De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Financiën.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Financiën.

7 minuten leestijd

Dat was een geweldig bedrag, ik schrok er van, dat ik met 1 September aan de verschillende heeren, ouderen en jongeren, moest opzenden. Ja ja, dat gaat zoo heel gemakkelijk op zoo'n bestuursvergadering ; dan komt er eens één bij en op een volgenden keer eens twee, en dan denk je : vooruit maar, je komt niet te kort voor op het laatst; bovendien hebt ge niet altijd een balans in 't hoofd om juist te kunnen zeggen of het nu niet al te hoog loopt. En als ik dan al eens een bedenkelijk gezicht zet, dan verschijnt er altijd een uitdrukking alsof ze zeggen willen : hij meent er niets van. En dan gaat het er maar weer door. Wat doe je daar nu aan ! Als ze je maar laten praten en maar doen alsof mijn kas onuitputtelijk is ?
Ik begrijp wel hoe het komt; o ja, o heel goed. Ze zien op de tijden, wanneer er spreekbeurten worden gehouden ; als ge zoo in een week drie of vier honderd gulden beurt, of nog beter, op den tijd, dat er Paaschcollecten worden gehouden, dat er in een week zooals dit jaar ƒ2400.— binnen kwam.
Ja, zooiets is toch maar prachtig, penningmeester, zeggen ze dan. Daar stopt ge weer een groot gat mee.
Het is prachtig, dat zeg ik ook.
Als er dan in dien tijd een aanvraag komt, o dan wordt er alleen maar toegezien of het in alle opzichten een geschikt candidaat is voor het Studiefonds en als daar dan niets aan mankeert dan wordt er over de onkosten haast niet gesproken. Als ik even mijn mond open wil doen, dan is het : Och, man, zeur nu toch niet, je hebt verleden week pas ƒ2400.—• ontvangen.
Och, och, ƒ2400.—, jawel. Maar daar is natuurlijk geen dubbeltje meer van te vinden. Het is tegelijk met de opbrengsten van de spreekbeurten allemaal verdwenen en gezonden naar hen die per maand of per drie maanden als ik soms een beetje laat ben, al bij hun hospes informeeren of de post nog niets gebracht heeft.
Neen, met die heeren wil ik niet praten ; die luisteren niet naar me en die hebben, geloof ik, van financieren geen sikkepit verstand. Maar met de lezers, daar wil ik wèl mee praten, dat zijn mijn vrienden, die gelooven mij en die luisteren naar me en helpen mij altijd als ik hun vertel dat ik ze noodig heb.
Nu moet ge even hooren : met 1 September heb ik meer dan duizend gulden weg moeten sturen naar de onderscheidene heeren van het Studiefonds. Met 1 October is het minder; met 1 November iets meer dan in October, maar met 1 December is het weer ongeveer zoo'n som als nu met 1 September. Nu heb ik na de Paaschcollecten niet zoo heel veel ontvangen, dat hebt wel gezien. Maar dat weet ik, dat is de slappe tijd. Het ging toch nog al, maar natuurlijk in geen velden of wegen zooveel als ik maandelijks noodig had, dat is nog al duidelijk.
Nu komt 1 September, en zie ik dat reuzenbedrag dat ik weg moet sturen; over de duizend gulden in één maand. Ik schrok er heusch van toen ik het opbelde, U vindt het toch zeker ook niet zoo'n beetje !
Nu weet ge, dat ik niet van bedelen houd. Dat doe ik ook nu niet. Ik vertel alleen maar hoe ik als penningmeester voor zit en zou wel willen, dat u deze week eens in mijn plaats stond. Want wat denkt u, dat er nu tegenover die uitgaven staat te boeken aan ontvangsten ? Ik zal het u zeggen. Dinsdags gaat mijn financieel rapport naar Maassluis, en dan sluit ik de week af. Nu, na de afsluiting ontving ik uit Den Dolder van A. P. één gulden en Zondagmorgen, ik stond juist op 't punt om naar de kerk te gaan, werd er gebeld en bracht iemand uit Hilversum mij nog één gulden. Meer niet.
