De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenlking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenlking.

12 minuten leestijd

Hij hoorde het geluid dar bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem ; maar hij die zich laat waarschuwen, behoudt zijne ziel. Ezechiël 33 vers 5.

Een allergewichtigst bazuingeluid.
We hebben alzoo elkander te bepalen bij een groot voorrecht; bij een zeer schuldig miskennen, en bij een gansch zegenrijk erkennen er van.
Oudtijds was het gewoonte dat in den nacht en vooral bij vijandelijk gevaar, mannen de wacht hielden op de hooge muren en kijktorens eener stad, om terstond door het bazuingeschal de stedelingen te waarschuwen, indien ontwaard werd, dat eenig onheil de stad bedreigde. Van groote waardij was alzoo te achten 't waarschuwend bazuingeluid des wachters, waardoor toch de vijand verhinderd was in z'n listig voornemen om onverhoeds de stad aan te vallen. Zulke wachters stonden daar op hun wachtpost op koninklijk bevel, zoodat hunne waarschuwing was als in naam des konings.
Welnu, zoo had de Heere Ezechiël geroepen tot een wachter over het huis Israels en heeft Hij al Zijn gaarne getrouwe dienaren aangesteld om te zijn als wachters op Sions muren. Voorwaar, welk eene hoogst gewichtige roeping. Let slechts op Hem, die haar oplegt, 't Is niemand minder dan de Koning der koningen, ja zij zijn gezanten van Christuswege. Let tevens op de vijanden tegen welke moet worden gewaarschuwd. Die vijanden zijn vele en machtig ; noem ik slechts de drie doodsvijanden, satan, wereld en eigen booize Adamsnatuur en dat nog wel waar het den mensch gezet is te sterven en daarna het oordeel. Let ten slotte dan ook wel op het bazuingeluid zelve. Dat toch doet niets minder hooren dan eeuwig wèl of anders eeuwig wee ; ja gewaagt van die bedde en anders niet.
Maar waar dit zoo is, daar mogen we het dan ook wel een groot voorrecht noemen hetgeen in onzen tekst wordt gezegd : Mij hoorde het geluid der bazuin, 't Wil toch zeggen, dat hij hoorde het bazuingeschal van Gods Woord. En dat is immers het allergewichtigste wat kan worden gehoord. Veel komen we te hooren, wat zeer wel kan worden gemist, ja, waarvan het beter ware het niet te hebben vernomen, doch zoo is het niet gesteld niet het hooren van het bazuingeluid van Gods Woord. Dit is gansch onmisbaar. We lezen in Numeri 10, hoe het volk Israël op het geschal van twee zilveren trompetten werd bijeengeroepen op de hooge feesttijden tot Jehova's gemeenschap aan de deur van de Tent der samenkomst, maar ook in dagen van groote benauwdheid ten strijde. Welnu, zoo roept ook het bazuingeschal van Gods Woord tot Gods gemeenschap en zaligen liefdedienst, maar dan ook tevens ten strijde op. Het zegt ons wat er gekend zal moeten worden om te komen tot zaligheid, ons een antwoord gevende op deze allergewichtigste vragen : hoe zal de Heere komen tot Zijn eere en een zondaar worden gered van het eeuwig verderf ? En nu is het alleen Gods Woord dat daarop een volkomen afdoend antwoord geeft en wel op gansch getrouwe wijize. 't Vleit en bedriegt niet, maar zegt de volle waarheid, ja is de Waarheid, gewagende van vloek zoowel als van zegen, van dood zoowel als van leven. Het doet daarom vóór alles niet hooren 't liefelijk geklank des evangelies, maar de donderen der Wet. Het spreekt, o zeker, wel van een rijken Christus, maar toch eerst van een arm zondaar. Ja, vóór alles teekent het den mensch in zijn ware gestalte, in zijn diepen afval en algeheele ellende, in zijn vijandschap tegen den Heere, die driewerf heilig is, alzoo in zijn gansch verloren toestand. Luide predikt het dan ook den onverbiddelijken eisch der wedergeboorte, der waarachtige bekeering en des oprechten geloofs, zonder dewelke den mensch gewisselijk vlucht het eeuwig verderf. Zoo komt het bazuingeluid van Gods Woord den zondaar op het ernstigst waarschuwen. Maar ik vraag u, moet zulks niet als een groot voorrecht worden geacht ? Gesteld het is donkere nacht, gij en de uwen slapen, maar zie, de vijand sluipt rond om u kwaad te berokkenen, of anders, uw huis staat in brand. Zeg mij, zou het dan niet als een groote weldaad zijn te achten indien de nachtwacht door 't schel alarm u nog intijds deed opschrikken om nog te kunnen vluchten in veiligheid ? Ja, niet waar ? Welnu, zoo is het doel van het waarschuwend bazuingeluid van Gods Woord geen ander dan dit liefderijke, dat de zondaar zich haaste om zijns levens wil en nu vliede uit de stad des verderfs naar de ware vrijstad Christus.
