De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

17 minuten leestijd

De vraag eener goede consciëntie tot God.
In den eersten brief van den Apostel Petrus (1 Petrus 3 vers 21) wordt over den doop gesproken „niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is eener goede consciëntie tot God, door de opstanding van Jezus Christus".
Wat beteekent dat laatste ?
De Doop geschiedt met water. Dat teeken, waaronder de Doop geschiedt, spreekt. Want water gebruiken we om „de vuiligheid des vleesches" af te leggen en kwijt te raken ; om ons te wasschen, te reinigen, te verfrisschen ; om dan, verfrischt en ons prettig voelend, als met nieuwe krachten voort te gaan. Heerlijke gave heeft God ons in het water gegeven. In warme dagen bizonder worden wij dat allen wel gewaar ; trouwens elke dag leert ons dat.
Maar nu is de Doop niet om „de vuiligheid des vleesches" kwijt te raken, maar om geestelijk gereinigd en geheiligd en vernieuwd en verfrischt te worden en als een nieuw, geestelijk mensch te wandelen en te handelen, in liefde tot God en Zijne geboden ; hatende en vliedende de zonden.
't Is het teeken en zegel van de opstanding van den nieuwen mensch, die naar God geschapen is, naar het evenbeeld van Christus.
Zoo is het 't teeken en zegel van een nieuwe verbintenis tusschen den Heere en Zijn kinderen.
Hij heeft hen uit de duisternis en de zonde uitgehaald en hen toegebracht tot de vreeze van Zijn Naam, om in 't midden van Zijn volk te wonen en te leven. Dat brengt een verzegeling mee van beide kanten. De Heere zegt: Ik wil uw God zijn. De bekeerde zondaar zegt : ik wil Uw kind wezen.
De Heere vraagt: hebt gij Mij lief en wilt gij voor Mijn aangezicht wandelen in oprechtheid en liefde ? De geloovige antwoordt : ja, Heere, Gij weet dat ik U liefheb, ondersteun mij en trek mij, dan zal ik U naloopen.
En dat wordt bezegeld in den Doop, tot een nieuwe gehoorzaamheid.
Dat geeft een teken met de zonde en met de begeerlijkheden des vleesches. 't Welk echter telkens weer tegen elkaar botst.
Als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij", zegt Paulus.
Maar in de zonde leven, in de zonde blijven liggen — dat mag niet ; dat begeert het harte ook niet. Wel kan het vleesch over ons heerschen, maar de geest worstelt er tegen in en het harte kent leed in deze.
Met den Doop is Gods kind tot een nieuw leven, tot een leven van nieuwe gehoorzaamheid gebracht. En nu zal er in deze een vraag van eene goede consciëntie tot God moeten zijn. Dat wil zeggen : een vraag, om met een vrij en gerust geweten te mogen leven, in bewustheid, dat niet in de zonde geleefd wordt, maar tegen de zonde gestreden wordt; dat niet in de duisternis gewandeld wordt, maar lust en liefde wordt gekend om naar Gods geboden te handelen, met waarachtige liefde tot den Heere.
Dat vindt z'n kracht voor Gods kind in de opstandinig van Christus.
En tot de opgestane, nieuw geboren kinderen behoorend, zal de consciëntie niet rustig zijn, maar beschuldigend van kwaad, indien de liefde tot God verre is en de liefde tot de zonde, de wereld en het vleesch in ons gevonden wordt met kracht. Dan is het niet goed met de consciëntie. 'Dan hebben we geen vrij geweten, ons bewust zijnde niet vrij uit te gaan voor Gods aangezicht; dan klaagt ons eigen geweten ons aan voor God.
En Gods kinderen zullen worstelingen der ziele kennen om uit dien ongelukkigen toestand te mogen worden uitgerukt en weer met een vrij en gerust geweten voor Gods aangezicht te leven.
