Feuilleton.
GEVEN.
EEN EPISODE UIT GELLERTS LEVEN.
(Uit het Duitsch vertaald).
Alle aanzittenden luisterden aandachtig naar zijn woorden en nadat het lied ten einde was bleef het nog een langen tijd stil.
De indruk ervan was groot en algemeen. De dorpsschout stond met gevouwen handen en tranen kwamen hem in de oogen. Daar hij nog pas door Gods genade uit groote zorg verlost was, maakte het lied op hem een des te dieperen indruk.
Mijnheer de dokter, hernam eindelijk de officier, zoudt u er iets tegen hebben om mij een afschrift er van te laten nemen, als u tenminste nog zoolang hier blijft ?
Ik geloof niet dat ik er kwaad aan doe, als ik u toesta een afschrift te nemen, meen de de dokter.
Beste Nostiz, riep de bevelhebber een ordonnansofficier toe, neemt u als 't u belieft zoo gaww mogelijk een letterlijk en duidelijk afschrift van het lied.
Hij overhandigde hem het lied en de officier verliet hen haastig, om het bevel ten uitvoer te brengen.
En de man die dit godzalige lied en zoovele andere mooie liederen en fabels gemaakt heeft, heeft geen hout om zijn kamer te verwarmen en daarbij een zwak, ziekelijk lichaam ? vraagde de dorpsschout vol ijver aan den dokter.
Het is zooals ik u zeide, antwoordde deze. Ik vond hem vandaag in een koud vertrek.
Nu nog mooier, dat mag toch niet, dan zou ik het liever acht dagen zoo koud willen hebben als een windhond ! riep hij uit en — hoe ernstig de stemming aan tafel ook geworden was door het lied van Gellert, ontstond er toch een algemeen gelach over deze welgemeende uitlating van den gastheer.
De eenvoudige man dacht, dat de heeren niet gelooven wilden, dat hij zijn besluit dat hij in stilte genomen had, ten uitvoer zou brengen. Hij sloeg heftig op tafel en zeide eenigszins gekrenkt : Ja, zoo waar als de Heere mij in grooten nood geholpen heeft, ik laat hem vandaag nog een wagen hout brengen, zoo groot als er nog nooit een over de straten van Leipzig gerold is.
Hij snelde naar het venster en riep ongeduldig : Piet !
Eenige oogenblikken later kwam haastig dezelfde jongen aanloopen die den dokter het paard gebracht had.
Wat moet ik doen, baas ? vroeg de knecht.
Ga naar de schuur, beval de dorpsschout, haal den grooten vrachtwagen, dien we met de Leipziger jaarbeurs voor de goederen gebruiken, en laad hem vol beukenhout, zooveel als er maar op kan, span vier paarden er voor en rijd naar Leipzig. Daar vraag je waar mijnheer professor Gellert woont en laat het hout voor zijn deur af.
Vervolgens doe hem mijn vriendelijke groeten en zeg hem uit mijn naam dat hij zich daarmee een lekkere warme kamer laat stoken, het is een geschenk voor het schoone lied : „Ik heb in goede tijden" —• en hoe het verder heet. Maar denk er om dat je voort maakt! Want het moet er vandaag nog zijn !
't Zal gebeuren ! antwoordde de knecht en vertrok.
Bravo ! riep de hooggeplaatste officier en alle anderen riepen als uit één mond : Bravo, heer dorpsschout!
U bent een man van eer, voegde de overste er bij, en hebt daar een voorbeeld gegeven dat navolging verdient. Ik zal 't goed onthouden !
Gellert was nu op eens het onderwerp van 't gesprek geworden en de dokter moest nog veel van hem en van zijn leven en werken vertellen, hetgeen hij gaarne deed daar hij Gellert oprecht en hartelijk liefhad.
Eindelijk kwam de ordonnansofficier weer binnen, bracht zijn bevelhebber het afschrift en deze gaf den dokter het origineele stuk met hartelijken dank terug.
De dorpsschout echter nam het hem uit de hand met de woorden : Wat u den een toestaat kunt u den ander niet weigeren. Een afschrift moet u mij ook laten nemen.
Met genoegen, gaf de dokter toe, maar ik moet het blad terug hebben voor ik huiswaarts ga.
Zeker, zeker, verzekerde de dorpsschout. Daar ik echter geen tijd heb het over te schrijven, stuur ik het naar onzen voorlezer, die is een goed schrijver en vlug met de pen.
Dat gebeurde terwijl de dokter opstond, afscheid van het gezelschap nam en zich naar zijn patiënte begaf.
Buiten de deur vroeg hij aan een rijknecht, wie de hooge officier binnen was, dien men met zooveel onderscheiding behandelde ?
Dat is Prins Heinrichi van Pruissen, mijn voortreffelijke meester, antwoordde de rijknecht.
De dokter keek eenïgszins verbluft en spoedde zich naar boven. Kort daarop hoorde men hoefgetrappel. De prins met zijn gevolg verwijderde zich in de richting van Leipzig. Daarna hoorde men buiten weer een zweep knallen. De dorpsschout welke den dokter gevolgd was, trok hem, naar het raam vanwaar men op de binnenplaats kon zien. Vier krachtige paarden spanden alle krachten in om een ireusachitigen vrachtwagen vol met beukenhout, vooruit te trekken.
Heb ik mijn woord gehouden? vroeg de schout.
En of ! riep de dokter uit. Ik zou die verbazing wel eens willen zien als het aankomt I — God vergelde het u, heer dorpsschout !
Tot blijdschap en voldoening van den dokter maakten de kraamvrouw en de jong geborene het uitstekend. Hij kon bijtijds vertrekken, waar hij te meer blij om was, daar in Leipzig veel militairen waren en men inkwartiering te wachten had.
Toen hij eindelijk na veel moeite zijn lied van Gellert terug had, verliet hi|jhet dorp en vertrok naar Leipzig, waar hij eindelijk, nadat hij alle gebeurtenissen van dezen en den vorigen dag verteld had, aan zijn diep bewogen vrouw het lied kon voorlezen, zonder dat zich opnieuw een incident voordeed om hem dat te beletten.
Ongeveer terzelfder tijd, toen de dokter met prins Heinrich van Pruissen, zonder het te weten, aan tafel zat, wandelde Gellert naar buiten tot bij de poort waar hij gisteren de weenende vrouw aangetroffen had, om naar 't voorschrift van den dokter, zichzelf wat beweging te verschaffen. Het geheele tooneel dat hij op deze plaats aanschouwd had, kwam hem weer voor den geest en hij doorleefde het alles nog eens weer, maar geen zucht vergezelde de gedachte aan de dertig daalders, ofschoon hij zelfs niet meer zooveel bezat om aan een bedelaar die hem om iets zou vragen, ook maar een kleinigheid te geven. In gedachten verzonken strekte hij zijn wandeling veel verder uit dan gewoonlijk en het begon reeds avond te worden toen hij weer bij zijn woning aankwam.
Met verbazing zag hij een grooten berg hout, waaraan drie houthakkers vlijtig werk ten en er toch waarschijnlijk vandaag niet meer mee klaar zouden komen, daar de stapel veel te groot was.
Gellert wenschte in stilte dat hij toch ook zoo gelukkig ware, om zooveel hout zijn eigendom te noemen, vooral daar er voorloopig geen kans op was dat hij 2ich hout zou kunnen koopen.
(Wondt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's