Ik vraag u, is dat dan geen voorrecht, onuitsprekelijk groot ? Vooral als we letten op wie het zijn, die worden gewaarschuwd, moeten we het wel noemen een zeer groot voorrecht. Het zijn toch zulken, die het ten eenenmale niet waardig zijn, vijanden Gods. Het is dus uit enkel ontferming van dien God, die als de algenoegzame in Zichzelve ons niet noodig heeft. Hij laat alzoo het bazuingeluid hooren aan verbeurdhebbenden, ja aan zulken, die moedwillig Hem, de allerhoogste Majesteit, op het diepst beleedigd hebben.
En met welke vrucht is het nu wel, dat zulke onwaardigen het bazuingeschal vernemen? Is het wel met deze vrucht, dat nu allerwegen met ernst en vreugde dat geschal wordt ter harte genomen ? Helaas, neen, want van menigeen geldt het, wat we lezen in onzen tekst : Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen.
Hij hoorde dus wel, doch deed alsof hij niet had gehoord. Bij hem ontwaren we derhalve een zeer schuldig miskennen van een voorrecht, zoo groot. En ach, hoevelen zijn hierin hem gelijk. O zeker, de kerken zijn verre van leeg, waar de bazuin des Woords geen onzeker geluid doet hooren. Maar wat een hooren als niet hooren, wat een gedachteloos, wat een oneerbiedig nederzitten van niet weinigen. Wat vaak een hooren met het oog op anderen, in plaats van voor zichzelven, vooral bij ernstig vermaan en als bepaalde zonden zoo bij name worden genoemd. En na het geklank der bazuin gehoord te hebben, wat blijken dan velen vergeetachtige hoorders te zijn, zoo geheel ongelijk aan 't reine gedierte, dat zijn spijze herkauwt. Vraagt ge, hoe zulks komt ? Wel, de oorzaak er van ligt bij den mensch, zoo door en door aardschgezind, gansch onwillig en vijandig, vooral omdat Gods Woord zoo indruischt tegen de begeerte van vleesch en bloed. O de rede, de eisch van wedergeboorte en bekeering, van zalig te moeten worden uit louter genade, van een sterven om te leven, acht men veel te hard! En daarom, van nature dan miskent men het voorrecht zoo groot, en geldt het: Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen.
