De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Lieve heeren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde. Handelingen 16 vers 30b.

De Levensvraag.
Van nature vraagt de mensch naar vele dingen. De een naar pleizieren meer stil, de ander naar pleizieren meer luidruchtlg. Ieder
naar zijn aard en naar zijn smaak. De mensch vraagt naar alles, behalve naar God en Zijn Christus, tenzij de Heere het hart bewerkt door Zijn Woord en Geest.
Onder de bearbeiding van den levenden God komt er concentratie in het leven. Dan gaat het niet langer om het vele. Dan is maar één ding noodig. Dan wordt het als bij den psalmist ; „Eén ding heb ik van den Heere begeerd en dat zal ik zoeken." Dan geldt het getuigenis van den Heiland, dat Hij aflegde omtrent Maria : „Eén ding is noodig en Maria heeft het goede deel verkoren." Dat geeft een nederig zitten aan de voeten van den Heiland en die gezetheid des gemoeds op onderwijs van boven, om door Hem geleid en geleefd te worden.
Maar eer het zoover is !
Eer de mensch zich uit de verstrooidheid des levens terugtrekt, eer hij komt met de levensvraag : „Wat moet ik doen om zalig te worden? " Daarvoor is heel wat arbeid van goddelijke liefde van noode. Dat zien we bij den stokbewaarder.
Paulus en Silas zijn te Philippi gekomen. Maar wie ze naloopt om naar hun prediking te luisteren, de stokbewaarder niet. En toch, op hem heeft de goddelijke genade het gemunt. De Heere heeft den boog Zijner almachtige genade gespannen en aangelegd op dien oud-gediende, dien vroegeren Romeinschen soldaat, den overste-gevangenbewaarder. Die is het mikpunt.
Zal hij in aanraking komen met de dienstknechten Gods, des Allerhoogsten, die den weg der zaligheid verkondigen, dan zullen ze zich in het hol van dien leeuw moeten begeven om hem te doen opstaan.
De Heere zorgt er voor, dat ze onder één dak met hem komen. De beide Godsgezanten worden gevangen genomen, gegeeseld, in den binnensten kerker opgesloten en met de voeten in den stok geklemd.
Daar liggen ze met den gegeeselden rug en half uit het gewricht gewrongen heupen op den naakten vloer.
Is dat nu Gods weg ? De Heere doet elk van Zijn kinderen ieder op zijn beurt opsluiten in den stok.
De één is gebonden aan zijn ziekekamer of ligstoel. Zijn levenskracht is geknot. Reeds bij zijn leven wordt hij in de drukke wereld als een doode vergeten. Een ander bindt een heftig lijden voor weken en maanden op het smartebed. De zorgen en moeiten des levens slaan een derde in de ketenen. Hoevele van Gods kinderen zuchten niet in den binnensten kerker !
De Heere kan het echter in iedere omstandigheid goed maken met zichzelf. Het kan, in den binnensten kerker met een bonzend hoofd en toch gedachten als psalmen. Het kan t
De smart dooradert elk menschenleven. Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde, zegt Jacobus.
De medegevangenen hebben dat gehoord. Als er gevangenen werden binnengebracht, dan hebben zij ze gewoonlijk hooren jammeren en kermen ; ze hebben ze zien rukken aan de ketenen, bonzen tegen de gesloten deur ; ze hebben ze hooren vloeken en lasteren ; ze hebben er sprakeloos zien neerhurken in een hoek van den kerker. En nu, dat hebben ze nog niet bijgewoond ! Wie zal zeggen, voor wie hunner dat niet tot een eeuwigen zegen is geweest ? Nu hooren ze medegevangenen bidden en dat bidden wordt een zingen.
De nacht is nog even donker. Ja, het was het donkerst van den nacht. Immers het was middernacht. De banden waren niet losser gemaakt. De ketenen niet afgevallen. De smarten van het schrijnen der wonden niet minder.
Maar de vrede met God die alle verstand te boven gaat, vervulde hunne harten.
