uit de bijdragen van het nu levende geslacht, de minste moeite maken met het betalen van den aanslag
In deze zelfde zitting (de 21ste) wordt het voorstel van ds. Woldendorp behandeld : om de Waalsche Commissie, die nu rekent voor een provincie en in afvaardiging ter Synode gelijk staat met een Provinciaal Kerkbestuur, terug te brengen tot hoogstens een classis.
Wij laten hier volgen het verslag van de behandeling dezer zaak, zooals „Het Handelsblad" ons dat bracht :
De heer Tammens brengt rapport uit over de verschillende voorstellen, die zijn ingekomen tot wijziging van art. 34 van het Algemeen Reglement, die ten doel hebben den invloed der Walen in de bestuursorganisatie te verminderen. Die voorstellen kunnen worden verdeeld in twee groepen. De eerste groep bestaande uit voorstellen van den heer Uittenbroek, dr. Woldendorp en de Cl. Vergaderingen van Tiel, Harderwijk, 's Gravenhage, Amsterdam, 1 lid van Alkmaar, Sneek, Dokkum, Kampen, die de Waalsche gemeenten gelijk stellen met de Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche gemeenten, zoodat zij behooren tot de kerkelijke ressorten der Nederduitsche gemeente in die stad, waar zij gevestigd zijn.
De andere groep, bestaande uit de Cl. Vergaderingen van 's Gravenhage, Leiden, Goes, Utrecht, Amersfoort en Wijk, willen de Waalsche gemeenten vereenigen in eene classis en de Waalsche commissie maken tot een Classicaal Bestuur, met het recht tot het afnemen van proponentsexamen en colloquium doctum. 's Gravenhage wil daarbij door loting uitmaken tot welk provinciaal ressort die classis zal behooren. Utrecht wil haar voegen bij Utrecht.
De commissie van rapport besloot unaniem 't voorstel van de eerste groep af te wijzen.
Wat de tweede groep betreft, was zij verdeeld in eene meerderheid en eene minderheid. De minderheid is van oordeel, dat de Waalsche gemeenten in verhouding tot haar zielental een te grooten invloed oefenen, want bij de tegenwoordige organisatie der Kerk kunnen zij soms twee afgevaardigjden hebben in de Synode. Daarom zou zij haar gaarne tot eene classis zien teruggebracht en deze dan te voegen bij het Provinciaal ressort van Utrecht; dan zouden daar hare candidaten geëxamineerd kunnen worden. Ook is uit het rapport der kerkvisitatie gebleken, dat er geen bloeiend kerkelijk leven is, want er zijn twee predikantsplaatsen opgeheven en dat pleit tegen het zelfstandig bestaan, maar men gevoelt ook wel eenig bezwaar tegen eene incidenteele verandering,
De meerderheid daarentegen wijst er op, dat de Waalsche gemeenten te maken tot een Classis zou zijn strijdig met de rechtvaardigheid en het recht. Sedert 1577 zijn er twee afdeelingen van de Kerk met dezelfde bevoegdheden en rechten, dezelfde geloofsbelijdenis en kerkorde, hare gemeenschappelijke belangen behartigende op de nationale Synode, uit de vertegenwoordigers van beide bestaande. Op de Synode van Dordrecht in 1578 werd bepaald, dat de Waalsche Kerken niet met de kerken van andere taal vereenigd zouden worden in dezelfde classes, noch in dezelfde Synodale ressorten, maar dat zij een afzonderlijk lichaam zouden vormen met eigen Synodale ressorten en een zelfde nationale Synode ; die Synode samen te stellen door de afgevaardigden van de Synodale ressorten van de eene en de andere taal ; Synodale ressorten, waaronder dat der Waalsche kerken dadelijk zijn plaats en zijn recht kreeg — art. 46 Kerkordening van Dordrecht — en dit werd telkens weer bevestigd op de nationale Synoden, ook in 1618 en 1619. De Synode samengesteld uit de afgevaardigden van twee contracteerende partijen, kan niet suo jure ter zijde stellen het contract op grond waar van zij is saamgesteld. Een contract kan wel opgezegd worden, maar niet op grond van het recht van den sterkste. Slechts met wederzijdsch goedvinden. Wanneer de Walen tot een classis werden, zouden zij geen recht van beroep hebben, terwijl ook nergens in de reglementen is te ontdekken hoe een provinciaal ressort veranderd kan worden. Laat men de zaken toch haar gang gaan, weldra zal de groote Synode komen, dan de Waalsche gemeenten een classis, dan ook het vetorecht weg en kunnen zij dus niet meer zooveel invloed uitoefenen.