Maar o, wat is dat onverantwoordelijk en moet zulks inderdaad een zeer schuldig miskennen worden genoemd. We lezen dan ook in onzen tekst: zijn bloed is op hem. Zooals ge weet, komt de uitdrukking : „zijn bloed is op hem" of ook wel: „zijn bloed zal op zijn hoofd zijn", meermalen in de H. Schrift voor. Zij beteekent, dat hij zelf de schuld is van zijn bloed, dat is van zijn dood en verderf. Derhalve, wie niet het bazuingeklank van Gods Woord ter harte neemt, er geen acht op neemt, zal niet kunnen ontvlieden, maar heeft zekerlijk dood en verderf te wachten. We weten, hoe de tijdgenooten van Noach, niet luisterende naar de waarschuwing van dezen prediker der gerechtigheid, niet behouden werden in de ark, maar omkwamen in den zondvloed. Op 's Heeren tijd hield die boetprediking op ; toen kwam het oordeel en was het te laat. Welnu, zoo zal het gaan met allen die ten einde toe zich verzetten tegen de waarschuwingen des Heeren. De Heere toch stelt ons verantwoordelijk voor elk door Hem ons toebetrouwd pand. Hoe zwaarder 't pand des te zwaarder ook de verantwoordelijkheid. Och, dat de onbekeerde zulks wel moge bedenken. Eenmaal zal ook door hem een ander bazuingeschal dan dat des evangelies worden vernomen, namelijk als vervuld wordt wat we lezen in 1 Thess. 4 vers 16 : „Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des Archangels en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel." O, welk een dag van verschrikking zal dat wezen voor al de vijanden des Heeren, niet alleen voor de openlijke, maar ook voor de verborgene, ja, ook voor al die lauwen en die bijna-christenen, die wel nog een wijle wilden hooren met het uitwendig oor, maar niet ten einde toe met een heilbegeerig hart. Dan is het te laat en zal tevergeefs zijn het gekerm : Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons. Ja, dan treedt in volle vervulling het ontzettende woord : „zijn bloed is op hem."
Hoe vreeselijk, niet waar ? En dat toch rechtvaardiglijk. Immers dan zal niet kunnen worden gezegd ter verontschuldiging : „Heere, ik heb den weg niet geweten ; ik werd nimmer gewaarschuwd."
Ongetwijfeld, het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan wie daar leefden onder het bazuingeschal des evangelies, zonder 't aan te nemen.
Hoe geheel anders daarentegen is 't met hen, die 't wel komen aan te nemen. Wij toch lezen : „die zich laat waarschuwen, behoudt
zijne ziel."
„Die zich laat waarschuwen". O, ge begrijpt, niet waar, wat dit zeggen wil ?
Het beteekent niets minder dan dit, dat men de Waarheid, hoe hard die ook klinken moge, aanneemt, niet als eens menschen woord, maar wat het waarlijk is, als Gods Woord. Dan geeft men niet slechts toe het billijke van den eisch der waarachtige bekeering, maar gevoelt ook in zijn hart de noodzakelijkheid er van voor zichzelf, uitroepende : „Heere, bekeer Gij mij", 't Is alsdan geen hooren meer met het oog op anderen, maar voor zichzelf, voor het eigen hart, gelijk eene Lydia eenmaal. Als dan de zondaar geteekend wordt in zijn aigeheelen val en in de diepte zijner ellende, dan zegt hij met smarte : „die zondaar, die ellendeling ben ik, de prediker schildert mij." En wanneer dan tevens wordt gepredikt dat de Heere is een heilig en rechtvaardig God, een wreker, zeer grimmig, dan zucht hij : „wee mij, ik verga".
Maar als hem dan daarna de Heere Jezus wordt voorgesteld in Zijne dierbaarheid en onmisbaarheid en Zijn vleesch waarlijk spijze is en Zijn bloed waarlijk drank, hoe is dan zijn beeld in geestelijken zi dat van den armen man, die daar als een bedelaar nederzat aan de poorte des rijken, zeer begeerig zijnde naar de kruimkens. Ongetwijfeld, dan is er een hongeren naar Christus Zelve en naar Zijne gerechtigheid en is er alzoo een zich laten waarschuwen, een erkennen van het groote voorrecht, dat hij het bazuingeschal hooren mocht. En zie, dan zal hij op 's Heeren tijd blijde ervaren, dat zulk een erkennen gansch zegenrijk is.
Ons tekstwoord zegt dan ook van zulk een : „die zich laat waarschuwen, behoudt zijne ziel".
Hoe heerlijk, niet waar! Immers ziel behouden, al behouden.
