De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

18 minuten leestijd

De Gezangen-kwestie.
Wij willen 't niet hebben over het al of niet wenschelijke voor de Nieuw-Testamentische Gemeente om naast en met de Psalmen ook een Nieuw-Testamentisch lied te zingen.
Wij voor ons kunnen het best begrijpen dat telkens de vraag gedaan wordt : mag en moet de Gemeente des Lams, gekocht door Zijn bloed, niet een lied des Lams zingen, als men samenkomt in den dienst des Woords en der Sacramenten, die beide wijzen op de eenige en volmaakte offerande, aan het kruis geschied ?
Mag en moet de Gemeente des kruises niet zingen van dat kruis ?
Die vraag is er en die vraag blijft er, voor het huisgezin, voor de school, voor de vereeniging, maar ook voor de Kerk.
Mag en moet men niet saam zingen het lied des geloofs van Luther : Een vaste burcht is onze God ?
Mag dat niet in onze woonkamer? Mag dat niet in onze scholen ?
Natuurlijk mag dat; en ieder onzer schaamt zich niet, om met vrouw en kinderen aan te heffen : „Wij loven U, o God ! wij prijzen uwen naam !"
Dat is ook op den brandstapel gezongen, nu juist 400 jaar geleden ; zouden wij het dan niet mogen overnemen ?
Hiermee is evenwel de kwestie van al of niet gezangen zingen in de Kerk, in Gods huis, niet opgelost.
Verzen, liederen, die wij in onze huiskamer, in onze scholen zingen, zingen we daarom nog niet bij den dienst des Woords en der Sacramenten, in Gods huis, waar de Gemeente des Heeren samenkomt.
Toch komt ook daar, bij jongeren en ouderen, de vraag telkens terug : mag en moet, waar de Heere in deze laatste dagen tot ons gesproken heeft door den Zoon; voor dien Christus niet oprijzen het lied der Nieuw-Testamentische Gemeente, welke op die groote zaligheid wenscht acht te geven ?
Zou de ziele van Gods kind, bij Woord en Sacrament — denk b.v. aan de lijdensweken — niet begeeren om in Gods huis saam te zingen : „Jezus ! Uw verzoenend sterven blijft het rustpunt van ons hart. Als wij alles, alles derven, blijft Uw liefd' ons bij in smart. Och ! wanneer mijn oog eens breekt, 't angstig doodzweet van mij leekt, dat Uw bloed mijn hoop dan wekke en mijn schuld voor God bedekke".
Die in doodsnood geweest is en het heeft mogen ervaren, dat de hope vernieuwd is, door een blik op het kruis en het bevestigd worden in het geloof, dat in Christus' gerechtigheid al onze troost is, zal dit niet zoo vreemd vinden.
In de adventsweken zingen we gaarne saam : „Lof zij den God van Israël, den Heer, die aan Zijn erfvolk dacht, en, door Zijn liefderijk bestel, verlossing heeft te weeg gebracht".
Uit de vervulling van Gods beloften te leven en daaruit te mogen zingen, is wel heerlijk.
En voor ons staat het vast, dat de N. Testamentische Gemeente, welke zeer naar waarheld zegt : „niets dan Gods Woord in Gods huis", om in en door dat Woord te hooren wat de Geest tot de Gemeenten zegt (Openb. 3 : 22), —dat de Gemeente van Christus hier op aarde ook uit dat volle Woord, uit dat Woord in z'n geheel genomen, heeft te zingen, eere brengend den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest.
Neen — wordt niet dronken van wijn, waarin overdaad is ; schrijft Paulus aan de Gemeente van Efeze (5 : 18) ; maar, zoo vervolgt hij, wordt vervuld met den Geest, sprekende onder elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart, dankende altijd over alle dingen God en den Vader in 'den naam onzes Heeren Jezus Christus.
In dien weg heeft de Gemeente van Christus te wandelen.
