Feuilleton.
Geven
EEN EPISODE UIT GELLERTS LEVEN.(Uit het Duitsch vertaald).
3) Toen zij bleef zwijgen, vroeg hij haar met zulke vriendelijke woorden hem te willen vertrouwen, dat de vrouw hem onwillekeurig nog eens aanzag. En nu begon de ijzeren grendel te wijken en de ijskorst te smelten. Het was haar als moest zij dezen man, dien zij toch in 't geheel niet kende, alles zeggen wat haar terneer drukte. Zij gevoelde een geweldige, een onweerstaanbare macht, die haar dit gebood, tegen haren wil. Als vanzelf opende zich haar mond en zij vertelde hem de geschiedenis van haar verdriet tot op dit uur en hoe haar hier de geheele last als op de ziel gevallen was en zij weer eens had kunnen weenen. Nu was haar hart wat lichter geworden, zij kon weer adem halen ; maar wat hen heden nog dreigde dat was het ergste van alles. En zij vertelde hem wat Neidhardt besloten was te doen en zeker ook ten uitvoer zou brengen, daar zij geen stuiver voor brood, noch voor medicijnen voor haar zieken man had, Iaat staan dat zij de schuld van dertig daalders zou kunnen betalen, welke op haar rustte. Ach, riep zij, overstelpt van smart uit, mijn man zal door zijn ziekte weggenomen worden en mijn kinderen en ik door den honger ! O, ware het slechts voorbij, want voor ons is er geen redding meer dan in het graf !
De Heere leeft nog, die de harten der menschen leidt als waterbeken I zeide Gellert ernstig, en dat woord maakte diepen indruk op 't gemoed der vrouw. Zij sprong op, vatte krampachtig zijn hand en riep : Gelooft u, dat Hij ons zal helpen ?
Ik geloof het ! hernam Gellert nog beslister ; want in zijn hart werkte de liefde Gods, hij had al besloten om haar te helpen. Het ging er om zijn geheele vermogen te offeren, maar daaraan dacht hij niet ; hij dacht er ook niet aan welke gevolgen dat voor hem zou hebben, alleen daaraan dacht hij : de ongelukkigen te helpen en te redden. Ga met mij mee naar mijn huis, zei hij, en gij zult zien dat de Heere nog leeft, die van dood en verderf kan verlossen.
En hij richtte zijn schreden huiswaarts. O, mijnheer, riep de arme vrouw wonderlijk getroost uit, laat het mij toch gauw aan mijn kinderen gaan vertellen ! En zij snelde heen naar de plaats waar de kinderen reeds hun manden met spaanders gevuld hadden en terugkeerende volgde zij hem met een gebed in het hart van stille, hoop vervuld.
Nadat hij met een verheugd gemoed zijn kamer binnen getreden was, opende hij zijn schrijftafel, nam de rol met geld en legde haar in de hand van de vrouw met de woorden : Het zijn dertig daalders en er rust geen vloek op !
Toen de vrouw, overstelpt van geluk, vreugde en dank nedervallen en zijn knieën omvatten wilde, richtte hij haar op en zeide : Dank den Heere, die uw gebed verhoord en mij gezonden heeft. Hem moet gij loven !
Ga echter niet naar den ouden Neidhardt, voordat het elf geslagen heeft, voegde hij er nog aan toe. Kom dan en breng het geld. Onthoud het goed !
Eindelijk vertrok de overgelukkige vrouw die niet op kon houden te danken.
Gellert echter vouwde zijn handen en dankte God die hem waardig gekeurd had zijn heilig doel te volbrengen. Hij smeekte om Zijnen zegen om het werk, dat hij begonnen was, geheel te mogen voleindigen.
En toen hij gebeden had, begaf hij zich haastig naar den ouden Neidhardt, daar het bijna elf uur was.
Gelukkiger en hoopvoller gestemd was Gellert nooit door de straten van Leipzig gegaan, als op dezen morgen. Hij ervoer de volle waarheid van het woord des Heilands : „Geven is zaliger dan ontvangen."
Hij klopte bij den ouden Neidhardt aan en trad op diens knorrig, ontstemd "Binnen" in het vertrek.
