Uit het kerkelijk leven.
De beslissing inzake de Waalsche Gemeenten.
Wij zijn maar zeer slecht te spreken over de beslissing van de Synode van 1924 inzake de Waalsdae Gemeenten. Hier wordt een onrecht bestendigd, met allerlei drogredenen goedgepraat, wat méér dan ergerlijk is. Ons dunkt, die zaak moet dan ook zoo niet blijven zitten. En hoe meer historisch materiaal er aangebracht wordt en hoe breeder straks de zaak wordt opgezet, hoe beter. Daarbij moet blijken, dat er, bij de door velen gewenschte verandering, aan de Walen geen onrecht wordt aangedaan ; en dat er, wanneer het blijft zooals het is, door Nederduitsch Hervormden aan hun eigen Kerk opzettelijk wordt tekort gedaan ! Waarbij de Vrijzinnig Hervormden onder den schijn van naastenliefde uitblinken als groote egoïsten, die onder een vloed van schoon schijnende liefde-woorden den geheelen tijd aan zichzelf denken en aan partijbelangen. Dat gaat lijken op Farizeisme ; en dat is vooral voor Vrijzinnige menschen een heel leelijk ding. Zij moesten dan ook niet in dien weg willen wandelen!
Om recht en waarheid gaat het.
Daarom nemen we hier over wat ds. Lingbeek in „de Geref. Kerk" over deze zaak schreef. Dat kan straks nog wel dienst doen en het is goed, dat ieder dat eens even leze.
Ds. Lingbeek schrijft dan :
„Zooals de lezer reeds kan weten, heeft de Synode besloten harerzijids op geen verandering aan te sturen van de positie, die de Waaische Gemeenten tot dusverre in onze Kerk innamen.
Om de gronden, waarop die beslissing Is genomen, na te gaan, moeten wij er eerst even op letten hoe die Waalsche Gemeenten in haar positie zijn gekomen.
In de dagen, toen Alva woedde in de Zuidelijke Nederlanden, terwijl onze Noordelijke provinciën zich van zijn geweld begonnen te bevrijden, stroomden er scharen van Belgisch-Fransche of „Waalsche" gereformeerden naar onze gewesten.
Hun godsdienst was de onze. Maar hun taal was min of meer de Fransche. Dientengevolge werden zij wel gerekend tot onze Nederlandsche Gereformeerde Kerk, maar zij verkregen toch hun eigen gemeenten en hun eigen kerkgebouwen en leeraren en diensten. In 1578 werd epaald, dat de Waalsche en de Nederduitsche Gereformeerde gemeenten elk hun eigen (Provinciale) Synoden zouden hebben. Alleen in de Nationale Synoden zouden zij vereenlgd zijn en dan zouden de Waaische gemeenten op zulk een Synode vertegenwoordigd zijn, alsof zij een afzonderlijke provincie uitmaakten.
Dat was het begin van de Waaische gemeenten in ons vaderland.
Ruim honderd jaren later kwam een nieuwe toevloed van Fransch sprekende Gereformeerden, die de Waalsche gemeenten versterkten. In 1685 n.l, werd door den Franschen koning Lodewijk XIV het edict van Nantes herroepen. Wat tengevolge had, dat de Fransche Gereformeerden, wilden ze niet tot de galeien of tot andere vreeselijke straffen worden veroordeeld, naar de naburige Protestantsche landen, ook naar ons land de wijk namen. Ook deze Fransche vluchtelingen brachten hun eigen leeraren mede. En evenals de vroegere Walen of Belgen, verstonden ook zij onze taal niet. Wat was natuurlijker, dan dat zij gevoegd werden bij de reeds bestaande Waalsche gemeenten, met wie zij in godsdienst en in taal overeenstemden.
Zoo ontstonden de tegenwoordige „Waalsche gemeenten" in ons vaderland, en zij hebben in onze Kerk, ook na 1816, tot op dezen dag, haar eigenaarige positie behouden.
Nu kwam dezer dagen tot de Synode het verzoek om die Waalsche gemeenten, die In onze Kerk zulk een belangrijken invloed kunnen oefenen, doordien zij in de kerkelijke Wetgeving met een geheele Provincie op één lijn zijn gesteld, terug te brengen tot den rang van een Classis in onze Kerk.
Aanleiding daartoe was, zooals bekend Is, dat bij de elndstemmlng over „de Groote Synode" door de Provinciale Kerkbesturen, de Walen den doorslag hebben gegeven om de groote Synode te doen vallen.