Of zooals Paulus aan de Colossenzen schrijft: Het Woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid ; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart" (3 : 16).
Die nu hier naar den onder ons gangbaren Gezangen-bundel grijpt en meent, dat hiermee de kwestie opgelost is, die voelt de dingen niet heel fijn aan en bewijst, dat niet Wel verstaan wordt wat in deze overeenkomstig Woord en Belijdenis is ; ook niet onderscheidend dan, wat naar gereformeerd' Kerkrecht geoorloofd en niet geoorloofd is.
Want ja, men heeft in 1803—1807 wel gezegd, dat men „geene andere gezangen wilde geven, dan die met de belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk uitgedrukt in hare formulieren, overeenkomen" (zie het Voorbericht van het Gezangenboek) ; en men sprak het uit, dat deze gehangen „om de zuiverheid der leer, midden in den stroom van velerlei gevaarlijke nieuwigheden te vertrouwen waren" — maar die meer dan oppervlakkig kennis neemt van de z.g.n. Evangelische gezangen, die zal moeten erkennen, dat de geest van de algemeene verzoening en van de vleeschelijke heiligmaking overal doorheen gaat en het alzoo niet als een valsche beschuldiging maar mag worden opzij gezet, als het Gereformeerde volk spreekt van Remonstrantsche liederen, in dagen van groot verval, aan onze Nederduitsche Hervormde Gemeenten in ons vaderland met geweld opgelegd.
En het typeert niet weinigen, wanneer zij blijk geven het klassieke Psalmvers niet meer te kennen noch het te begeeren, terwijl de Gezangen het een en het al zijn geworden.
Wie bijvoorbeeld het boekje van ds. Huet over de Gezangen leest — waarlijk toch geen vijand van een geestelijk lied — zal gesterkt worden in de gedachte, dat men, op Bijbelsch standpunt staande, zéér, zéér Voorzichtig met menig gezang moet zijn.
En dan gaat men de Gereformeerden, die geen gezangen zingen, verwijten, dat men Christus' eere te kort doet, door.... een Psalm te kiezen boven een gezang ! Dan worden de Psalmzingers „Joden" gescholden, door degenen, die van de Waarheid afdoen door hun Remonstrantsche leeringen.
Hoewel wij zelf in Lodensteyns geest absoluut geen bezwaar hebben met Gods kinderen te zingen : Hoog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet; 't ware leven, lieven, loven is maar daar men Jezus ziet. Wat men hoor' of zie op aard, is ons kost'lijk hart niet waard : wil men leven, lieven, loven, hoog omhoog het hart naar boven ! (Gez. 43) — zoo weten wij zéér wel, dat men de liederen van godzalige mannen niet zelden tusschen verderfelijke, Remonstrantsche liederen heeft ingevlochten in den gezangenbundel, waarom wij liever ons Psalmboek opslaan en zingen : „Wien heb ik nevens U omhoog ; wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten ; niets is er daar ik in kan rusten" (Ps. 73). En wil men ons dan, met de Remonstrantsche liederen in de hand uitlachen en uitschelden en ons buiten de christelijke gemeenschap sluiten, welnu, dan denken wij daar 't onze van en zingen intusschen : „Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart, of bangen nood mijn vleesch en hart, zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed !"
Wij zullen allerminst een steen opnemen, om iemand, die naar de behoefte zijns harten een gezang zingt.
Maar de zaak waarom het hier bij de z.g.n. gezangenkwestie gaat, ligt dieper ; geestelijk, theologisch, kerkrechtelijk dieper dan menigeen het niet weinig lichtvaardig wil voorgeven.
En wat wij nog wel eens willen uitspreken te midden van alles wat in de 19de eeuw over onze Hervormde Kerk is heengegaan, dat is dit : dat er ontzaglijk veel gezangen-zingers geweest zijn, die een gloeienden haat kenden tegen de Gereformeerde Waarheid en het Gereformeerde volk — terwijl het eenvoudige Gereformeerde volk in en nu buiten onze Hervormde Kerk in en door hun weigering om gezangen te zingen, groote liefde hebben geopenbaard voor Christus en Zijn Woord, dan opgevoed bij de klassieke, heerlijke Psalmen, mee nog als een dam te mogen dienen tegen allerlei leugenleer, in prediking en lied onder ons volk verspreid.
