Uit de Pers.
Het gebeurde bij de Julianakerk,
Wij willen onze lezers gaarne op de hoogte stellen van de verdediging, welke door twee Haagsche predikanten gevoerd is tegen de bezwaren, die ten aanzien van het geval bij de steenlegging bij de Julianakerk in de Pers zijn gehoord geworden.
Wij drukken daarvoor af, wat wij daarover in de „Nieuwe Haagsche Courant" aantroffen.
Het blad schrijft:
In den 's Gravenhaagschen Kerkbode komen twee predikanten terug op de kwestie der weigering van eenige verslaggevers bij de eerste-steenlegging der Julianakerk.
Ds. D. A. van den Bosch bericht, „dat ons Comité, omdat we met gebrek aan ruimte tobden en niet wisten, hoe we zelfs behoorlijk de genoodigden moesten plaatsen, besloten had, als één voor allen, alleen het Correspondentie-Bureau te vragen, dat dan verslag doorzendt aan; alle bladen. Evenwel van de redactie van „De Nederlander" kwam lang te voren door de pen van den heer K. beleefd verzoek om te worden toegelaten op het (door ons, niet door de politie) afgesloten terrein.
Eerst zou dan ook dat, met leedwezenbetuiging, geweigerd worden, maar voor één, en die het dan zoo beleefd vroeg, was dan nog wel 'n staanplaatsje te maken. En hoe dik men dit nu verder heeft willen opblazen, daarover breek ik mij het hoofd niet. Zouden dan de H.H. van de pers liever gewild hebben, dat wij hen dan maar op dé tribune plaats hadden gegeven en ons bestuur er was afgegaan ? Maar dat is nu niet anders. Jammer !"
Dr. F. van Gheel Gildemeester schrijft over het geval 't volgende :
„'t Is evenwel niet allen naar wensch gegaan, en 't is misschien goed om dat hier ook even openhartig ter sprake te brengen. De heeren correspondenten der Haagsche bladen waren niet in hun beste humeur, en we kunnen dit begrijpen. De regeling met de pers is niet gelukkig geweest. De heeren die hier hadden te beslissen, waren zóó zeer onder den indruk der zeer beperkte plaatsruimte, dat ze meenden 't best te doen met alléén het „Correspondentiebureau" uit te noodigen, en om redenen van zeer persoonlijken aard, ook den heer Karres, correspondent van „de Nederlander", wiens vader, wijlen ds. K., het voorstel tot deze kerkstichting in den Kerkeraad had gedaan ; en die intijds om toelating gevraagd had. Maar even voor den tijd, daar zijn nog een viertal andere oorrespondenten ! Wat nu ? Zeker zou het best geweest zijn te zeggen : „heeren, zoekt een plaats uit ! We hadden niet óp U gerekend, maar nu gij er zijt, weest welkom !" Doch, wie zegt altijd het beste ? En op het juiste oogenblik ? Ook hebben die heeren nog maar weinig oefening in kerkenstichten, steenleggingen, huldeverbreiding en dergelijken. Maar het blijft jammer, dat dit niet gezegd is. En, ik denk dat de heeren voor een volgende gelegenheid, betzij de inwijding van deze, 't zij een steenlegging van de tiende kerk, gaarne beterschap beloven en aan alle heeren van de pers een mooie plaats.
En na dit alles eerlijk erkend te hebben, een vriendelijk bedoelde vraag. Zou het niet mogelijk geweest zijn de ontstemming, die zeer verklaarbaar in die harten was, een paar graden vriendelijker te uiten ? We hebben enkele schriftelijke en mondelinge opmerkingen vernomen — die vriendelijk waren. En ook eenige niet.
Wij zijn dankbaar dat althans dr. Gildemeester het niet voor de besluiten der commissie opneemt.
Onzerzijds intusschen nog een enkele opmerking.
Zeker, het bestuur tobde met ruimte, en als aan de couranten was verzocht genoegen te nemen met het verslag van het Correspondentiebureau, dan achten we het niet onmogelijk, dat met dit verzoek rekening ware gehouden.