Nu kunnen we begrijpen wat Paulus zegt in Hand. 24 vers 16 : „en hierin oefen ik mij zelven, om altijd eene onergerlijke consciëntie te hebben bij God en de menschen" ; of wat hij antwoordde aan den Joodschen Raad : „Mannen broeders, ik heb met alle goede consciëntie voor God gewandeld tot op dezen dag." (Hand. 23 : 1).
Het is dus niet goed, als zij die in den Doop zijn ingegaan tot den dienst des Heeren en het teeken en zegel dragen van bondelingen te zijn, zich niet bekommeren over hun levenswandel,
Die geestelijk de dingen verstaan, zullen als levendgemaakte kinderen Gods in nieuwe gehoorzaamheid zoeken te wandelen. En waar de zonden vele zijn, zullen zo als dragende het teeken des Heeren, telkens zoeken eene goede consciëntie te hebben voor God, wat 't geval zal wezen, als zij niet heimelijk of in 't openbaar in de zonde leven, maar door Gods genade tegen de zonde mogen strijden en met lust en liefde Gods bevelen mogen doen; zichzelf Gode offerend als een offer der dankbaarheid.
Een goed geweten te mogen bezitten, zullen wij den Heere moeten vragen. Die gezegd heeft: Mijne genade is u genoeg, Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht.
En uit een goed geweten zal dagelijks de vraag moeten oprijzen, als voor Gods aangezicht te mogen blijven wandelen als kind des lichts.
Waartoe geestelijke oefening noodig is, om zichzelf te oefenen in het nalaten van het booze en het doen van 't goede. Zooals er lichamelijke oefening is, om allerlei te leeren ; om allerlei te mogen bereiken en te mogen overwinnen in den strijd — zoo zal er in de geestelijke loopbaan ook veel oefening des gebeds en der godzaligheid moeten zijn ; om af te leggen het booze en aan te doen het goede.
Wanneer de Heere dus aan de Zijnen vraagt: wilt gij met een goed geweten voor Mijn aangezicht wandelen ? en de geloovige antwoordt: ja, Heere, ik heb lust om Uw wil te doen — dan Iaat de Heere dat bezegelen en afteekenen in den Doop, als een heilige verbintenis tot een nieuw leven ; waarbij Hij, Zijn hulpe en Zijn genade en kracht wil schenken om niet. En ja, dan zal het nu moeten uitkomen, dat wij, daarom vragend, leven in de vreeze van Zijnen Naam, of dat wij, deze genadegaven langer of korter verachtend, in de zonde leven.
Het laatste geeft geen goede consciëntie, maar een consciëntie die ons aanklaagt van ergerlijke dingen.
Het eerste geeft ons vrede en blijdschap, door de vreeze Gods en een rustige, goede consciëntie, welke ons ontschuldigt voor het aangezicht van den Heilige Israels.
Zalig, die de dagelijksche geestelijke worstelingen mag kennen om een goede consciëntie te hebben en te houden.
En die die geestelijke worstelingen wel kende, maar ze nu door den lust tot de zonde is kwijtgeraakt, die wake op tot de vreeze van Gods Naam en leere bij vernieuwing belijden, als een kind Gods, behoorend tot Zijn genadeverbond : ik heb een vermaak in de Wet Gods naar den inwendigen mensch ; zij is mijne betrachting den ganschen dag. Is er geestelijke oefening bij Gods kinderen ? Geestelijke oefening om altijd eene onergerlijke consciëntie te hebben bij God en de menschen ? (Hand. 24 vers 16).

Kerksplitsing.
Wij gaan, naar Schriftuurlijk beginsel, uit van de plaatselijke Kerk. Die, naar uitwijzen van de Schrift, in kerkelijk verband hebben te leven ; wat eisch is, daar er zoo héél veel dingen zijn, die niet aan de plaatselijke Kerk alléén behooren, maar de gezamenlijke Kerken raken b.v. kwesties van belijdenis, tuchtzaken, toelating tot den dienst des Woords, verzorging van predikantsweduwen en weezen waar dat noodig is, uitzending van dienaren des Woords naar het Zendingsterrein, enz. enz.