Ons Gereformeerde volk voelt dikwijls nog aan wat waarheid en leugen is.
En vooral wanneer men hen dan wil dwingen om in wegen te gaan, die van Gods Woord verschillen en Gods Waarheid te na komen — dan is ons Gereformeerde volk gewoonlijk niet zoo heel gemakkelijk en weten zij smaad en hoon te verduren, om voor Gods Waarheid uit te komen.
Dat er dan ook veelszins nog een dam is opgeworpen tegen heele en halve leugens in de Kerk, is mee aan dat Gereformeerde volk te danken, daar helaas ! alom allerlei veel te gemakkelijk geslikt wordt door jong en oud.
Natuurlijk is nu met dit al de kwestie waarom het eigenlijk moet gaan in het midden van de Nieuw-Testamentische Gemeente, levend bij het volle Woord, niet opgelost, wat het al of niet zingen van een Nieuw-Testamentisch lied betreft.
Maar laat men intusschen dan maar niet vast komen aandragen met allerlei, dat niet met het Woord strookt ; vooral niet, als men daarbij minachtend z'n schouders optrekt voor ons Psalmboek en klein en groot wil gaan dwingen om gezangen te zingen.
Want dat is natuurlijk 't paard achter den wagen en men bereikt het omgekeerde van hetgeen men zich voorstelt. Hoe wij er toe kwamen om nog weer eens even deze kwestie aan te roeren ? Door een oud, vergeeld placcaat, gevomden in het Kerkeraadsarchief te Oosterhaule (Fr.) door den plaatseiijken predikant ds. Quittart, die er ons een en ander van vertelt in het „Herv. Zondagsblad" voor Friesland.
Wij laten hier volgen wat ds. Q. in dat weekblad schrijft :
„Vóór mij ligt een stuk uit het Kerkeraadsarchief van Oosterhaule, dat bewijst, hoezeer de kerkelijke en wereldlijke overheid er op uit is geweest om den tegenstand tegen de gezangen met middelen van geweld te breken ; hetgeen te betreuren valt en waarvan wij misschien nu nog de wrange vruchten plukken.
Het bovengenoemde stuk is een Synodaal Besluit van de Synode van Friesland, vergaderd te Harlingen, den 19dJen Juli 1808, en volgende dagen. Dit besluit is in den vorm van een groot plakkaat verschenen te Franeker bij D. Romar, boekverkooper, en geteekend door W. G. Reddinigius, deputatorum scriba.
De Synode had tot haar leedwezen vernomen, dat er in sommige gemeenten menschen gevonden werden die op allerlei wijzen het godsdienstig gebruik der Evangelische Gezangen, bij opvolgende besluiten der Synodale vergaderingen in 1806 en 1807 te Bolsward en Franeker gehouden, vastgesteld, zochten tegen te werken, nutteloos en onstichtelijk te maken en m.enigwerf voort voeren „in hun verdwaasde en onvrome vooringenomeiiheiid en drift tot het aanrichten en bewerken van verwarring, openbare wanorde en verstoring van het godsdienstig gezang".
De Synode achtte het zioh „den heiligsten plicht" al deze verkeerdheden op het nadrukkelijkst tegen te gaan en besloot diensvolgens, naar aanleiding van het „quaeritur" der classes Bolsward en Workum tot maatregelen die in niet minder dan twaalf punten zijn vervat. Het voornaamste daarvan déelen we hier mede.
Alle predikanten waren verplicht om bij elke openbare godsdienstoefening (openbare catechisatiën daaronder begrepen) ten minste éénmaal uit de Evangelische Gezangen te laten zingen, zonder daarin onder eenigerlei voorwendsel in gebreke te blijven en zonder altoos 't zelfde Gezang of vers te laten zingen.