Maar nu staat de zaak anders.
Het is altijd! de goede gewoonte de pers — en in dit geval zeker de Christelijke pers — uit te noodigen om zulk een plechtigheid bij te wonen.
Het verzoek is bij ons niet Ingekomen. En als we dan, niettegenstaande dat, toch om het groote belang, onze lezers een eigen verslag wilden aanbieden, moest dit veeleer gerespecteerd en niet onheusch geweigerd zijn geworden.
Daarbij komt nog iets.
De redenen, dat aan „De Nederlander" wèl toegang werd verleend, mochten niet liggen in de toevallige familierelatie van een harer reporters met wijlen een Haagsch predikant, die 't voorstel tot kerkstichting deed.
Als de heer K. dan ook als belangstellende zonder meer, aanwezig was geweest, hadden we gezwegen. Maar duidelijk is aan het licht getreden dat de heer K. als reporter van „De Nederlander" tegenwoordig was.
Ten slotte willen wij nog opmerken, dat over de onjuiste uitlating : „De Nederlander" is het Hervormde blad", wordt gezwegen.
Zelf dient het blad zich dagelijks aan als politiek orgaan.
Dat over de dus onjuiste, verwarrende kwalificatie niet gesproken wordt, is bijna onverklaarbaar.
Wie willen daaraan thans het zwijgen toedoen.
Wat niet wil zeggen, dat we er bij gelegenheid nog niet eens op terugkomen.
Christendom en Politiek.
De tijd ligt gelukkig achter ons, dat men onder ons veelszins dacht : Christendom en politiek hooren niet bij elkaar. Liberalisten, die er op loerden alles in te palmen, school, kerk, maatschappij, universiteit, pers, kunst, regeerkasteel enz., wreven zich daarbij in de handen en zeiden ook, met een heel vroom gezicht — witte das voor ! — dat godsdienst ert politiek gescheiden moesten blijven en dat onze godsdienst te hoog stond om tot de politiek te worden neergetrokken. De christen in de binnenkamer ! En intusschen waren zij zelf overal bezig om alles in te palmen.
Onze menschen zijn beter gaan verstaan, dat de Heere, de Schepper aller dingen, naar de eere Zijns Naams vraagt op elk terrein des levens en zeker ook in de regeering des lands, waar zoo onnoemelijk veel mee samenhangt. En onze menschen zijn gaan gevoelen, dat het ook voor het welzijn van land en volk, van kerk en maatsdhappij, van 't grootste belang is, dat daar op het terrein van de politiek de christelijke beginselen tot eere worden gebracht. En men is zich gaan interesseeren voor de politiek, niet uit lust tot vechten of uit lust om allerlei voordeel te behalen voor zichzelf, maar om des Heeren wil en, om de wille van land en volk.
Zijn we dan ook niet geroepen om ons ook hier gewillig in den dienst des Heeren te stellen ?
Dat het nog maar méér verstaan en béter betracht werd !
Want we gaan vooruit, ook in onze Hervormde kringen, maar we zijn toch nog lang niet waar we wezen moeten. Waarbij nu ook nog komt, dat menschen, die nooit een vinger verroerd hebben om onze christelijke politiek, noch onze christelijke actie te steunen, in eens óók aan politiek zijn gaan doen en zéér actief zijn geworden, niet anders doende dan schelden op de Roomschen en schelden op de Antirevolutionairen, door ds. Grayemeijer te Amsterdam — en die kan het, als man van gezag, in wetenschappelijken-politieken theologischen zin genomen, weten ! — zelfs Andere-Roomschen (A. R.) genoemd ; wat natuurlijk buitengewoon geestig is, vooral voor menschen, die zelf nooit wat gedaan hebben en geen roer aan hun schip hebben.
We moeten ons echter niet laten verleiden, dat de knuppel in het hoenderhok geworpen wordt, vooral niet door menschen, groot , van woorden, doch klein van daden ; die politiek loeren op de Geref.-Hervormden, terwijl zij ze in hun hart haten en ze in eigen Kerk geen duimbreed gronds gunnen.