De oude woekeraar stond juist aan een tafel en rolde stapels geld. Het was hem duidelijk aan te zien dat Gellert hem zeer ongelegen kwam. Hij trok een lade uit de schrijftafel, streek het geld er in, schoof dicht, sloot af en wilde juist een zeer bitse vraag tot zijnen bezoeker richten, toen Gellert hem beleefd groette en hem met zijn trouwe, vandaag van innerlijk geluk stralende oogen, aanzag !
Deze blik deed den ouden man zijn toorn inhouden. Hij gevoelde, dat hij een zoo algemeen geacht en geëerd man niet onheusch mocht bejegenen. Daarom wendde hij zich met de vraag tot hem : waaraan hij de eer van zijn bezoek, nog wel zoo vroeg in den morgen, te danken had ? Vervolgens verzocht hij den professor, plaats te willen nemen.
Gellert, blij dat de rimpels van toorn op het onvriendelijke gelaat van den oude verdwenen, ging zitten en begon zonder op de hem gedane vraag te antwoorden, het gesprek met de woorden : Van u, waarde mijn heer Neidhardt, kan ik zeker veel goeds leeren ; want een man dien de Heere zoo rijk gezegend heeft als u, zal niet nalaten om van zijn rijkdom een gezegend gebruik te maken. U verstaat zeker de groote kunst om anderen waarlijk wel te doen ?
De oude Neidhardt, die met zijn gedachten waarschijnlijk nog half bij zijn geld was, voelde toch het netelige van deze, door Gellert goed gemeende vraag en een inwendige stem scheen tot hem te zeggen : Is dat waar, oude zondaar ? Wat zul je nu antwoorden ? —
De oude werd een weinig bleek ; het antwoord wilde hem niet over de lippen, omdat het een leugen geweest zou zijn en iets anders wist hij niet te zeggen, daarom brom de hij verlegen iets in zijn baard, dat ongeveer klonk als : O, ja ! — zeer zeker ! — Hm I Hm ! —
Of Gellert, wien het steeds warmer om 't hart werd, .het niet goed hoorde, niet verstond of niet verstaan wilde ? — In ieder geval begon hij met de hem eigen warmte en overtuiging, van de vreugde en den overvloedigen zegen van het weldoen te spreken. Hijzelf had immers nog pas deze vreugde en dezen zegen in rijke mate ervaren ; daarom kwamen de woorden ook met zoo overtuigende geestdrift van zijn lippen en hadden zulk een overweldigende macht, dat zijn toehoorder er van ontroerde en een gevoel kreeg alsof deze woorden hem innerlijk verwarmden, zijn hart omkeerden en gevoelens in hem opwekten, welke hij nooit tevoren gekend had. Dit had op den edelen Gellert een terugwerkende kracht en steeds vuriger, bezielender werden zijn woorden en steeds krachtiger bewogen zij het hart van den woekeraar.
Daar sloeg het elf uur. Tegelijk met den klokslag werd er aan de deur geklopt en trad de arme vrouw, met een van vreugde stralend gezicht, het vertrek binnen, legde de rol met geld van Gellert op tafel terwijl zij zeide : Hier breng ik u het geld ; maar geef u mij nu ook het briefje terug, dat mijn arme, doodzieke man u op zijn sterfbed geschreven heeft, om u te smeeken ons toch niet uit het huis te laten zetten.
De aangesprokene verschoot van kleur; de hand, welke hij onwillekeurig naar het geld uitstrekte, beefde.
Tegenover Gellert, wiens ontroerende woorden een zoo diepen indruk op hem gemaakt hadden, waren de woorden der ongelukkige vrouw, voor hem een deemoediging die hem neerdrukten en een oordeel over hem velden, waarvan hij de zwaarte in deze stemming dubbel gevoelde. Schaamte, verlegenheid en berouw bestormden hem met nooit gekende macht.
Eindelijk was hij zichzelf zoover meester, dat hij er in afgebroken woorden uitbracht : O, daar — was — toch — niet — zoo'n haast — bij ! Hoe kunt u zoo spreken ! Het was immers — zoo erg niet — bedoeld ! Enkel een bedreiging — meer niet — ! Maar — gaat u nu maar heen •— u ziet dat ik — bezoek heb !
Evenwel hadden zijn beenige vingers, bij deze woorden de geldrol vastgegrepen en in den zak van zijn versleten jas laten glijden.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's