De predikanten moesten niet alleen in eiken dienst één Gezangvers minstens, en niet steeds hetzelfde laten zingen ; zij waren ook gehouden om dat vers „zelf, duidelijk, onderscheiden en op een gepaste wijze aan de gemeente voor te lezen".
Ook mochten zij bij het aflezen van dat vers niet aangeven op welke psalmwijze het kon gezongen woirden, want dan waren er in de gemeente, die dan dien Psalm aanhieven, in plaats van het Gezang.
Zij mochten ook, „door geenerlei teekenen, als door het medezingen der Psalmen, en niet medezingen der Liederen, of het terzijde leggen van het Gezangboek gedurende het zingen, of andere, hetzij hoor hetzij zichtbare gezegden of gebaarden, van welk een aard ook, hunne afkeerigheid en tegenzin van de Evangelische Gezangen te kennen geven".
Verder moesten de predikanten „nauwkeurig opletten of er ook onder hunne toehoorders zijn, die onder het zingen dier Evangelische Gezangen een ander Gezang of Psalm, op dezelfde of op een andere wijze gaande, zingen". Als zij dit hoorden of gewaar werden, moesten zij dezulken ernstig vermanen om het na te laten, en alle stoornis en verwarring, door gedruisch maken of anderszins verwekt, op gelijke wijze ernstig te keer gaan.
De predikanten moesten degenen, die aan zulk een vermaning geen gehoor gaven, en voortgingen bij herhaling verwarring te stichten, aanbrengen „als moedwillige perturbateurs van den Openbaren Eeredienst, bij de Qerechten, onder welke - die gemeenten - of personen ressorteeren". En zoo zij de personen niet kenden, moesten zij evenwel van 't feit kennis geven, met aanwijzing, zoo mogelijk, van zulke personen, die in dezen met genoegzame kennis getuigenis der waarheid konden geven.
Wanneer een predikant op eenigerlei wijze met deze bepalingen de hand lichtte, werd hij deswege voor de classes aansprakelijk en censurabel.
Ook de kerkeraadsleden waren, op straffe van censuur, verplicht, den predikant in dezen bij te staan. „Daar de kerkeraden verplicht zijn, voor de goede orde in de gemeente, en tegen alle verstoring, van den godsdienst te waken, en de hand te houden aan de uitvoering dier kerkelijke wetten en orde, — zoo zal niemand tot lid van den kerkeraad mogen worden verkozen, die als een tegenwerker en tegenstrever van 't gebruik der Evangelische Gezangen bekend staat, en worden zoodanige keuzen, voortaan geschiedende, nietig verklaard, en den predikanten verboden dezulken in den dienst te bevestigen".
Gij ziet, de Synode deinsde niet voor krasse maatregelen terug, en ze deed haar werk niet ten halve. Immers, behalve de ambtsdragers betrok ze alle gemeenteledien in deze zaak, met deze bepaling : „'t. Zal elk toehoorder vrijstaan, van de overtredingen, van alle voorgaande artikelen, en van alle stoornissen van het godsdienstig gezang kennis te geven, waar zulks behoort, en de natuur der overtredingen vordert; mits in allen gevalle hunne berichten en klachten met ee duidelijke verklaringen van twee vallabele getuigen stavende".
Ten slotte werden de respectieve classes „op het nadrukkelijkst gelast" om aan de uitvoering van dit Besluit de hand te houden „tegen alle overtredingen en clusies te waken, zonder daaromtrent eenige slapheid, oogluikend of commiteratie (medelijden) te gebruiken" Mochten de classes in dezen nalatig worden bevonden, dan zouden ze door de Synode „deswegens openlijk gecorrigeerd worden".