Dat men zich toch geen zand in de oogen laat strooien. De tijden zijn zoó ernstig, dat we alle holle phrasen moeten tegenstaan en aan alle halve en heele politieke leugens den rug toe moeten keeren, om kloekmoedig in bond met onze geestverwanten voort te gaan.
Zijn Excellentie A. W. F. Idenburg, onze zoo beminde christen-staatsman, mee de leider van onze Antirevolutionaire Staatspartij, heeft op het Gereformeerd Stuidentencongres een mooi en goed woord gesproken over „Christendom en Politiek". Een verslag van die rede laten we hier volgen :
Politiek — zoo sprak de heer Idenburg — duidt aan de wetenschap over den Staat: algemeene staatsleer ; ook beteekent het de toepassing hiervan. Dan ten derde is het de staatsmanstaak. Prof. Bavinck zegt, dat ze is een hooge, bijna heilige zaak. Politiek moet in verband staan met de religie, want rechtsorde wordt gedragen door zedelijke orde.
Terwijl de eerste gemeente antithetisch stond tegenover de haar omringende heidensche cultuur, werd ras de toestand anders, toen de wereld voor 't Christendom gewonnen werd. Zoo bewoog het Christendom zich in de Middeleeuwen tusschen de polen wereldverachthig en wereldverovering. De Kerk eischte alles op. De Reformatie kwam weer op voor een „tweeheid" tusschen Kerk en wereld. Kerk en cultuur. Wat van Kerk en cultuur geldt, is ook van kracht ten opzichte van Kerk en Staat. Christendom en staatkunde. Ook hiervan teekent spreker de ontwikkeling.
Hoe zal het Christendom zich verhouden tegenover den van God afkeerigen Staat ? Onthouding ? zooals Montanisten, Donatisten, Quakers ?
't Koninkrijk der waarheid is echter niet los van de wereld, waarin 't leeft. Geen mijding, maar strijd, was de Gereformeerde gedachte. Want God openbaarde ook Zijn wil ten opzichte van den Staat, niet alleen tot het verlossings werk is Gods openbaring bestemd. We vinden die openbaring in natuur en Schriftuur. Rome stelt deze twee boven elkaar. Het natuurlijke heeft den teugel van de Kerk noodig.
. De Reformatie (Calvijn) ziet in de Schrift den bril, waarmee men kan lezen wat in het verworden schrift der natuur te lezen staat. De Reformatie maakte zoo den Staat vrij van de heerschappij der Kerk. Luther liet die twee toen geheel los van elkaar ; 't Calvinisme niet, dat ziet in de algemeene openbaring een aanknoopingspunt voor saam werking in het publieke leven, met hen, die de bijzondere openbaring loochenen.
De Heilige Schrift is niet gegeven als handboek voor politiek, maar geeft wel de groote beginselen, richtlijnen voor politiek. Ze wijst b.v. onvermijidbaar af: het staatsabsolutisme, ook het polygame huwelijksleven.
De Heilige Schrift handhaaft de realiteiten : schuld en straf, zonder welke voor het mysterie van Golgotha geen plaats zou zijn.
De verhouding tusschen Christendom en Staat is iets anders dan die tusschen Kerk en Staat. De band tusschen deze twee is volgens sommigen alleen moreel, volgens anderen moet ze oök uiterlijk zijn (volgens Rome — en ook volgens art. 36 van: de Ned. Geloofsbelijdenis — ongewijzigd). Wij vragen, dat de Overheid de Kerk erkenne, eere, als 't moet bescherme, maar vooral vrijlate. Nog steeds zijn er in ons land, die terugwillen naar art. 36 ongewijzigd. Men zegt: de Overheid is geroepen om God te dienen. Hoe kan ze dat practisoh doen, als ze slechts kan regeeren in over eenstemming met de zedelijke grondovertuiging van het volk ? Deze grondovertuiging vindt wéérklank in wetgeving. Zoo moet de Overheid zien te werken op de vorming van die grondovertuiging. Bismarck vergeleek de staatsmanstaak met het werk van een visscher of jager. Rustig wachten, krachtig doortasten op het juiste oogenblik.