De Psalmdichter roept er over uit: „Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent." En gewis, dat volk is inderdaad een welgelukzalig volk. Wat kan dat volk hier reeds genieten als het zoo mag nederzitten onder het geklank van Gods Woord of het zelve mag lezen in stil gepeins. Hoe kan het dan wel eens 't Woord Gods als drukken aan 't hart, uitroepende: dierbaar Godsgeschenk, kostelijk kleinood ! Hoe kan het hun zijn tot heerlijke zielespijs op hunne pelgrimsreize, zoodat ze betuigen : „Wij koopen de Waanheid." En het allerschoonste er van is dit : het einde der reize zal wezen storelooze zaligheid. Wel mag het dan ook heeten : „die zich laat waarschuwen, behoudt zijne ziel." Niet is dit zóó op te vatten, alsof behoudenis der ziel zou zijn verdiend vanwege het zich laten waarschuwen. O neen, dat zij zeer verre. De behouder is Christus, de werkmeester des geloofs is de Heilige Geest en God de Vader is de groote ontfermer. Daarom zal ook ieder kind Gods roemen in den Heere alleen, wetende, dat ook nog zelfs dat zich laten waarschuwen is een genadedaad des Heeren door den Heiligen Geest, die het oor kwam te doorboren en het harte te openen.
En waar dit zoo is, daar is het zoo noodzakelijk dat maar veel de bede zij, zoo vaak Gods Woord wordt verkondigd en gelezen : „Och, sohonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest". Dat we toch den zegen niet verwachten van het middel als zoodanig, dat is van het gepredikte Woord, en ook niet van den pre­diker, die toch ook zelve moet leven van hetgeen den Heere behaagt hem te geven, maar van den Heere alleen.
Niemand, die daar mag leven onder het geklank van Gods Woord, kan zeggen dat de Heere hem nooit heeft gewaarschuwd.
Ook van u, waarde lezer, mag gezegd worden, niet waar : „en hij hoorde het geluid der bazuin". Ge hoordet het wellicht op velerlei wijze. En nu denk ik niet alleen aan de zoo ernstige waarschuwingen als van ouders, leeraars en onderwijzers, maar ook aan de
smarten des levens, die u troffen zooals aan het sterven uwer dierbaren.
Maar nu een vraag : wat heeft dat alles in u gewrocht ? Was het wel met deze vrucht, dat ge u liet waarschuwen ? Weet 't wel, hoe het gewijde Psalmlied niet luidt: Hoe zalig is het volk, dat Gods klanken hoort, maar wèl: „dat naar GOds klanken hoort", dat is : ze laat doorklinken tot in het diepst zijner ziel. Doch dit zeg ik niet, om een heilzoekende af te schrikken, dat zij verre. O, ik weet, hoe het juist den bekommerde zoo eigen is, om te luisteren en wel met vreeze en beving naar ons eerste tekstgedeelte, dat zegt: „zijn bloed is op hem". Maar Gode zij dank, voor zulk een geldt juist dat laatste : „maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijne ziel".
Daarom, heilbegeerige, houd moed. De Heere kent uw verlangen en zuchten ; Hij let er op en zal niet verstooten, wie Hem nederig valt te voet met de bede uit 's harten diepsten grond : „Och Heer', och wierd mijn ziel door U gered." Eens zal het wezen : „Toen hoorde God."
Misschien, waarde lezer, is het reeds bij u tot die blijdschap gekomen. O, zoo dat door genade zoo zijn mag, wat hebt ge dan rijke stof om te roemen in den Heere uwen God.
Och, dat er dan ook geen stilzwijgen bij u zij, maar geopend mogen zijn uwe lippen orn — hoe zwak en gebrekkig dan ook — uwe naasten als medereizigers naar de eeuwigheid te vermanen. Ja, daar geve de Heere dat ook gij nog mocht zijn als een middel in Zijne hand anderen te waarschuwen en te wijzen op den eenigen weg ter behoudenis ; mocht het zijn u en anderen ten zegen, maar bovenal den Heere tot verheerlijking. Amen.

Elburg

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenlking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's