Bovendien volgt onze Ned. Herv. Kerk in haar bestuur het federatief stelsel. Zij vraagt zoo weinig naar zielental, dat zij aan het bestuur der kleinste provincie 't zelfde recht van examineering en afvaardiging toekent als aan dat der grootste provincie. De vraag is : heeft zij van ouds, evenals de verschillende provinciën, een eigen Synode gehad ? Wat weleer de Provinciale en Waalsche Synoden waren, dat zijn thans de Prov. Kerkbesturen en Waalsche Commissie, en in de plaats der Generale of Nationale Synode is de Algemeene Synode getreden. Daarom mag de wetgever niet in de eerste plaats te rade gaan met het zielental, maar heeft hij vooral te vragen naar het bestaande recht. De Waalsche gemeenten tot een classicaal ressort te maken zou niet anders zijn dan haar van een recht berooven. Wil men dan aan dat Classicaal Bestuur het jus examinandi toekennen, dan is dat met 't wezen en het samenstel onzer wetgeving onbestaanbaar.
De Classicale Besturen examineeren alleen de godsdienstonderwijizers ; de Prov. Kerkbesturen alleen de toekomstige Evangeliedienaren, maar een Classicaal Bestuur, dat examens voor het candidaatschap tot den H. Dienst afneemt, kent onze wetgeving niet. Bovendien wordt gewezen op de groote mannen als Guido de Bres, Saurin en anderen, die van zoo groote beteekenis voor onze Kerk zijn geweest.
De conclusies van het rapport luiden aldus :
Ie. af te wijzen de voorstellen om de Waalsche gemeenten gelijk te stellen met die Presbyteriaansch-Engelsche en de Schotsche gemeenten en ze te doen behooren tot de kerkelijike ressorten der Nederduitsche gemeente in de stad waar zij gevestigd zijn.
2e. De meerderheid stelt u voor, 't zij om principiëele, 't zij om practische redenen geen verandering te brengen in art. 34 van het Algemeen Reglement.
3e. Een lid stelt u voor, art. 34 van het Algemeen Reglement en de daarmede verband houdende artikelen te wijzigen in dien zin, dat de Waalsche gemeenten een classicaal ressort vormen, dat de Waalsche Commissie uitsluitend een Classicaal Bestuur is met het recht van proponentsexamen en colloquium doctum af te nemen.
Prof. Van Nes zegt, dat de Waalsche gemeenten een al te groote macht hebben. Hij voelt meer voor eene classis. Daarom had hij gaarne gezien, dat de groote Synode was gekomen. Nu deze niet gekomen is, wil hij den toestand zoo laten, als hij is. Hij had het liefst, dat de Walen zélf een voorstel deden tot verandering, maar nu dat niet geschiedt, wil hij geen verandering.
Prof. Brouwer wil spreken over het contract. Is dat contract er, dan moet men zich daaraan houden. Maar dat is niet het geval in 1577 twee Synoden, maar toen waren Zuid-, en Noord-Nederland nog vereenigd. In Noord-Nederland een gering aantal Walen. Eerst toen Antwerpen viel, een uittocht van de Walen naar Noord-Nederland. De Walen zouden misschien zijn verdwenen als zij niet versterkt waren door de Refugié's. De Walen hebben tegenwoordig te groote plaats in het bestuur der Kerk. Hij zou eene overgangsbepaling willen maken, n.l. dat zij één lid naar de Synode afvaardigen. Hij wil ze maken tot een classicaal ressort. Dat dan het Classicaal Bestuur examineert, acht hij geen bezwaar, want vroeger examineerden ook de Classicale Vergaderingen. De heer Van der Flier, secretaris a.i., adviseert ook om het voorstel tot wijziging van de positie der Walen af te wijzen.
