De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing

6 minuten leestijd

27 Niet genegen tot den wijn, geen smijter. geen vuil-gewin-zoeker ; maar bescheiden, geen vechter, niet geld-gierig. Die zijn eigen huis wel negeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid; ("Want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen ? ) 1 Timotheus 3 vers 3, 4 en 5.

1 Timotheüs.
Niet geldgierig. Elders schrijft de Apostel in dezen brief ook nog over de geldgierigheid. Hij noemt haar een zonde, waaruit alle kwaad kan voortkomen. De geldgierigheid, zegt hij, is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken. Ook een ambtsdrager mag niet geldgierig zijn. Dan valt ook hij in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schandelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang. De geldzucht heeft zeer veel ongelukkigen onder de aarde begraven. Een opziener moet een goed voorbeeld geven, en nu is de geldgierigheid een kwaad, dat anderen zeer spoedig in 't oog valt. Dit is zeer opmerkelijk. Alle andere zondige driften zoeken zich nog te verbergen voor de wereld ; die zoeken vaak de eenzaamheid en den nacht. Maar wat de gierigheid betreft, de vrek houdt haar voor niemand verborgen dan voor zichzelf. Zichzelf maakt hij wijs dat hij de deugd der zuinigheid betracht, maar er is niemand, die het gelooft dan hij zelf, terwijl hij waant om zijn ingetogenheid en spaarzaamheid den lof van anderen te verdienen. En toch toont hij zijn gierigheid alom. Zij ademt uit zijn woorden, uit zijn werken, uit zijn gansche gedrag. De psalmist heeft er om gebeden, dat gierigheid hem in haar strik niet vangen mocht. Laat dit ook de bede zijn van een ieder die te arbeiden heeft in den wijngaard des Heeren. Waar toch de gierigheid woekert, lijdt de geest gebrek. Een vrek deinst ten slotte voor niets terug. Hij gebruikt het heiligste om aan zijn geldzucht te voldoen. Het geld maakt hem hard, ongevoelig, zonder medelijden. De geldzucht bracht er Judas toe den Heiland te verraden. Een afschrikwekkend voorbeeld om ons te zeggen waartoe een, die een vooraanstaande plaats inneemt, komen kan. Een verraad door een kus. De gelddorst verleidde Judas daartoe. Dat is het afschuwelijke van de zonde ! Verraad door uiterlijke liefdebetooning ! Zoo kan een prediker, onder de mooiste woorden en geestdriftige taal, tintelend van liefde voor den Heere, in zijn hart toch verraad aan den Heere plegen. En ais hij dan als een geld-gierige bekend staat, kan hij zich van een Judas-gestalte niet vrijwaren. En zoo is het ook met een ouderling, die zijn knecht een karig loon geeft en het huisgezin van zijn arbeiders in kommer en gebrek laat leven en toch met troostelijke woorden voor het zieleheil van anderen iets wil zijn. Als hij dan bij zijn arbeider komt, zal deze wel in stilte zeggen: ik wilde, dat God zijn hart meer tot liefdadigheid neigde. Waarlijk, de gelddorst maakt den opziener hard en verhardt ook den bodem, waarin hij arbeiden wil.
Een priester in zijn huis. Als wij de bovenstaande woorden hierover lezen, moeten wij niet meenen dat het hier nu gaat over de kinderen van den ambtsdrager. Niet een deugd van de kinderen wordt hier genoemd, maar wèl weer een van den opziener. Daarop valle tenminste weer alle nadruk. De gehoorzaamheid der kinderen is eene afgeleide, een tweede zaak. Een ambtsdrager moet zijn eigen huis goed weten te regeeren. Hiervan is natuurlijk bij de Roomsche Kerk geen sprake. Daar heeft de priester geen huis. Het gedwongen ongehuwde leven van den geestelijke is daarvan oorzaak. Maar daaraan ligt nog een heel wat diepere Roomsche beschouwing ten grondslag. De priester is daar alleen priester in de kerk. Of liever, van uit de kerk wordt zijn priesterschap afgeleid. De geestelijkheid vormt daar een bijzonderen stand. Zij, de priesters, rijzen volgens het Roomsche ambts-idee hoog uit boven de gewone menschen. Ik zou hier over wel gaarne groote stukken willen overschrijven uit het „Hoog-Kerkelijk Protestantisme" van dr. Haitjema. Maar dan zou deze bijbellezing haar eenvoudig karakter wel wat verliezen. Alleen dit wil ik zeggen: de Roomsche kerkbeschouwing laat eenvoudig niet toe dat een ambtsdrager priester in zijn huis is, in de allereerste plaats. Paulus schrijft hier maar rondweg : een ambtsdrager moet priester in zijn huis zijn. Anders kan hij het ook niet goed in de kerk zijn ! Nu zit hier natuurlijk nog wel veel aan verbonden dat samengaat met de protestantsche opvatting van het ambt aller geloovigen. Lees ik in het bovengenoemde werk van de oude Quakers in Engeland, dan willen zij alleen maar weten van het ambt der geloovigen, maar van de ambten in de kerk keeren zij zich geheel en al af. Precies recht tegenovergesteld aan de Roomsche Kerk. Bij hen is de geloovige vader alleen maar priester in zijn huis. Verder gaat het niet. Ambten der Kerk kennen zij niet. De Gereformeerde beschouwing houdt hier, naar Gods Woord het reine midden. Het kerkelijke ambt vloeit voort uit het ambt der geloovigen. Zondige menschen, die in Christus gelooven, wil God tot Zijn dienst gebruiken. Christus Zelf roept hen tot het ambt. Hij is het Hoofd der Kerk. Hij doet het door de wettige verkiezing der Kerk. Zooals wij vroeger wel omschreven hebben. Maar Hij verkiest gewone menschen, die in Hem gelooven, en die daardoor de zalving des Geestes hebben. Een ambtsdrager moet een geloovige zijn. Vergeet dit nooit. Een priester voor God. En daarom ook een priester in zijn huis. Als zoodanig moet hij zijn kinderen in onderdanigheid weten te houden. Ook daaruit zal zijn geschiktheid blijken voor het kerkelijke ambt. Het voorbeeld van Eli, den Hoogepriester van het Oude Verbond, is een waarschuwend voorbeeld. De geloovige Eli, die dus wel Driester voor God was, heeft het priesterschap in zijn huis treurig verwaarloosd. Hij bestrafte zijn zonen niet. Hij regeerde zijn huis niet. Hoeveel ellende is daaruit niet voortgevloeid voor heel het volk Israël ? Een ambtsdrager, die zijn huis niet weet te regeeren, kan veel ellende brengen over heel de gemeente. Hij die het kwaad niet in zijn huis bestraft, zal het dan ook niet kunnen doen buiten zijn huis. Hij mist de geschiktheid. En als hij het zou doen, zal hij om 'm eigen huis tot verantwoording geroepen worden. Een ambtsdrager moet zijn eigen huis regeeren, met alle stemmigheid. D.w.z. niet door geweld, of door den vloed van woorden. Neen, maar wel doordat er van zijn geloof in Christus en Zijn Woord onwillekeurig gezag uitgaat. Een geloovige, ook in zijn huis. Een priester onder de zijnen. Een gebeds-man voor den troon der genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's