Wij moeten dus hebben — bij een gezond kerkelijk leven — een goede fundeerinig van de plaatselijke Kerken en een goede samenleving van de Kerken in classicaal en provinciaal verband, uitkomend ook in de vergadering der Kerken in Synode.
Nu ontbreekt daar helaas ! onder ons heel, héél veel aan, zooals we weten.
Maar daar willen we het nu niet speciaal over hebben, doch noemen het, omdat het bij de verdere beschouwing ook weer zal uitkomen, dat bij ons, in de. Hervormde Kerk — "wat moest zijn het kerkelijk samenleven van de plaatselijke en gewestelijke Kerken met gereformeerde belijdenis •— die grondfout alles bederft en telkens alles weer tegen houdt en onmogelijk maakt, wat naar gereformeerd Kerkrecht moest worden gedaan, in het waarachtig belang der Kerk.
Wat zoo noodig gebeuren moest en zoo nuttig zou werken, kan in onze Hervormde Kerk niet ingevoerd of doorgevoerd worden, omdat die grondfout aanwezig is : dat we niet hebben een samenleven van de plaatselijke Kerken, die gefundeerd zijn op de belijdenis.
Om één kwestie te noemen.
Bij gezond kerkelijk leven moest niet de predikant alles met den kansel kunnen doen wat hij wil (we zeggen dit „alles" nu maar eens met opzet wat heel erg boud) zonder den Kerkeraad.
De dominé kan den Catechismus gebruiken en niet gebruiken, — zooals de dominé dat verkiest. De dominé kan met het kerkgezang, de Psalmen en de Gezangen, doen wat hy wil, zonder den Kerkeraad. De dominé kan voor zich laten optreden wien hij wil — zonder den Kerkeraad ook maar in iets te kennen.
En de Kerkeraad laat dat alles ook maar passeeren, omdat ér toch niets aan te doen is.
Men mag over de Psalmen en de Gezangen, over den Catechismus, over het gebruik van Doop-en Avondmaalformulier misschien eens met elkaar praten, maar de dominé is hier de baas !
Moet dat niet veranderd worden ? Ja — maar dan komt weer 't bezwaar als de Kerkeraad dan eens per sé gehangen wilde laten zingen, of de Kerkeraad wilde niet den Catechismus, of de Kerkeraad wilde dit en wilde dat, 't welk niet gereformeerd is, wat zou dan de dominé moeten doen ; b.v. in eene vacante gemeente ?
Allerlei moeilijkheden, omdat de gemeenschappelijke grondslag, naar kerkelijke belijdenis en Kerkorde, in gezonden, gereformeerden zin genomen, onder ons ontbreekt.
En inplaats dat dus onder ons belijdenis en Kerkorde gezag hebben, is het nu eens de dominé die pausje speelt en dan weer de Kerkeraad die de lakens uitdeelt. Wat in beide gevallen door ons moet worden veroordeeld, maar nu dikwijls als een noodzakelijk kwaad moet worden geduld en aan de hand gehouden ; omdat verandering in deze nog onder grootere bezwaren gedrukt gaat.
Ook bij het onderwerp, dat we boven dit artikel hebben aangeduid, wringt de schoen op dezelfde plaats.
Nooit is het probleem van de groote steden geweest zooals nu in dezen tijd. Wie had ooit de ontwikkeling der steden, op elk gebied, maar ook op kerkerlijk terrein, zich gedacht zooals die nu plaats heeft gegrepen en nog met den dag voortgang heeft ? Immers niemand. Vooral ook niet, nu de annexatie en de verandering in grensregeling aan de orde van den dag is.