De vice-president wil ze ook tot een classis vereenigen.
Dr. Schokking sluit zich daarbij aan. De heer Van Zwet verklaart, dat de zaak voor hem moeilijk is. Hij voelt veel voor een classis, maar aan den anderen kant voelt hij ook veel voor de historische rechten. Het woord van prof. Van Nes brengt hem er toe een motie voor te stellen : De Synode noodigt de Waalsche Commissie uit, het volgende jaar tijdig met een voorstel te komen, waarin de verhouding, die thans bestaat tusschen de Waalsche en de Nederduitsche gemeenten van de Ned. Herv. Kerk, gewijzigd wordt in dezen zin, dat haar invloed op den gang van zaken der Kerk niet zoo groot blijft, als deeze thans is.
De heer Bongers wijst er op, dat het een bevrediging in de Kerk zou geven, als de Walen tot een classis werden.
Daarop worden de conclusies aan de orde gesteld. De eerste conclusie wordt met algemeene stemmen aangenomen.
De tweede conclusie, die der meerderheid, wordt aangenomen met 14 tegen 5 stemmen.
Daarna komt de motie van den heer Van Zwet in stemming. Zij wordt verworpen met 11 tegen 8 stemmen.
De Walen kunnen dus tevreden zijn. Hoewel ieder er van overtuigd is dat zij een te groote plaats innemen in ons kerkelijk bestuur, zwegen die vrijzinnige leden der Synode allen (en dr. Niemeyer kan nog wel zoo „schitterend" spreken, zegt men) en de groote meerderheid van de Synode liet alles rustig zooals het is !
Wij zouden wel eens willen weten, wat de vrijzinnigen zouden zeggen en doen als het niet eens de (vrijzinnige) Walen gold, maar b.v. Confessioneelen of Gereformeerde Bonders. Wat zou de lucht weergalmen van schitterende redevoeringen en wat zou de stemming vernietigend zijn.
Toch is wat werd gezegd, ook door de hoogleeraren, niet van beteekenis ontbloot. Wie weet wat de toekomst nog eens brengt. Zou de Waalsche Commissie misschien zelf nu wat doen?
't Is toch wel heel duidelijk gezegd nu, dat zij op een te hooge plaats zit. Is er niet een geschiedenis in den Bijbel, die wat zegt voor menschen, die te ver opgeschoven zijn en een te hooge plaats hebben ingenomen ?

Sprekende cijfers in betrekking tot „geloof en ongeloof in Nederland".
Als overdruk uit den „Socialistischen Gids" is bij de Boekh. en Uitg. Maatsch. „Ontwikkeling" te Amsterdam verschenen een brochure onder den hierboven staanden titel, van de hand van prof. mr. W. A. Bonger. De inhoud is een statistische studie op grond van de cijfers der laatste volkstelling.
Aan het slot komt schrijver tot de volgende conclusies :
„Het meest opvallende feit, dat uit de gegevens der laatste volkstelling op te maken valt is de toeneming der „niet tot een Kerkgenootschap" behoorenden, in overgroote mate derhalve der ongeloovigen. In absoluten zin gaat het met deze toeneming nog steeds crescendo, in de eerste twee 10-jarige perioden (1879— 1889, 1889—1899) met ongeveer 5000 per jaar, in de daaraanvolgende (1899— 1909) met ruim 17, 000 per jaar en in de laatste 11 jaar met meer dan 22.000 per jaar.
Deze toeneming is uit twee factoren ontstaan.
In de eerste plaats doordat volwassenen, in religieuze spheer opgegroeid, met den godsdienst breken en het leger der ongeloovigen gaan versterken. Wij veroorloven ons hier alleen op te merken, dat degenen, die op grond van een onmiskenbaar réveil in bepaalde kringen, tot optimistische conclusies over de naastbije toekomst der religie in het algemeen komen, goed zullen doen de betreffende cijfers nog eens aandachtig te bezien en zich af te vragen of het waarschijnlijk is, dat een zóó constant verschijnsel als de sterke toeneming der ongeloovigen, — dat nog wel in een periode, die om allerlei redenen uitermate gunstig voor opbloei van den godsdienst was — weer spoedig tot het verleden zal behooren.