En nu heeft de Moderne rapporteur in de Synode de Inwilliging van dat verzoek op deze gronden bestreden, dat daarmede de Waalsche gemeenten „van een oud recht zouden worden beroofd". En met dit gevoelen heeft zich de meerderheid der Synode vereenlgd. De Walen blijven dus voorloopig in hun oude positie.
Drie dingen zijn daarbij echter, opzettelijk of onopzettelijk, onopgemerkt gebleven.
Ten eerste. Dat die aparte Waalsche of Fransche gemeenten eigenlijk alleen in de 16de en 17de eeuw bestaansrecht hadden. De Walen en de Franschen, die naar deze gewesten overkwamen, waren wel onze geloofsgenooten, maar behoorden niet tot ons volk en spraken noch verstonden onze taal. Zij hadden dus beslist eigen godsdienstoefeningen en eigen regeling van hun kerkelijke zaken noodig. Nu echter, in onzen tijd, zijn de afstammelingen van die Walen en Franschen reeds lang met onze overige bevolking versmolten. Zuivere afstammelingen der Franschen en Walen heeft men niet meer en nog minder zulke afstammelingen, die onze taal niet verstaan. Alleen aan de geslachtsnamen en door familieoverlevering weet men het, dat men van vaders of van moederskant „nog afstamt van de Hugenoten", zooals het dan heet. Derhalve, wat in de 16de en 17de eeuw een wijze maatregel was (het afzonderlijk houden van de Waaische gemeenten) is in onze eeuw eigenlijk een, enkel om historische redenen, nog laten voortbestaan wat nu zijn bestaansrecht heeft verloren.
Ten tweede is ook voorbijgezien, dat om begrijpelijke redenen de Walen, èn in aantal van gemeenten èn in zielental belangrijk zijn achteruit gegaan. En dat, terwijl de Nederlandsch sprekende gemeenten toenamen. In 1688 waren er in ons land ruim vijftig Waaische gemeenten, waarvan niet één gesticht was, voor dat een belangrijk aantal Walen of Franschen ter plaatse zich had gevestigd.
Nu zijn er nog slechts zeventien Waalsche gemeenten in ons land over. En daaronder uitstervende gemeenten als Groningen met 85, Zwolle met 26 Maastricht met 33 en Voorburg met 10 zielen. Flinke Waalsche gemeenten heeft men eigenlijk nog alleen in Amsterdam (met 3387 zielen, 's Gravenhage (met 1857), Rotterdam (met 834), Leiden (met 423) en Utrecht (met 343 zielen).
Maar ten derde, en vooral, heeft men verzuimd er rekenschap van te geven, waarop eigenlijk het recht der wegslinkende Waalsche gemeenten gegrond is ; niet het recht om haar eigen geldelijke en geestelijke zaken te behartigen, maar het recht om in onze Kerk zulk een bovenmatigen invloed te oefenen, dat (zooals bij de verwerping van de groote Synode is gezien) zij alleen, luttel in aantal als zij waren, in staat bleken om bij onze kerkelijke wetgeving een spaak in het wiel te steken en te beletten dat doorgevoerd werd wat de meerderheid der dassen had begeerd. Ons dunkt, wanneer men spreekt van het recht der Walen, dat niet mag worden aangetast, dat dan ook eens op het recht der Nederduitsohe Hervormden mocht zijn gelet om hun eigen zaken te regelen.
Wanneer bij' onzen stedenbouw een oude poort het verkeer belemmert, dan breekt men die af, ol, als men haar uit piëteit laat staan, maakt men er een nieuwen uitweg omheen.
Zoo was de eisch van onzen tijd, dat, al wilde men die verouderde Waalsche gemeenten laten staan, men ze toch verhinderde om een sta-in-den-weg te vormen in ons Hervormd kerkelijk leven.
Maar daarvoor was de Synode niet te vinden."
Heel belangrijk.
Wij achten de vergadering van Herv. (Geref.) predikanten, die D.V. Woensdag 10 September a.s. te Utrecht gehouden zal worden (zie de advertentie) van groot belang. Om meer dan één oorzaak. Ten eerste moeten wij zooveel mogelijk er naar staan, dat predikanten van den Gereformeerden Bond, van de Confessioneele Vereeniging en z.g.n. Kohlbruggianen elkander op gezette tijden ontmoeten. Dat is noodig. Er liggen gelukkig bij die verschillende nuanceeringen heel veel dingen ten grondslag, die overeenstemmen met Schrift en belijdenis ; en dan moet er naar gestaan worden om de liefde te betrachten onder de huisgenooten des geloofs. Waarbij komt dat we in een tijd leven, dat het Gereformeerd beginsel aan het opkomen is in het midden van onze Hervormde Kerk, hetwelk de tegenpartijen — en zij zijn vele — met leede oogen aanzien, daarbij het wapen van „verdeel en heersch" hanteerend. Men blaast zoo graag de verschilpunten aan, opdat hetgeen men gemeen heeft, vergeten zal worden. En dat mag niet. Dat mag niet omdat de Heere het in Zijn Woord verbiedt ; waar toch nergens in, de Schrift Petrus tegen Paulus en Jacobus tegen Petrus worden opgezet, maar wèl worden vermaand één te zijn in liefde en den band des vredes te bewaren.