Ze zongen geen klaagzangen, maar lofpsalmen. Op de bevende lippen, die begonnen met het gebed, werd een lofzang geboren. Paulus en Silas hebben alles vergeten. Ze hebben den kerker vergeten en het nachtelijk donker uit 't oog verloren, het knellen van den stok niet gevoeld ; alles viel weg en de zaligheid in den Heere bleef over.
Maar het ging den Heere om den stokbewaarder. En die slaapt door alles heen. De medegevangenen mogen toeluisteren met ingehouden adem, hij ligt te ronken. Luider zal er gebeden moeten worden, harder zal er moeten worden gezongen, wil hij 't hooren en wakker worden. Neen, Paulus en Silas kunnen dien ouden leeuw uit zijn leger niet doen opstaan. Ja, al had hij het gehoord, hij is er de man niet naar om zich iets te bekommeren om bidden en om zingen. Als hij het gehoord had, zou hij stilte bevolen hebben in de cellen.
Maar nu maakte de Heere zich op. Er geschiedt snellijk een groote aardbeving. De deuren springen uit het slot. De grendels en afsluitboomen verbreken.
En er zit een wonder achter die aardbeving. De muren bleven staan, doch de deuren vlogen uit het slot. De ketenen, aan de wanden geklonken, werden daar van los. Nu vliegt de stokbewaarder op van zijn leger. Ach, als de Heere aan ons levenshuis schudt, wordt de hardst slapende nog gewekt. Dat zien we ook hier.
Met de woede stijgt de wanhoop op in het hart van dezen gevangenbewaarder. Met zijn leven is hij borg voor zijn gevangenen. Wat er nu gebeurd is, dat is zijn ondergang ; erger dan dat : dat is eerloosheid. Dat is niet te harden. Hij grijpt naar het zwaard. Eén stoot, en.,
Maar daar klinkt een stem in het donker van den nacht van een zijde, waarvan hij het allerminst had verwacht; uit den mond van hen, die hij zoo streng had behandeld nog den vorigen avond, strenger dan hem bevolen was.
Paulus heeft gesproken : „Doe u zelf geen kwaad, want wij zijn allen hier."
De hand aan eigen leven slaan, dat is voor velen een sprong in het duister ; maar die sprong zal niet brengen uit 't lijden, maar voor den rechterstoel des Heeren.
Om aan de steken van muskieten of bijen te ontkomen, van de tijdelijke moeiten en zorgen, wagen ze dien sprong, maar die brengt ze in den kuil van Bengaalsche tijgers.
Wat hebben we toch met een machtigen en alleenwijzen God te doen !
Die stokbewaarder kan door niemand bewogen worden. De Heere heeft echter tot Zijn beschikking het middel, dat hem geheel uit het evenwicht zal brengen. De Heere schudt den grond onder zijn voeten, ontsluit de gevangenisdeuren en maakt hun ketenen los.
Zoo schudt de Heere nog wel aan menig levenshuis. De gewone middelen deden niet opstaan van het zondebed. Het bidden en lofzingen, ze waren er doof voor.
Maar toen kwamen de aardbevingen des Almachtigen in uw leven. Daarin komt maar één roepstem: "Ontwaakt gij die slaapt!"
Wat heeft de Heere dien stokbewaarder uit vrije zondaarsliefde lief ! Voor hem heeft Hij Zijn discipelen, Paulus en Silas, laten geeselen, om hem uit het gevangenhuis der zonde uit te halen, laat Hij deze gezanten er in opsluiten.
Dat kunnen we niet vatten! Maar veel minder nog kunnen we vatten, niet, dat de Heere deze Zijn knechten het geeselen, maar, dat Hij Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, Hem heeft laten binden, opdat door diens striemen genezing zou ontvangen woorden.
Daar staan ze, die twee in het rosse fakkellicht. Ze worden door niets langer gevangen gehouden. De deuren staan wagenwijd open. De ketenen zijn kletterend aan hun voeten gevallen. Allen echter worden op hun plaats gehouden door hen, van wie de dienstmaagd 't had uitgeroepen, dat ze dienstknechten waren des Allerhoogsten.