Het Besluit moest worden gedrukt en aan de predikanten gezonden. Zij, in wier gemeenten moeilijkheden bestonden op dit stuk, moesten bet Besluit ter kennis van hun kerkeraad brengen en zoo noodig het aanplakken in de kerk, of in geval van Combinatiën in de kerk, waar de predikant woonde „op een plaats, waar het zicht-en leesbaar is".
Predikanten, in wier gemeenten geen moeilijkheden ten opzichte van de Gezangen zich voordeden, kregen vrijheid om het Besluit „vooreerst tot hun eigen naricht te bewaren". Verder moesten de Burgemeesters, Baljuwen en Gerechten er een exemplaar van ontvangen".

Tot zóóver het extract uit het oude Kerkeraadsstuk.
Voorbeeld van ijver en getrouwheid bij Synode en Classis !
En heerlijk, dat ook zelfs Burgemeesters, Baljuwen enGQerechten konden worden opgeroepen hier mee te helpen, dat in Gods Kerk — allerlei dwaasheid werd uitgehaald !
Bepaald om er naar terug te verlangen, dat de Overheid, de Lands-èn de Stedelijke Overheid, weer tot Opperbisschop wordt gepromoveerd !
De Gereformeerden kunnen dan op een billijke behandeling rekenen, dat verzekeren wij u !
En wat is nu de vrucht van dat alles ? Dat in tal van gemeenten het „gezangen-zingen" van de baan is. In kerken en evangelisaties is het uit er mee.
Intusschen kankert deze zaak echter nog steeds voort in het midden van onze Hervormde Kerk, veel schade berokkenend, omdat men veelszins de bezwaren van de niet-gezangenzingers maar niet kan en niet wil verstaan.
Dat ook over déze dingen nog eens, rondom Gods Woord, in den kerkelijken weg mag worden gesproken, om eindelijk eens, tot een goede en gewenschte oplossing te komen. En dat intusschen allen die Gereformeerd voelen en Gereformeerd zijn zich eens mochten concentreeren rondom het middelpunt : Gods Woord !

in de harington.
Dat hebben we wat dikwijls hooren zingen : „alle socialen in de harington". Zelf hebben we het waarschijnlijk ook wel mee gezongen als jongen, met andere jongens, op straat. Evengoed als : „Domela moet zakjes plakken, hi, ha, ho !"
De socialen in de harington.
Domela Nieuwenhuis in de gevangenis.
Toen we een kind waren, spraken we als een kind, zongen we als een kind. Maar nu hebben we een eerwaardig grijsaard ook weer zooiets hooren zingen ; al was het dan een klein beetje anders.
En als een grijsaard gaat zingen als een kind — nu, dat klonk voor ons wat vreemd in dit geval en wij vragen ons af: hoe kan een wijs man zooiets doen ?
De zaak waar we op doelen, is deze. In Amsterdam is het Eucharistisch Congres van de Roomschen geweest. Daar zijn ze op de straatsteenen gevallen voor Kardinaal van Rossum. En alle couranten hebben er breed verslag van gegeven en waren het ten slotte hierin aardig eens, dat het op de Protestanten weinig of geen indruk gemaakt heeft, 't Is gekomen en gegaan en heel veel zal er niet van achtergebleven zijn. Zelfs de vurigste kampvechters van „Protestantsch Nederland" waren en zijn van hetzelfde gevoelen.
Toch is en blijft het een gebeurtenis, waar we allen bij ibepaald zijn geworden ; mee door de breede verslagen en de kiekjes, die in de couranten onder ieders neus werden gelegd.
Ook ds. Lingbeek, oud-Amsterdammer, nu als Herv. predikant wonend in Reitsum (Fr.) en onder ons bekend als de redacteur van „de Geref. Kerk", is met deze zaak bezig geweest. En schreef een meditatie haar aanleiding van Ps. 81 : 14 : „Och, dat Israël in mijne wegen gewandeld hadde".