De fabriek, de handel, de industrie heeft alles naar de steden getrokken. Van het platteland stroomt het naar de groote plaatsen, die aan rivieren liggen of vol schoorsteenen zijn, waar winkel na winkel, warenhuis na warenhuis komt. Den Haag slaat z'n armen uit en grijpt met den dag begeeriger om Scheveningen, Rijswijk, Voorburg, Wassenaar, Loosduinen, tot zich te trekken en er van te maken één groote stad, met één electrische centrale, één tramnet, één gemeentelijk bedrijf, enz.
Rotterdam heeft Delfshaven, Feijenoord, Kralingen, Katendrecht, Charlois ingepalmd ; heeft Hoek van Holland tot Rotterdam gemaakt ; ziet om naar Pernis, enz. Onverzadigbaar zijn de groote steden ! Zie maar naar Amsterdam : Sloterdijk, Watergraafsmeer, Buiksloot, enz., het bestaat eenvoudig; niet meer ; 't is alles Amsterdam geworden, Gelijk Delft een eind gemaakt heeft aan Vrijenban en Hof van Delft, zelf nu angstig kijkend naar Den Haag, veroordeelend in anderen, wat men zelf heeft verricht in vroeger dagen.
Massa-bevolking heeft men zoo gekregen in de groote steden. Eindelooze straten, vol wolkenkrabbers, van drie, ja maar ook met vier en vijf en zes verdiepingen ; met de tuindorpen nu nog als een sierlijke gordel, zoolang als het duurt; welke tuindorpen (spreekt men al niet van tuinstad ? ) althans nog in 't bezit zijn van lucht en licht, waarbij een gezin leven kan.
Moet nu die massa-bevolking tot één Kerk worden saamgeperst, met één stel leeraren, met één Kerkeraad, met één diaconale verzorging ?
Velen hebben dat als ideaal gehad en hebben het misschien nóg.
Vanwege de ééinheid van de Kerk — ziet u.
Maar natuurlijk is dat zoo onpractisch mogelijk, 't Is de dood voor de Kerk ; de dood voor allen arbeid, die van de Kerk uitgaat.
Gelukkig is het niet gereformeerd om het zoó te doen en zoó te houden.
Waarom zouden er in een reuzenstad, waarvan niemand ooit gedroomd had en waarom men vroeger ook niet „gerekend" heeft, dat 't ooit zoo zou worden — waarom zouden er in zoo'n reuzen-stad, me|| die massa-bevolking, niet meer dan één Kerk kunnen en mogen zijn ?
Ongereformeerd is dat toch zeker niet ?
Men heeft het wel gemeend. Ook echte gereformeerden zeiden het.
Meer dan één Kerkeraad in een stad, — dat mocht niet.
Maar daar raken we nu over heen.
In „de Geref. Kerken" is men met deze dingen nu druk bezig, te Amsterdam, te Utrecht, te Den Haag — en van Den Haag begint de victorie. Daar zal de stad verdeeld worden en men zal krijgen : de Geref. Kerk van Den Haag-Zuid, van Den Haag-Noord, enz.
Eigenlijk bestaat, wat men nu gaat doen, reeds.
immers : Rotterdam is burgerlijk één ; maar kerkelijk heeft men Rotterdam (Charlois) ; Rotterdam (Kralingen) ; Rotterdam (Delfshaven) enz.
Waarom zou men niet méér onderdelen kunnen maken tot zelfstandige Kerken, dan alleen de van ouds bestaande als Delfshaven, Kralingen, enz.?
Kan het niet worden : de Kerk van Rotterdam-Noord (denk ook aan de annexatie straks van Hillegersberg), Rotterdam-Midden; Rotterdam-Zuid enz. ?
In „de Geref. Kerken" zullen deze dingen wel voortgang hebben ; al zullen ook daar wel allerlei bezwaren, meest practische en historische bezwaren zijn.