Voor beide guldens intusschen hartelijk dank.
Dus dat is een ontvangst in een heele week van twee gulden, tegenover een utgaaf van over de ƒ 1000.00 ; terwijl e voorafgaande maanden ook al niet zoo schitterend waren.
Nu vraag ik u : Hoe moet dat nu ?
Een lastige vraag, en toch de oplosing is niet zoo moeilijk als wij onze ogen eens even open doen en iets verder zien dan wat er in onze onmiddellijke nabijheid is waar te nemen. Als wij dat doen en daarvan doordrongen woren, dan komt de oplossing vanzelf.
Velen onzer zijn in hun vacantie naar het buitenland geweest en hebben daar aanschouwd de groote en machtige werken van den Schepper van hemel en aarde, die in landen als België, Duitschand, Frankrijk, Zwitserland en Italië tot zoo indrukwekkende openbaring komen. Zij kunnen de schoonheid er van niet genoeg roemen tegenover ons landje met zijn vlakke weiden, polders en slooten. Maar hoe staat het nu in de landen over onze grenzen met de kennis van den Naam van Hem, die dit alles door het Woord Zijner kracht heeft geformeerd en met den Naam van Hem, Wien te kennen het eeuwige leven is en zonder Wien geen zaligheid tG vinden is, maar een eeuwige rampzaligheid ?
Kom daar over onze grenzen in de protestantsche kerken, zoo ze er zijn, en beluister daar eens de prediking. Wat een hooge uitzondering is het wanneer men daar het geklank van het Evangelie mag vernemen. Het is een oppervlakkig gepraat over deugden en plichten en goede werken. Christus wordt er gepredikt als een voorbeeld om na te volgen en zooveel mogelijk te benaderen. Maar aan het Offer, op Golgotha gebracht tot een verzoening voor onze zonden, is zoo goed als geen spoor te vinden.
Als wij dit nu even rustig indenken, dat de Heere ons in ons kleine landje heeft gegeven, welk een groote genade ons is geschonken dat wij hier als in geen land ter wereld ons mogen verheugen in zoovele plaatsen, in de prediking van het Woord van God, dan moet ons hart van dank wel overvloeien voor dit ontzaglijk voorrecht met het voorbijzien van zoovelen, die daar onbekend mede zijn. Nu kan het niet anders, als wij daar een oog voor gekregen hebben, dan hebben wij behoefte om onzen dank te uiten niet alleen in woorden, maar dan houden wij onze hand niet terug en offeren gaarne onze gaven.
Zoo komt de moeilijke vraag tot een gewisse oplossing en willen wij gaarne van het onze afstaan. Dan zullen de lezers, ook zij, die thuis gebleven zijn, zorgen dat het bij den penningmeester van den Bond tot verbreiding der Waarheid niet meer voorkomt dat hij een ontvangst heeft te boeken van niet meer dan.... twee gulden in een heele week. Lezers, dat is toch zoo ?
Schoonhoven. Mijnheer. Toen ik Vrijdag j.l. uw stukje las in „Financiën", getiteld : „Rust roest", dacht ik ; dit zal voor menigeen een aansporing zijn om iets meer te gaan doen voor den Gereformeerden Bond. Wil ook mij daarom zoo'n busje zenden, dan zal ik zorgen dat daarmede gewerkt wordt. Hierbij 50 cents voor de portkosten voor het sturen. Hopende dat de Heere hierover Zijnen zegen mag gebieden, teeken ik mij Uw abonné J. K.
Ook uit Hagestein ontving ik van ds. G. v. d. Z. een aanvrage om een busje, zoodat er nog 10 stuks vragen om een onderdak.
In afwachting van de ontvangst van adressen.
Uw Penningmeester,

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Financiën.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's