De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

GEVEN.

7 minuten leestijd

EEN EPISODE UIT GELLERTS LEVEN.

(Uit het Duitsch vertaald).

Gellert had naar hem zitten kijken en iedere zielsbeweging op zijn gelaat gelezen. Bijna onbewust zeide hij : Het zijn dertig daalders en er kleeft geen vloek aan !
— Neidhardt hoorde de woorden en een huivering doorliep hem.
ja, ja, zeide de arme vrouw, nu zegt u, het had nog wel tijd gehad, omdat u zich voor uw hardvochtigheid schaamt tegenover dezen milden, vromen man.
Weet u nog hoe u mij gisteren, toen ik u om uitstel wilde smeeken, zonder mij aan aan te hooren, wegjoeg met de woorden : Al je gejammer helpt niets ! Geld, geld moet er zijn, anders gooi ik je met al je rommel op straat, zonder je te ontzien ! Weet u 't nog ? Ik heb u niet gevloekt, mijnheer Neidhardt ; maar de God die gezegd heeft : ,,Zalig zijn de barmhartigen want hun zal barmhartigheid geschieden, " heeft mijn nood gezien. Wij hadden sedert vierentwintig uur niets gegeten en om dan met een zieke op straat gezet te worden — het was te veel ! „Met de maat waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden, " heeft de Heere Jezus gezegd ! Hoe het mij en de mijnen te moede was daarvan kunt u niets begrijpen of gevoelen. En toen ik thuis kwam bad mijn vrome man met ons, ook voor u mijnheer Neidhardt, dat God uw hart mocht bekeeren en u inplaats van een steenen een barmhartig hart geven ! —
Toen ben ik met mijn kinderen uitgegaan om houtspaanders te zoeken, daar wij geen hout hebben in deze koude en toen overviel mij het eindelooze leed met zulk een macht dat ik weer eens kon weenen. Zoo vond mij deze goede mijnheer en gaf mij de dertig daalders.
Gellert had haar tevergeefs gewenkt dat zij zwijgen zou.
Ja, ging zij voort, wenkt u maar niet dat ik zwijgen zal, ik moet het zeggen : mijn hart is er te vol van.
Nu keerde Neidhardt zich met een ruk om en zag Gellert onderzoekend aan. Deze stond verlegen en keek naar den grond.
O, ging de vrouw voort, dat heb ik wel gezien, rijk is mijnheer niet, maar rijk aan barmhartigheid ; Gods rijkste zegen kome over hem !
U hebt dat gedaan ? riep de oude man verbaasd uit. De hand des Heeren had hem gegrepen, de zegeneensch van de vrouw over Gellert hem ontroerd. Het harde hart was bewogen als nooit te voren. Hij ging naar zijn schrijftafel, nam er een papiertje uit en reikte het aan de vrouw.
Hier hebt u het briefje van uw man, maar hier ook de dertig daalders. Verpleeg uw zieke daarvoor en koop brood voor uw kinderen. Uw schuld is betaald.
Hij keerde zich om naar zijn boek, sloeg het blad op waar haar schuld geboekt stond en haalde er vlug een dikke streep door.
Toen trad hij op Gellert toe en vatte geroerd diens hand.
Voortreffelijke man, zeide hij, gij kunt niet alleen schoon en hartroerend spreken, maar nog schooner handelen. God loone het u ! Om echter het onrecht dat ik dien armen menschen aandeed eenigermate te herstellen, zoo verzoek ik u vriendelijk mij naar 't huis der arme familte te vergezellen. U zult mij nu van een anderen kant leeren kennen !
De vrouw stond als aan den grond genageld. Eindelijk kwam er leven in haar. Tranen vloeiden uit haar oogen.
O, nu zie ik toch, stamelde zij, dat het gebed des rechtvaardigen veel vermag, als het oprecht en ernstig is ! Och, mijnheer Neidhardt, vergeef u het mij, dat ik slecht van u gedacht heb ! God zegene u ! — Maar u, zeide zij tot Gellert, u bent onze goede engel welke God ons tot redding gezonden heeft; hoe zullen wij u ooit voor alles kunnen danken ?