Zeker, er kunnen wel verschilpunten zijn. En laat daar ook, als het tijd is, maar over gesproken en geschreven worden.
Maar er moeten ook oogenblikken komen dat men elkander ontmoet, met elkander spreekt en bidt — opdat de broederband aangehaald worde en de broederlijke liefde heersche.
Vooral waar de gemeenschappelijke vijand niet behoort onderschat te worden.
Ten slotte gooit de vijand Gereformeerden, Gonfessioneelen en Kohlbruggianen op één hoop. 't Is hem lood om oud ijzer, wien hij voor zich heeft; als de Gereformeerde Waarheid maar slagen krijgt.
En dat moet ons tot ernst, tot grooten ernst stemmen, om toch waakzaam en nuchter te zijn en den band des vredes onder de broederen te bewaren waar het mogelijk is, en, als 't kan, wat vaster toe te halen.
Natuurlijk moeten de broederen dan elkaar niet telkens boos maken door hatelijke uitvallen of banbliksems. Dan loopt het mis. En als er soms gemeenteleden zijn, die dat zoo erg graag zien en hooren — men heeft soms zulke wonderlijke menschen — dan moeten de dominé's verstandiger zijn. Want de tijden zijn te ernstig om niet alles te beproeven, dat waar gemaakt worde : „eendracht maakt macht".
Bovendien is er op geestelijk gebied zooveel te bespreken saam. Dogmatische stukken, ethische beschouwingen, geestelijke problemen — waarom zouden wij het verwaarloozen ze saam ter hand te nemen, saam ze te onderzoeken, opdat we meer tot den bodem afdalen in de diepte, meer den omvang bereiken in de breedte ?
Kan er onder ons, Gereformeerden, niet veel meer studie komen ? Kunnen we elkaar niet helpen, ook vóórthelpen ?
De Ned. Herv. (Geref.) predikantenvergadering, die nu twee jaar achter elkaar gehouden is te Utrecht (in 1922 en in 1923) lijkt ons tot het doel, dat wij hierboven wat omschreven, uitermate geschikt.
Daar kan gestudeerd worden ; voorgedragen, aangevuld, verbeterd wat door vooraanstaande collega's onder ons weten, gelooven en belijden. Wat niet moet worden onderschat.
Wij meenen, dat het Moderamen dit jaar bizonder gelukkig is geweest in de keuze van sprekers en onderwerpen. Dr. J. D. de Lind van Wijngaarden is onder ons een man van algemeen erkende bekwaamheid. Een man van helder verstand en ruim hart, een man van velerlei studie en wèl gefundeerd Gereformeerd — met een onderwerp nu, dat hem volkomen is toevertrouwd : Geloofsverzekerdheid.
Aan zoo'n onderwerp is behoefte.
En dan ds. Verschoor, die stille werker, die bij Gereformeerden en Gonfessioneelen en Kohlbruggianen een zeer goeden naam heeft — met een onderwerp, voor hem, den kalmen denker met mystieken aanleg, zoo uitnemend geschikt : „Waarom Philpot's leerredenen geliefd zijn bij 't Gereformeerde volk " Over beide onderwerpen kan ook, gemakkelijker dan soms bij andere referaten het geval is, van gedachte worden gewisseld ; wat ook zoo nuttig en zoo goed is ; óók om een geanimeerde, gezellige vergadering te krijgen.
Wij hopen hartelijk, dat er vele predikanten zich Woensdag 10 September naar Utrecht zullen begeven.
Waarbij wij vooral ook „de Gereformeerde dominé's" zouden willen toeroepen : blijft lui niet thuis ; maar komt allen, indien eenigszins mogelijk.
Men heeft waarlijk van „Gereformeerde" zijde nu niet over de sprekers en over de onderwerpen te klagen. Laat men nu ook komen. Dan is dat voor ons onderling samenzijn prettig en men steunt de zaak, waar het om gaat.
Het Moderamen rekent op een volle zaal — en wone de Heere, de God aller genade, met Zijn Geest in ons midden, om sprekers en hoorders een goeden dag te bereiden. Dan kan er een zegen genoten worden, die na de vergadering nog blijvend werkt; wat heerlijk zou wezen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's