Uit de Pers.
De Koningin in Arnemuiden.
In eén „Particuliere correspondentie" over het bezoek van H.M. de Koningin aan Zeeland, in de „N.R. Ct." (11 Aug. Av.bl.) trof ons het volgend gevoelvol verhaal van H.M.'s bezoek aan Arnemuiden en de door den storm van onlangs in rouw gedompelde visschersfamiliën aldaar. Dat bezoek was voor den correspondent „'t hoogtepunt" van dit Koninklijk bezoek aan deze schoone provincie met hare aan het Huis van Oranje gehechte en trouwe bewoners.
'k Vertrouw — aldus Prof. Lindeboom van Kampen in „de Wachter" — den lezers van dit blad geen ondienst te doen met dit brokje geschiedenis van den dag ook hun onder de oogen te brengen ; een heerlijk brokje geschiedenis uit het leven en werken van Hare Majesteit Wilhelmina, Koningin der Nederlanden, die ook hier, en dat na zoo vele grootsche betoogingen te Harer eere in onderscheiden plaatsen van Zeeland, zich betoonde, ja, inderdaad een „Moeder des Vaderlands." Die met Haar volk mee jubelen kan, maar inzonderheid door deelneming in leed en smart, ook van de geringen des volks in stad en dorp, een ruimheid en warmte van hart openbaart, die met de eenvoudige wijze van optreden een navolgingswaardig voorbeeld geeft aan hoog en laag geplaatsten. Zullen niet alle ware vaderlanders van dit Koninklijk bezoek in Arnemuiden kennis nemen met versterkte hoogachting voor de Koningin? En menigeen ook met beschaming ?
Het artikel: „Het hoogtepunt" luidt: „Het (hoogtepunt) ligt tusschen kwart over acht en negen uur op Vrijdagavond, na het vertrek uit Vlissingen en bij aankomst te Arnemuiden, waar het eenvoudig bezoek zou plaats hebben, waarvan weinigen wisten "en nog minder velen getuige zouden zijn.
Ook te Vlissingen had de Koningin betrekkingen van omgekomen visschers bezocht, maar dit rouwbezoek werd door de visschersbevolking gevoeld als een Koninklijk meevoelen met Arnemuiden ; want, wat in Vlissingen vischt, is immigrant uit Arnemuiden, en in dit dorp ligt de geschiedenis, klopt het hart van het visschersvolk van Walcheren. De Vlissingsche visscher heeft de taal, de gebaren, den gang, de Meeding, de beeldspraak, de scheldnamen uit het oude stadje aan de Arne ; en niet weinigen denken met heimwee terug aan 't plekje grond, dat slechts eenige uren verwijderd ligt van de min of meer moderne industriestad, die zij thans bewonen.
En in dit hart van het zwaar getroffen visschersvolk van Zeeland's schoonste eiland zou de Koninklijke trein circa kwart over aoht arriveren. Alle visschers waren thuis en stonden star en stil met hun vrouwen en talrijk kroost voor hun woningen. Wat aan vlaggen in het dorp aanwezig is (vele en groote zijn dat er niet) was uitgestoken ; een sobere oranje-versiering was aangebracht op beuken, truien, de ronde hoeden der visschers en de petjes der jongens, die overigens van hun derde of vierde jaar af dezelfde kleeding dragen als de mannen. Moeders instrueeren met eerbiedigstille stem hun jongens over het afnemen der petjes, die nooit van de hoofden komen, dan om te bidden of om te gaan slapen. Een visscher neemt zijn hoofddeksel niet af ! Hij groet met de stem in een rijkdom van toonaarden en met een gebaar van zijn forsche rechterhand, die soms dicht naderen kan bij pet of hoed. Verder niets ! Maar de gewone maatstaven zijn hier weggevallen. Thans staat de Koningin op het punt binnen te rijden voor een rouwbezoek. En de jongetjes worden voorbereid op het groote moment van 't afnemen van hun petjes.
Zal Zij rijden in auto of open rijtuig ? en hoe zal dat alles zijn: de kleeding, het groeten, het bewegen, het heele gedragen van dat zoo bijzondere, hoog te vereeren Koninklijke, dat onmiddellijk zijn intree zal doen in het dorp ?