Maar — en nu komen we op hetgeen we in den beginne schreven —• in de Hervormde Kerk komt weer het hinkende paard achteraan : gebrek, aan een degelijk fundament, aan een confessioneele basis ten opzichte van het kerkelijk leven
Nu is een gemeente — neem Amsterdam — van een bepaalde kleur ; zeg : Confessioneel — Kohlbruggiaansch — Christelijk-historisch — Hervormd Geref. Staatspartij......
Dat bij elkaar genomen is zoowat de totaal-kleur.
Maar nu Sloterdijk en Buiksloot ? En als men Groot-Amsterdam eens aan stukjes ging knippen, volgens natuurlijke grenzen, zou er dan niet een stukje komen, dat niet confessioneel, enz. enz. is ?
Misschien Ethisch, misschien Geref. Bond, misschien Modern, misschien — ja, wie weet wat?
En daar zit nu de moeilijkheid, dat de dingen drukt en verhindert, waar ze anders wel mogelijk zouden zijn.
Zeker ! wij weten het óók wel, dat het in een Kerk met een gefundeerden, confessioneelen grondslag — neem „de Geref. Kerken" — allerlei typen, allerlei nuanceeringen zijn, Paulus was Petrus niet, Johannes verschilde van Jacobus ; zoo ook nu. Ook in „de Geref. Kerken" is ds. A. niet precies als ds. B.; de een is meer onderwerpelijk, de ander meer voonverpelijk ; de een meer een verbondsman en de ander is meer mystiek aangelegd ; de een heeft gansch andere gaven en talenten wat prediking, huisbezoek, catechetisch onderwijs enz. aangaat. Daar zijn ook „heen en weer loopers" in de gemeenten, die met de maand veranderen of maar één dominé hebben in de stad.
Bezwaren aan de practijk ontleend; hindernissen, met een historischen achtergrond — om in den weg te staan en te bemoeilijken: Kerksplitsing in de steden.
Want dan krijgt Rotterdam-Noord die en die dominé, die daar preeken en arbeiden als in eigen gemeente en die daar wonen, moeten daar kerken, laten doopen, ter catechisatie gaan, enz. — en dan komt men met allerlei bezwaren aandragen. Ook al, omdat het bij ons, Protestanten; bizonder onder de Gereformeerden, niet zooals bij de Roomschen gaat om allerlei ceremoniën en plechtigheden, die even goed door pastoor A als door pater B kunnen worden verricht (hoewel het den Roomsche, die het ernstig neemt. Ook niet onverschillig is in welke parochie zij wonen en welken biechtvader zij hebben). Want bij ons gaat het om de levende verkondiging van Gods Woord en het onderwijs uit de Schriften, in kerk en op catechisatie, wat zoo nauw samenhangt met den persoon van den leeraar.
Maar — staat nu de Kerk op zuiver Confessioneelen grondslag — (Confessioneel natuurlijk hier niet genomen als kerkelijke richting of partij of vereeniging, maar als confessie of belijdenis) dan zijn al die bezwaren nog te ondervangen of tot een minimale beteekenis terug te brengen — juist omdat het dan om het Woord en om de Sacramenten gaat, zooals de Heere ons dat gegeven heeft. Dan moet met verstand en beleid gewerkt worden, om te bereiken, zij 't dan niet in eens, dan toch langzamerhand, wat in het waarachtig belang is van de Kerk en van de gemeente. En dan zal het ook wel gelukken.
Maar dat is nu bij ons, in de Hervormde Kerk, de grondfout: die welgefundeerde basis naar de belijdenis ontbreekt. En nu komt juist de Kerksplitsing in de groote steden dat euvel in al z'n kracht en beteekenis naar voren en maakt hetgeen goed en noodig is, zoo goed als onmogelijk.
' 't Is nu bij Wijk-indeeling al zoo moeilijk.
De Parochie-vorming wordt er door in den weg gestaan.
Maar de Kerksplitsing wordt er door onmogelijk gemaakt.