Zij vertrokken te zamen en bereikten spoedig het vervallen huis en traden een vertrek binnen waar zij een hartverscheurend beeld van menschelijke ellende aanschouwden.
Maar als een zonnestraal na sombere dagen, zoo was de uitwerking van het verhaal zijner vrouw, op den zieken man en de kinderen. Allen strekten verheugd hunne handen naar de weldoeners uit en er kwam geen einde aan het danken. — Ziet gij, lieve vrouw, de Heere heeft ons verhoord ! Hem zij de lof ! bracht de zieke er met moeite uit.
De tranen kwamen den ouden Neidhardt in de oogen en hij kon ze niet weerhouden, zoo zeer was hij onder den indruk van de dankbaarheid der arme menschen.
Gellert sprak woorden van troost tot den zieke, welke hem verkwikten en met nieuwe hoop vervulden. Hij beloofde hem, zijn vriend den dokter te zenden en Neidhardt ondersteunde deze belofte.
Neidhardt liet het niet bij deze eerste weldaad. Hij zorgde er voor dat de oudste zoon van den schoenmaker bij een koopman in de leer kwam, betaalde het leergeld en voor de overige kinderen het schoolgeld. Huur behoefden zij nooit meer te betalen. De schoenmaker genas, dat moet ik hier vooral meedeelen en Neidhardt hielp hem weer op de been, zoodat hij mettertijd een bloeiende zaak verkreeg. De oude man was van toen af als omgekeerd en bleef Geilerts vriend en grootste bewonderaar tot aan zijn einde.
Zoo was het dus den vorigen dag gegaan en zoo was Gellert zijn dertig daalders kwijtgeraakt. Armer was hij geworden maar innerlijk verrijkt en thuis gekomen dankte hij Hem die zijn woord en werk zoo gezegend had.
Het verhaal keert nu terug naar het oogen blik waarop de kleine, dikke dokter uit Gellerts kamer trad. Op de trap ontmoette hem de dienstbode des huizes.
Wijs mij toch eens den houtvoorraad van mijnheer den professor, zeide hij.
Het meisje toonde hem een bergplaats voor hout en zeide : Het ziet er bedenkelijk mee uit, mijnheer de dokter, als er niet spoedig nieuwe aanvoer komt !
Niets aan te doen, zeide hij hoofdschuddend, maar hij moet een warme kamer hebben ! Leg maar flink wat in de kachel ! Dan spoedde hij zich huiswaarts om zijn lieve vrouw het genot te verschaffen, Gellerts lied te lezen. Maar zoo spoedig zou hij daar van daag niet toe komen. Nauwelijks was hij de straat welke naar zijn woning leidde, ingeslagen, toen een arme vrouw op hem toetrad.
Och, mijnheer de dokter, zeide hij, ik smeek u, kom u toch met mij mee naar mijn zieken man, mijnheer professor Gellert zal het u wel gezegd hebben en de oude Neidhardt wil het ook hebben dat ik u roepen zal ! Er is haast bij !
Al weer die brave Gellert, zeide de dokter tot zichzelf.
Vanwaar kent u dien ? vroeg hij aan de vrouw.
Toen vloeide haar het dankbare hart over en zij begon te vertellen.
Ga u maar mee! U kunt 't mij onderweg wel vertellen, meende de dokter terwijl hij voortliep ; echter meer dan eens bleef hij midden op straat staan en luisterde naar de woorden der vrouw die hem tot in 't diepst van zijn hart troffen.
Nu weet ik ook waar zijn geld gebleven is, riep hij uit, en waarom hij zoo arm is als een kerkmuis ! Nu begrijp ik, waarom hij in een koude kamer zit en geen hout kan koopen! Edele man, God loone het u.
Met smart bemerkte de arme vrouw nu pas hoe groot het offer was, dat Gellert haar gebracht had.
Toen zij dit uitsprak, riep echter de dokter uit : Geeft niets, hij zal wel weer gele en hout krijgen. Zoo iemand zal God niet verlaten ! Geloof u mij !

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's