En eenige minuten nadat de trein is voorgereden, terwijl mannen en vrouwen mij nog op gedempten toon staan te vertellen over de laatste worsteling van verdronkenen ; over het afscheid, dat de opvarenden van één der scheepjes reeds van elkander genomen hadden, nadat de kop van het roer was weggeslagen en zij allen samen waren neergehurkt in 't stuurlooze vaartuig, dat reddeloos aan den hevigen wind en de golven scheen prijsgegeven, tot, als een wonder, toch nog redding kwam ; over het rauwe leven der zee, dat velen van deze kerels met hun harten van goud uiterlijk verruwt ; over het verraderlijke van de zee, die 's morgens bij het uitvaren vredig kan zijn als een spiegel en in enkele minuten het verderfelijke, ontembare element, dat niet meer te ontvluchten is gaat plotseling een beweging door de rij de hoofden worden ontbloot en ginds aan het eind van de straat verschijnt wandelend, naast den Commissaris der Koningin, over de hobbelige keien, gekleed, zooals iedere vrouw gekleed zou kunnen gaan, rustig groetend met stillen ernst tusschen de rijen der doodstille visschersmenschen, de eerste vrouw van Nederland : Koningin Wilhelmina. Zij gaat de straat af tot aan 't huis waar de eenige geredde van één der scheepjes met versplinterd been te bed ligt. Rustig, zooals een zeer goede kennis een huis bezoekt, waar hij veel lijden weet, treedt Zij over de vervelooze houten stoep het huis binnen.
Zij blijft er eenige minuten, die heel lang schijnen en gaat dan op dezelfde rustige wijze tusschen de rijen der zwijgende menschen door de huizen bezoeken van de gezinnen der omgekomenen.
Ik ken Zeeland en zijn volk. Ik ken ook Arnemuiden en zijn bevolking, maar zooals nu heb ik het nooit gezien. De vrouwen, aangedaan en met tranen in de oogen, staren elkaar met stomme verbazing aan : Dat is het nooit gedroomde : De Koningin, wandelend op deze keien, zoekend naar een huisdeur, met dezen ernst, met dezen eenvoud. Een oude visscher met verweerd gezicht, gebogen neus, sterke oogen, harde mondhoeken staat vol eerbied met de oude versleten muts in beide handen voor 't lijf, te kijken naar deze loopende vrouw, die in elken trek van haar gelaat verraadt, dat zij dit volk, in dit nest van watergeuzen, met zijn grove leed begrijpt en lief heeft. Dit slaat hem, hier biedt geen vezel in zijn stugge, stoere, vrijheidsbegeerige wezen weerstand. Deze eenvoud ! En overal steken groepjes de hoofden bijeen en spreken op gedempten toon over de eer voor 't dorp, en dat het toch geen kleinigheid is zoo'n mensch in je eenvoudige visschershuis met je visschersmanieren en je visschers taal te moeten ontvangen. Maar 't is toch ook weer te overkomen, want telkens en telkens weer gaat het over dien eenvoud, dien Koninklijken eenvoud.
Na afloop van de bezoeken wandelde de Koningin weer op diezelfde wijze naar het station. Schuchter klonk een : „dat 's Heeren zegen op U daal", onder het voorbijgaan, terwijl zij heel even langzaam stil hield ; de trein werd opgezocht ; hij zette zich in beweging onder een flauw hoera van jongens op hekken, in boomen en palen en wuivend verdween Koningin Wilhelmina. En weer keken de verzamelde mannen en vrouwen elkaar aan, stom verbaasd over dezen eenvoud, en wanneer zij met hun breinen, die nooit formuleeren, een naam hadden moeten vinden, dan zou 't slechts een omzetting zijn geworden van dien van den grooten Zwijger : Moeder des Vaderlands.
Met allen eerbied voor alles en ieder houd ik vol, dat dit het hoogtepunt was. Zelfs de indrukwekkende betooging in November 1918 op 't Malieveld trof mij minder dan dit, al zijn natuurlijk overigens deze momenten overgelijkelijk.
Op de straten, voor de deuren en langzamerhand in de huizen gingen de gesprekken voort. Een gastvrij visscher met sterken kop, klare stem en het beeldend vermogen in zijn verteltrant, waar in zeelieden van allerlei soort zoo sterk plegen te zijn, vertelde mij van de gevaren van zijn beroep, van de onrust der vrouwen in noodweer, van de onder ruwheid verborgen vrees, die na zoo 'n ramp toch wel leeft in de mannen. In het donker vervaagde langzamerhand zijn mooi-gelijnde kop, en aan het eind van zijn verhaal klonk zijn sterke stem : „Ja, op den duur word je door dat leven allemaal rauwe, onbezonnen kerels, maar wat een eenvoud hé, wat een eenvoud voor zoo'n mensch !"
Onder de menschen, die ik sprak, was deze ééne stemming van groote dankbaarheid voor al de blijken, dat de groote wereld, de wereld van hooge, beschaafde, verfijnde en zoo ver af lijkende menschen, den ruwen, plompen zeeman niet vergeet, ook niet in zijn ellende ; en vooral van dankbaarheid voor dit bezoek, op deze wijze, van onze Koningin. En zij hadden maar één vage vrees, dat deze dankbaarheid, die zij zelf niet uiten kunnen, niet zou begrepen worden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's