Misschien zouden er bij Kerksplitsing in A'dam niet allemaal Confessioneel — Kohlbruggiaansch getinte dominé's beroepen worden. En alles met elkaar genomen geeft soms ook nog een dominé van den Gereformeerden Bond ; gelijk er ook Ethische predikanten zijn gekomen.
Nu loopt men over en weer en kerkt dezen Zondag in de Noorder-, volgenden Zondag in de Ooster-, dan weer in de Westerkerk, enz.
Maar bij Kerksplitsing moeten de bewoners van Rotterdam-Oost kerken in de Oosterkerk, waar de dominé van Oost-Rotterdam week aan week preekt, en men moet z'n kinderen zenden naar de catechisaties die in de Oosterkerk door den leeraar van Rotterdam-Oost gehouden worden.
En als die dominé van „het Oosten" dan Ethisch of Modern was, door „de meerderheid" van de bewoners van het Oosten gekozen en door den Kerkeraad van het Oosten beroepen ?
Daar zit bij ons de zwakke plek, de rotte stee waardoor ook dit weer onmogelijk gemaakt wordt.
Wat is een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, toch ongelukkig te noemen ! En wat zijn we toch ongelukkige christenen, dat we onzen Bijbel zoo stumperig lezen, dat we nog niet eens voor onzen geest en in ons hart hebben : dat een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, te gronde gaat. Gaan moet.
Waaraan helpt men niet mee, als één man, dat de basis, de grondslag, het fundament van onze Hervormde Kerk weer meer en meer wordt: de belijdenis, die naar den Woorde Gods is.
Dat accoord van gemeenschap moeten alle Kerken ten onzent, alle Hervormde, plaatselijke Kerken weer meer en meer gaan aannemen en eerbiedigen, gelijk het naar den aard en de natuur van onze aloude Gereformeerde Kerken is, zijnde tot waarachtig heil van de Kerken, die in kerkelijk verband, als Gereformeerde Kerk van Nederland hebben samen te leven.
Dan kan ook de nood van de groote steden onder de oogen gezien worden op een wijze, zooals dat op kerkelijk terrein moet geschieden. Voor alle Kerken en voor heel het kerkelijk leven Gods Woord als regel voor leer en leven ; en dan in de groote steden Kerksplitsing, in dien zin, dat de stad naar haar natuurlijke grenzen zoo goed mogelijk verdeeld, wordt, om dan in elk stadsdeel, dat groot genoeg, niet te klein en niet te wijd uitgestrekt, een eigen Kerkeraad te formeeren, met eigen herders en leeraars ; met eigen kerkgebouw(en), eigen prediking, sacramentsbediening, catechisatie, diaconie enz.
Geen doodvechten en vernielen der Kerk door richtingsverschil, bij principiëele afwijking van Schrift en belijdenis,
Maar een terug keeren tot Gods Woord, om dan in arbeidsverdeeling door Kerksplitsing, den opbouw en den wasdom der Gemeente te bevorderen en te zoeken.
We zouden dan in de groote stad weer iets van het dorpsleven terug krijgen (hoewel 't ook waarsdiijnlijk wel weer in veel van het dorpsleven zal verschillen), dat de „eigen" dominé in z'n „eigen" gemeente woont en werkt, waar bij de predikant de gemeente en de gemeente den dominé veel beter elkander zouden kennen en veel beter aan elkaar zouden wennen.
Wanneer zal men, óók mee om de wille van de groote steden, tot de belijdenis terug keeren en zoo gaan meehelpen, dat niet voltrokken wordt aan de Hervormde Kerk, dat een huis, tegen zichzelf verdeeld, aan krachten verliest en den ondergang nabij is ?
Dat de Heere de oogen van velen nog mag openen, opdat het niet spoedig blijke, dat het te laat is, en anderen geheel de plaats van onze Hervormde Kerk, die met geweld haar aard verloochent en tegen haar natuur strijdt, hebben ingenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's