Vele Christenen vmdén tegenwoordig dat men zich aan politiek niet moet wagen ; er zijn te veel zedelijke gevaren — zij vinden zichzelf voor politiek te goed. Zijn die gevaren soms niet in ander werk — zelfs niet in den dienst des Woords ? Men zegt, dat men in het gewoel van den politieken strijd gauw te veel zegt. Maar zouden deze Christenen niet bidden, dat God ze voor overhaasting, voor liefdeloosheid bewaart?
Een ander gevaar, is, dat men de macht begeert om de macht, en niet als doel om boven besproken grondovertuigingen te kweeken. Maar moeten menschen, die dit inzien, zich nu onttrekken ? Daardoor maken zij toch den toestand nog onzuiverder.
't Derde gevaar : In een zoo gedifferentieerd land als Nederland moeten steeds eenige partijen een compromis maken. Daarin geeft men soms dingen toe, die men niet had mogen toegeven. Maar wie dat nu inziet en zich toch onttrekt, maakt dat er niet minder, maar meer geschipperd wordt met het beginsel. Z.Exc. getuigt dat hij, die heel niet een man is om te strijden, de politieke loopbaan volgt, omdat hij die niet verlaten durft. Hij zou zich voelen als een soldaat die voortvluchtig is.
Zouden wij ooit de vruchten hebben gehad, die we hebben, als vroegeren zich te goed hadden geacht voor de politiek ?
Voor 'n vijftig jaar zouden Christenen nooit de erkenning gevonden hebben, die wij nu op allerlei terrein vinden. Hierna vertelt spreker — hoewel noode — van zijn eigen levenservaringen als Gouverneur-generaal van Ned. O.-Indië.
Spreker resumeert en legt er vollen nadruk op, boe het Christendom aan de politiek als wetenschap, grondslag en principe geeft, aan de politiek als praxis (praktijk) bezieling en leven".
Hierna volgt een diepgaande bespreking.
In de bespreking kwam o.m. aan de orde de vraag, of de antithese nog steeds dezelfde moet blijven. Z.Ex. zegt van niet weinig landen zijn er waar de tegenstelling, de scheidslijn zoo duidelijk is als bij ons. Dat in Engeland de tegenstelling niet loopt over de diepste vragen, was wel steeds zoo, maar begint nu reeds te veranderen, zooals dat ook gaat in Duitschland op het oogenblik. In Engeland wil de eene partij wel degelijk rekenen met Gods openbaring. De zitting van de Staten-Generaal wordt daar geopend met gebed.
Of studenten in de politiek moeten meewerken, praktisch? Dat er in de studentenwereld veel minder belangstelling is dan een 20 jaar geleden, wordt verklaard uit teleurstelling en uit het feit, dat toen de groote vragen aan de orde waren, nu de kleinere, de afgeleide, dat verder toen een bezielend organisator direct aan de Vrije Universiteit verbonden was.
De teleurstelling komt hieruit dikwijls voort, dat politieke leiders in gespannen tijden veel beloven, waarvan straks, zeg de helft, bereikt wordt, en dan doen alsof die niet bereikte helft toch weer niet met de beginselen overeenkomt.
Verder wordt opgemerkt, dat dikwijls de kiesvereenigingen geen trouwe afspiegeling zijn van de kiezers, omdat er maar een bepaalde klasse van het volk komt, en de „intellectueelen" vaak niet te vinden zijn. Zoo ontstaat er soms een zekere eenzijdigheid en worden de kiesvereenigingen zoo te zeer „sociaal geïnteresseerd". Hoogleeraren en studenten moeten dan ook, zoo ze maar eenigs zins kunnen, zich geven aan politieke werkzaamheden, allereerst aan 't werk der kiesvereenigingen — zonder dat ze nu juist al het technisch apparaat van 't politieke leven behoeven te kennen.
Er is ook een taak om de beginselen levendig te houden ; als onze intellectueelen dit maar doen, dan hebben zij 't hunne gedaan — voor zoover ze te bezet zijn voor diepere studie van de techniek der politiek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's