In de tweede plaats ligt deze toeneming op zuiver demographisch terrein, n.l. geboorte en sterfte. Immers de traditie, eens geheel aan die zijde van de religie staande, begint steeds meer ook aan de andere zijde haar gewicht in de schaal te leggen. Daarover ten slotte nog een enkele opmerking.
Wanneer men de cijfers beziet van de O—9-jarigen, dus van den menschenvoorraad, waaruit in de toekomst de Kerkgenootschappen hun kracht moeten putten, dan blijkt hoe exceptioneel — het woord is niet te sterk •— slecht de overgroote meerderheid der Kerkgenootschappen er in de toekomst voor komt te staan. Niet alleen zijn de percentages voor de jongste leeftijdsgroep in de afgeloopen periode bij hen gedaald, meestal sterk, doch zij zijn bijna alle een eind beneden haar algemeen percentage komen te liggen. Om slechts één voorbeeld te noemen : de Nederl. Israëlieten vormden in 1920 1.54% der bevolking in het algemeen, doch onder de jeugdigen (O—9) slechts 1.1%, dat is 24% minder !
Aan de andere zijde staan de ouden van dagen. Eén blik op de desbetreffende cijfers doet zien hoezeer de meeste Kerkgenootschappen op deze categorie steunen, een steun, dien zij door 't snelle afsterven dezer groepen steeds meer zullen. moeten missen. Om ook weer één voorbeeld te noemen : de Hervormden vormen ± 41 % der bevolking in het algemeen, doch ± 48.5% der 80-jarigen, dat is ongeveer 20% meer !
De uitzonderingen op het bovenstaand vermelde, vormen de leden der Gerefor­meerde Kerken en de Roomsch Katho­lieken. Over deze laatsten, bij wie de uitzondering zich het sterkst vertoont, nog een enkele opmerking ten slotte. Hun percentage is onder de jongste leeftijdsgroep gestegen, en, wat meer zegt, een eind boven het algemeene cijfer, 38 tegenover 35.5 gelegen. Aan de andere zijde vertoonen de Roomsch Katholieken bij de hoogste leeftijdsgroepen vrij lage cijfers. De toekomst is in dit opzicht  voor de Roomsch Katholieken gunstig. Daartegenover is bij hen te constateeren : Ie. een laag huwelijkscijfer ; 2e. veel gemengde huwelijken en 3e. een hoog sterftecijfer. Een hoog geboortecijfer moet bij hen derhalve veel goed maken. De verwoede vijandschap der R.K. Kerk tegen de geboortebeperking, laat zich begrijpen. De strijd hiertegen is door haar tot voor kort met afdoend succes gevoerd. Hoewel de cijfers der geboorten voor de verschillende Kerkgenootschappen in geheel Nederland niet bekend zijn, is uit de cijfers der voor 't overgroote deel Katholieke zuidelijke provincies echter hieromtrent wel een conclusie te trekken. De geboortebeperking begint zich ook daar te vertoonen. Zet zich dit verschijnsel door — andere Katholieke landen doen vermoeden dat dit het geval zal zijn — dan komen er moeilijke tijden voor de R, K. Kerk. Immers op een bepaald oogenblik zal de geboortebeperking bij de nietKatholieken tot staan zijn gekomen, in ieder geval niet meer sterk toenemen, en zal die der Katholieken nog crescendo gaan, al zal deze dan ook wel bij hen niet even groote afmetingen aannemen als bij de anderen. Dat dit oogenblik reeds zeer nabij is, is onwaarschijnlijk. De cijfers voor Amsterdam — de eenige bekende — maken waarschijnlijk dat het tijdstip van den omslag echter niet meer zóó ver afligt, als sommigen wel denken."
Wij hebben hier en daar een woord en een zin onderstreept. Zijn het geen sprekende cijfers, die ons heel ernstige dingen te zeggen hebben ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's