Ja, dat moeten ze zijn. De fakkel trilt in de bevende hand van den stokbewaarder. Maar nog meer dan zijn hand beeft hem het bonzende hart.
Dat onbewogen, stugge soldaten-hart wordt nu gebroken.
Van den bodem van dat felbewogen hart scheurt zich los de vraag : „Lieve heeren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? "
Is het bij ons al tot deze vraag gekomen ?
Velen vragen : wat moet ik doen, om vooruit te komen ? Wat moet ik doen om van dit leven te halen, wat er van te halen is ?
Maar als de Heere aan ons levenshuis schudt, als Hij ons aan onzen rampzaligen staat ontdekt, zooals die van nature is, dan wordt dit het één en het al, de alles beheerschende levensvraag : „Wat moet ik doen om zalig te worden ? "
Zaligheid, — dat is vrede met God en ons lot. Zaligheid, — dat is de ervaring van verzoening te midden van schuld, van vergeving te midden van zonde en overtreding. Zaligheid, — dat is de hope des eeuwigen levens en het uitzicht op de stad met paarlen poorten.
Wat een verandering bij dien stokbewaarder !
Nog maar enkele uren geleden heeft hij de geeselroede gehanteerd en heeft hij die striemend op de ontbloote ruggen doen neerkomen. Nog den vorigen avond heeft hij ze de voeten gesloten in den stok, zoodat ze de pijnlijke ledematen niet roeren noch bewegen bonden. Toen waren ze hem voorwerpen van haat. En diezelfde menschen noemt hij nu : „lieve heeren".
Neen, de belijdenis, „ik geloof de gemeenschap der heiligen" is geen ijdele klank. Uw volk is mijn volk. Deze erkenning is één der eerste vruchten des geloofs. Paulus en Silas zijn den stokbewaarder nu dierbaar.
Met tranen in de oogen wascht en zalft hij ze straks de geslagen wonden. Dat hij die menschen heeft kunnen geeselen ! Dat hij ze zoo heeft kunnen slaan!
De zachtste hand van de vaardigste verpleegster of van de teerste moeder had die geslagen ruggen niet liefdevolIer kunnen behandelen dan die stokbewaarder.
Op die vraag van het bewogen hart is het afdoende antwoord niet uitgebleven. Christus in Zijn algenoegzaamheid is dien stokbewaarder gepredikt en het geloof als het eenige middel om Christus en al Zijne weldaden deelachtig te worden.
En die prediking is geheiligd aan zijn hart.
En die prediking droeg vrucht in zijn leven.
Neen, de prediking dat het niet aan ons doen hangt, maar alleen aan het volbrachte werk van Christus, maakt geen goddelooze en
zorgelooze menschen. Dat zien we aan het gedrag van den stokbewaarder tegenover Paulus en Silas.
Hij onthaalt ze op alles, wat zijn huis en zijn hof opbracht!
Genade is geen dood ding, maar een levenskracht.
De Heere heeft een volk, ijverig in goede werken, welke in Christus voorbereid zijn, opdat zij daarin wandelen.
Dat aanrichten van de tafel, dat wasschen van die geslagen ruggen, dat onthalen in zijn huis, — zie, dat geschiedt op meer dan éene wijze.
En nergens ootmoediger, dan waar we ons wegschamen voor wat wij deden en doen. Die stokbewaarder heeft het uitgekermd, dat hij de dienstknechten des Allerhoogsten heeft geslagen en gegeeseld. Doch wij hebben ons niet alleen maar vergrepen aan de dienstknechten Gods, maar aan Gods eigen lieven Zoon.
Bij Geesteslicht wordt het gezien, dat wij het waren, die de geeselroede hebben gezwaaid, dat wij het waren, die Hem den rug hebben geploegd, van wien we lezen : Toen geeselde hij Hem.
Is er voor zulk een nog raad ? Voor zulken, die zoo bestaan? Daar wordt de vraag gedaan : „Is er nog eenig middel om tot genade te komen? Maar daar ook komt over de ontroerde wateren der zielsellende van het verslagen hart het antwoord, dat alles meebrengt: „Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden."

's Gr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's