De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing

6 minuten leestijd

1 Timotheus.26 Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewin-zoeker ; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. 1 Tim. 3 vers 3.

Bescheiden, geen vechter. Een ambtsdrager heeft een hooge plaats van God ontvangen. Laat ons daarvan goed overtuigd zijn. Het ambt in de Kerk van Jezus Christus is de voortzetting van het apostolaat. Zeker, de apostelen waren, in den weg der middelen, de grondleggers van de Kerk van het Nieuwe Verbond. Maar wij weten uit de Schrift dat zoodra de apostelen op verschillende plaatsen gemeenten hadden gesticht, zij daar ambten instelden. Er is dus een groot verschil tusschen de buitengewone ambten van de apostelen en de gewone ambten van ouderlingen en diakenen. Deze laatsten kwamen onder de apostolische leiding uit de Kerk zelf op. Maar met dit al zijn toch de ambtsdragers de voortzetters van de apostelen. Een hooge plaats is aan de opzieners door God gegeven.
Ieder ambtsdrager nu, die zich hierop Iaat voorstaan, mist de noodige bescheidenheid. Hij moet het wel voor het aangezicht van God weten welk eene veel-omvattende roeping hij heeft, maar daarom moet hij het niet altijd aan de menschen toonen. Als bij het goed weet voor het oog des Heeren, zal hij tegelijkertijd in den geest neerknielen en belijden dat hij onwaardig is het geringste werk voor Christus te doen. Dan zal hij ook zijn plaats wel weten tegenover de menschen. Het móét natuurlijk afstooten als een opziener wel van den Christus spreekt maar zoo bitter weinig in zijn wandel daarvan toont. De Heiland heeft toch gezegd : leert van mij, dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart. Maar dan is het in strijd met de levenswet van Christus als een predikant in alles de eerste wil zijn, als hij niet verdragen kan dat zijn collega meer „toeloop" heeft dan hij, als hij inplaats van leider een heerscher is in de Kerkeraadsvergaderingen, als hij, wanneer iemand een aanmerkingheeft op zijn preek, onmiddellijk zich verontwaardigd toont, alsof hij wilde zeggen : ik ben de dominé en ik zal het weten. Bescheiden is anders. Wij zouden tot hem zeggen willen : gij hebt een verheven ambt, het is in het geheel niet noodig u te verheffen. Al zouden weinig menschen naar u omzien en prijzen, wat zou dit hinderen ? Niet dien de menschen prijzen, maar dien de Heere prijst, is beproefd.
En het heeft God behaagd een zondig mensch in het ambt te verheffen. Wat wilt ge nog meer ? Een ambtsdrager moet bescheiden zijn. In heel zijn optreden. Een ouderling moet geen dominé willen zijn. Wij hebben in onze Kerk geen z.g.n. „leerende ouderlingen". Ik geloof, dat wij daarvoor de deur ook niet open moeten zetten. Gij zoudt eens zien hoe menigeen er op belust werd daar ook op die hooge plaats te mogen staan. Maar voor een grondige, degelijke bediening van het Woord is het minder gewenscht. Men kan het opmerken in onze dagen dat zulke zichzelf opwerpende dominé's hun kracht zoeken in het verdacht maken van andere predikers, terwijl wat zij van de geestelijke dingen zeggen door hen eindeloos herhaald wordt. Zij weten niet meer. En elke frischheid van gedachten missen zij. Het zijn holle vaten, die wel vaak het meeste rumoer maken. Zij mogen ook niet zoo onbescheiden zijn ! Er blijft op het breede terrein van het aardsche leven nog genoeg ruimte over om te getuigen van wat de H. Schrift ons leert en van hetgeen de Heere aan onze ziel deed. Daarvoor behoeft men nog niet op den kansel te staan. Een meer bescheiden plaats doet aan de zaak des Heeren vaak meer nut. 'k Ben maar blij, dat er in onze Kerk geen „Ieerende ouderlingen" zijn. Soms nemen ouderlingen elke gelegenheid te baat om eenigszins op te klimmen naar die hooge plaats. Ik weet van een jongen predikant. Hij moest voor eene andere gemeente optreden. Voor hij naar den kansel ging, zou een der ouderlingen hem opdragen in het gebed. De ouderling zette zich met den rug tegen den muur en deed het gebed. Het duurde echter pijnigend lang. Heel de leer der zaligheid werd er in ontwikkeld. Ondertusschen had de voorlezer in de kerk zijn werk haast al gedaan, Eindelijk was de ouderling klaar met de uiteenzetting van de Waarheid. Voor den leeraar was niet gebeden, dan alleen met een slotzinnetje : mocht Gij dat hem ook zoo te verstaan geven. Amen. De ouderling was als leeraar van den leeraar opgetreden en had daarvoor het heilige gebed gebruikt. Het zachtste woord dat hiervoor geldt, is onbescheiden. Niets stoot zoo af als onbescheidenheid in de geestelijke dingen. Een opziener moet bescheiden zijn.
Ook geen vechter. Dit gaat vaak met onbescheidenheid saam. Daarom noemt de apostel deze dingen achter elkaar. „Indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen", schrijft hij elders. Er zijn onder de menschen van die strijdlustige naturen, die schijnen op te leven in krakeel en strijd. Zulke menschen moeten geen dominé, geen ambtsdrager zijn. Zij zijn voor de gemeente die zij dienen, tot groot nadeel. Zij jagen veel stof op, maar zij stichten niet. Vaak noodeloos zetten zij veel menschen op tegen elkander. En heeft zulk een strijdlustige dominé, zoo'n vechter, de gemeente verlaten om elders opnieuw te beginnen, dan komen de gemoederen weer tot rust en dan zeggen de menschen soms met spijt: wat hebben wij ons op laten winden !..., Zeker, waar leven is, is ook strijd. Als het Woord recht gepredikt wordt, bindt dat gepredikte Woord den strijid aan tegen alles wat den Naam des Heeren onteert. Een christen is een strijder. Hij moet de volle wapenrusting Gods dragen. Wakker moet hij zijn, zooals Paulus reeds aan Timotheus geschreven heeft. Maar dat wil niet zeggen, dat de strijd gezocht moet worden. Het mag niet om 't strijden te doen zijn. Alleen om den vrede moet het gaan ! De apostel bedoelt, dat een opziener niet kijfachtig moet zijn. Een zachte tong keert de grimmigheid af. Maar een tong die altijd scherp geslepen is, brengt veel ellende aan. Laat een ander het maar eens winnen met zijn woorden ! Daarom hééft hij het nog niet gewonnen. Als een ambtsdrager veel den gebedsstrijd beoefenen mag, zal hij wel den goeden strijd des geloofs strijden, maar hij zal geen vechter zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's