In die Stichtelijke Overdenking komen dan deze passages voor :
„In ons stille dorpje gaan onze gedachten onwillekeurig terug naar de dagen van onze jeugd. Toen vierden wij het feest hoe driehonderd jaren geleden Amsterdam de Spaansche zijde had verlaten en een Geuzenstad was geworden. En hoewel toen nog maar een knaap van tien jaren, met wat belangstelling luisterden wij, en, hoe klopte ons jeugdige geuzenhart, als de dominé op den preekstoel er van verhaalde, hoe dat in die dagen was toegegaan. Ook hoe Amsterdam toen zijn Roomsche geestelijken was kwijtgeraakt.
Een zolderschuit had in het Damrak klaar gelegen, vlak bij den Dam.
Op die zolderschuit had men toen al de Roomsche geestelijken, vooral de monniken, bijeengepakt.
En toen ze daar allen bijéén waren, als haringen in de ton en bevend als een riet, toen was de schuit met een boomstok in beweging gebracht. En onder luide hoera's waren ze de stad uitgevoerd en gebracht naar een weiland buiten de stadsgerechtigheden. Vanwaar ze zelf een goed heenkomen konden zoeken."
De Roomschen dus „als haringen in de ton."
Dat gaat aan den geest van ds. Lingbeek voorbij.
En het schijnt ds. L. tot innige vreugd te zijn, dat men in 1578 zóó gedaan heeft — en dat men in 1924 zoo héél, héél anders heeft gedaan, grieft hem.
Want hij herhaalt nog eens : „Op een zolderschuit waren in 1578 de heeren de stad uitgevoerd" en ..nu, in 1924 kwam het Eucharistisch congres in Amsterdam.
Wij kunnen ons de meditatie vol droefheid bij ds. L. wel indenken.
Maar bedoelt hij nu wezenlijk, dat hij van die daad van 1578, toen alle Roomschen van Amsterdam, cds haringen in de ton, in een zolderschuit weggebracht werden, als vrucht verwacht had dat er geen Roomschen ooit meer in Amsterdam zouden terug komen?
En bedoelt hij, nu er toch weer Roomschen in Amsterdam zijn, dat men in 1924 weer had moeten doen, wat, men in 1578 gedaan heeft?
Moet daarbij dan het Schriftwoord komen : „Och, dat Israël in mijne wegen gewandeld hadde" ?
't Spijt ons, dat men bewust of onbewust 't in deze richting wil gaan sturen. Ds. Gravemeijer en z'n geestverwanten gaan in de richting „om een Utrechtschen kei te gooien door liet Tooropkerkraam". (Applaus).
Ds. Lingbeek denkt met heilig heimwee aan de goede oude dagen, dat men „alle Roomschen in een-harington" deed. (Teekenen van instemming).
Dat men ons volk ook maar in de verte op deze dingen wijst, bewust of onbewust, bewijst dat de geschiedenis van jaren en eeuwen niets geleerd heeft en wij houden ons hart vast, als ménschen die „een Utrechtschen kei door 't Toorop-kerkraam willen gooien" en die „alle Roomschen ïn een harington" willen doen, invloed onder de schare krijgen.
Is dat ons Protestantsch beginsel ? ~ Weet ge wat er vlak naast ligt ?
Dat de Afgescheidenen in de gevangenis geworpen worden.
Dat ze op een schip geladen worden en naar Amerika verbannen.
Dat alle Bondsmannen gebrandmerkt worden als staatsgevaarlijk, gevaarlijk voor Kerk en volk, voor school en Universiteit, voor ambten en betrekkingen ; waarbij men kerkelijk zich schrap zet, om ze overal te weren en ze bij allen in verdenking te brengen.
Wee ons, indien de menschen die „een Utrechtschen kei door het Tooropkerkraam willen gooien" en die „alle Roomschen in een harington" willen doen, de lakens gaan uitdeelen !
Wee, ieder die Gereformeerd is.
Alleen dat men geen Gezang wil zingen is al voldoende om óók steenen naar 't hoofd te krijgen en óók uitgebannen te worden...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's