Feuilleton.
GEVEN.
EEN EPISODE UIT GELLERTS LEVEN, (Uit het Duitsch vertaald).
Zij traden het armoedige huis binnen en nadat de dokter de noodige voorschriften gegeven had, vertrok hij weer, nog steeds hoofd en hart vervuld van Gellerts edele daad waardoor hijzelf in zoo grooten nood geraakt was.
Toen hij bij zijn huis kwam, stond er een boerenknecht voor de deur te wachten, welke een statig, gezadeld en opgetuigd paard aan den teugel hield.
Wat is er aan de hand? vroeg hij den jongen.
De dorpsschout van — hij noemde een der dichtstbij gelegen dorpen van Leipzig — laat u in Godsnaam vragen dadelijk mee te komen. Onze meesteres verkeert in groot gevaar. Och, mijnheer de dokter, het zijn zulke brave lieden, en mijn meester is radeloos als u niet spoedig komt. Het moet heel erg zijn !
De dokter was niet slechts een flinke, zeer plichtsgetrouwe arts, maar ook een mensch met een buitengewoon gevoelig en goed hart.
Er bleef hem geen keus over : zijn vrouw moest met het gedicht wachten tot hij terug keerde. Hij spoedde zich naar boven, haalde den lederen zak met instrumenten, riep zijn vrouw een paar vriendelijke woorden toe, liep snel weer naar beneden, reikte den knecht den zak met instrumenten, besteeg het paard en draafde weg. Op den landweg was het erg moeilijk om vooruit te komen, want hij werd door Pruisische artillerie en soldaten van allerlei wapens, bijna geheel versperd. Toch gelukte het den dokter om op tijd ter plaatse aan te komen.
Voor een mooi, groot boerenhuis hield hij stil, daar de knecht hem dit als het huis van zijn meester, den dorpsschout, aanwees.
Een man trad naar buiten wien zorg en angst op het gelaat te lezen waren. Na eenige, halfluid, met hem gewisselde woorden, volgde de dokter hem naar de bovenverdieping van het huis.
Reeds na een uur kwam de dorpsschout met den dokter naar beneden. Op het gezicht van den laatste lag een uitdrukking van bevrediging en de zorg en angst op het gelaat van den schout hadden plaats gemaakt voor vreugde.
Beiden traden het ruime benedenvertrek binnen, waar een groot aantal hooge, Pruisische officieren zich juist voor het middagmaal nederzetten.
Ook de dokter moest aan tafel plaats nemen, waar de dorpsschout, die er tegelijk een herberg op na hield, voor de bediening zorgde.
Wie de officieren waren wist niemand. Alleen zag men dat zij één onder hen met grooten eerbied behandelden, hoewel deze zich het minst door zijn militaire kleeding onderscheidde. Hij moest een zeer voornaam persoon zijn, dat kon men hem dadelijk aanzien ; maar op het edele gezicht lag een stempel van minzaamheid en mildheid.
De dokter had een geweldigen honger en werkte uit alle macht er aan dezen te doen verdwijnen, zonder op het gesprek der officieren te letten en zijn gastheer, die met genoegen zag hoe goed het hem smaakte ; schoof hem steeds opnieuw de schalen toe.
U bent zeker uit Leipzig, mijnheer de dokter, wendde zich de voorname heer tot hem, welke hem door den dorpsschout dokter had hooren noemen.
Om u te dienen antwoordde de dokter, zonder zich in zijn bezigheid te laten storen, die hij met bewonderenswaardigen ijver en goed gevolg verrichtte.
Dan kent u zeker ook mijnheer professor Gellert ? vroeg, de ander verder.
Nu legde de dokter zijn vork neer, keek den vrager aan en daar deze een zeer gunstigen indruk op hem maakte, antwoordde hij : Ik ben zijn arts en mag met trots er bij voegen, zijn vriend !
Zoo ? was het antwoord. Men heeft mij verteld dat hij lijdende is.
Dat is hij, helaas, bevestigde de dokter. Het mankeert hem, zooals allen geleerden aan flinke, gezonde beweging. Vooral zou 't hem goed doen als hij paardrijden kon ; daarom , heb ik hem nog pas gezegd, dat hij zich zoo'n beestje koopen moest. En wil hij dat ? vroeg de officier.
De wil is er wel ging de dokter voort, maar die is moeilijk ten uitvoer te brengen en daarbij maakte hij eeff veelbeteekenende beweging met duim en wijsvinger.
Dus arm ? vroeg de ander met groote deelneming.
Als een kerkmuis ! ontviel het den dokter. Als u 't mij veroorlooft, zal ik u vertellen hoe ik hem vanmorgen aantrof.
De officier wilde het gaarne hooren en de levendige dokter vertelde alles haarfijn en precies, wat ik in het voorafgaande meegedeeld heb.
Toen het verhaal ten einde was, sloeg de officier de handen vol ontroering samen en zeide diep bewogen : Zulk een edele man en dan bevriezen en gebrek lijden I Dat is te hard ! En hij kan zich geen hout en geen paard koopen, omdat hij zijn laatste cent aan de lijdende menschheid heeft opgeofferd !
De dokter raakte op dreef.
Als u zooveel deelneming gevoelt voor den edelen dichter, zei hij, en tastte in zijn zak, dan zult u misschien ook gaarne het lied willen lezen, dat hij dezen morgen, naar aanleiding van de bijbelplaats welke daarover handelt, dichtte ? — Hij overhandigde hem, zonder zijn antwoord af te wachten, liet beschreven blad en voegde er bij : Het is 't origineele handschrift, dat ik mij geven liet, om er een afschrift van te maken ; door allerlei beroepsbezigheden ben ik er echter nog niet toe gekomen.
Haastig strekte de heer zijn hand uit om het blad aan te nemen.
Het jongste lied van onzen dichter Gellert, dien wij allen even hoog achten, zeide hij vervolgens, moet een gemeenschappelijk bezit zijn. Ik zal het voorlezen. En hij las met diep gevoel en vol uitdrukking :
Ik heb in goede tijden Veel voorspoed en verblijden Ontvangen van mijn God. Dus wil ik zonder klagen Het lijden nu ook dragen, Hij immers, Hij bestuurt mijn lot.
Ja, Heer I ik ben vol zonden, En heb steeds ondervonden Gij straft naar onze zonden niet. Zou ik door schuld verslagen Dan niet geduldig dragen, Wat toch ten goede mij geschiedt ?
Mijn hart wil ik U geven ; Niet mijne rust, mijn leven Meer minnen als den Heer. Op U wil ik vertrouwen En niet op menschen bouwen Gij helpt en Gij verlost steeds weer.
Mijn schuld is groot bevonden, Vergeef mij al mijn zonden Om Jezus wil alleen. Doe mij met alle krachten Mijn eeuwig heil betrachten Uw Woord zij 't licht voor mijne schreen.
Mag ik in Christus sterven. Zal ik den hemel erven. Wat vrees ik graf en dood ? Uw trouw koom' mij te stade 'k Vertrouw op Uw genade Gij Heer ! zijt bij mij in den nood.
Ik wil den kommer weren God, door geduld slechts, eeren. Geloovig op Hem zien. Den dood wil ik niet vreezen De Heer zal bij mij wezen Wat voor mij goed is, zal geschiên.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's