De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing

1 Timotheus

6 minuten leestijd

28 Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle. 1 Timotheüs 3 vers 6 en 7.

1 Timotheüs.
Geen nieuweling. De apostel wil geen jong-bekeerde in den kerkeraad hebben, niet iemand die nog kort geleden als een jonge boom in den akker der Kerk is ingeplant. Ambtsdragers moeten geloovige menschen zijn, maar dat geloof moet bevestigd en beproefd zich vertoonen. Het moet, zooals wel eens gezegd wordt, eens overwinterd zijn ! Deze raadgeving is wel eens vergeten. Men koos een jong-bekeerde in 't ambt. Niet omdat hij zooveel kennis had van de verborgenheden des geloofs, maar alleen omdat hij korten tijd geleden tot bekeerimg kwam. Zoo spoedig mogelijk werd hij in het gestoelte gezet. Nu hangt zulk eene verkiezing tot het ambt vaak samen met heel den toestand, of laat ik liever zeggen, de ligging der Gemeente. Als eene bekeering dan slechts echt wordt beschouwd als zij een Damascusbekeering is. ja, dan zal er in menige Gemeente heel weinig keus zijn. Of als 't kenmerk der bekeering gezocht wordt in groote benauwdheid, waarvan men op allerlei vreemde wijze blijk gegeven heeft, zoodat men schier tot wanhoop en tot zelfmoord gebracht is, dan zullen er in een Gemeente niet veel zijn, die dezen toets kunnen doorstaan. Vele Gemeenten in ons vaderland zijn in deze methodistische ligging verzonken. Dit ligt ook vaak aan de prediking die jaar in jaar uit werd gebracht. De Catechismus wordt wel gepreekt, de 33ste Zondag, die over de waarachtige bekeering handelt, wordt niet vergeten, maar eigenlijk wordt de levensverandering in heel iets anders gezocht dan waarvan dat boekje spreekt. Een hartelijk leedwezen over de zonde.... ja zeker, maar dat kan niet zonder jarenlang zoeken en weken-of dagen-lange benauwdheid, zoodat men bijna geen voedsel gebruikt, voor den arbeid en het dagelijksche leven ongeschikt is, enz. enz. Natuurlijk wordt dan het zwaartepunt in het laatste gezocht en niet in het eerste. Een hartelijke vreugde in God door Christus ja zeker, maar dit zal een zeer groote uitzondering zijn, die den mensch ééns of tweemaal in zijn leven overkomt en dan altijd na eene zeer lange voorbereiding en door middel van den éénen tekst na den anderen, die de ziel plotseling worden ingeworpen. Wel natuurlijk, dan valt de nadruk op het laatste en niet op het eerste. Dan wordt wel uit den Catechismus gepreekt, maar heel dat leerboek wordt omgebogen naar het stelsel, de methode van den prediker. En zoo gebeurt het ook met elken tekst der Heilige Schrift die behandeld wordt. Nu kan een prediker in het noemen van deze bij omstandigheden der bekeering zeer schaarsch zijn, als hij er met Gods Woord niet tegen optrekt, zal de Gemeente het steeds blijven zoeken in die vreemde bijzaken, wijl zij een enkele in haar midden daarbij steeds op het oog houdt. Het spreekt wel vanzelf dat er in een Gemeente dan weinig bekeerden zijn. Zij, die soms van hun jeugd af een hartelijk leedwezen hebben over hun zonde en een hartelijke vreugde in God door Christus, moeten wel zeer sterk staan, indien zij het tegen zulk een gedurige prediking van het methodisme kunnen uithouden. Zij gaan zichzelf ook als onbekeerden beschouwen. De Kerkeraadsleden zijn dan ook allen onbekeerd. Zij komen dan ook niet aan het Heilig Avondmaal. Immers daaraan worden alleen verwacht zij, die zulk een langen methodistischen bekeeringsweg hebben bewandeld. De predikant zelf is natuurlijk dan ook onbekeerd. Hij preekt de Waarheid wel, maar hij staat er zelf buiten. Die gedachte is ingeworteld. Daaraan is men al gewoon geraakt. De dominé onbekeerd, de ouderlingen en diakenen ónbekeerd, de meeste leden der Gemeente onbekeerd alleen een of twee kunnen spreken van groote be­nauwdheden en eenen langdurigen weg, zij alleen vormen het ware Sion. Wel, als er dan iemand langs dien bijzonde­ren weg bijkomt, zoö spoedig mogelijk wordt hij ouderling of diaken. Als hij spreekt, zwijgen de andere Kerkeraads­leden. Hij geeft den toon aan. De anderen blijven op den aohtergrond en zien hoog tegen hem op. Hij moet het gebed doen. Hij is de rechterhand van den leeraar en als de Gemeente vacant is, moet hij mee om een nieuwen leeraar te gaan beluisteren. Hij weet het alleen. De anderen zijn toch maar onbekeerde menschen. Paulus was al bang, dat een nieuweling, die aan de andere bekeerde ambtsdragers toegevoegd werd, opge­blazen zou worden. Maar als zulk een nieuweling nu als de eenige goede wordt aangezien, dan wordt dit gevaar zeker nog des te grooter. Paulus wil geen jong-bekeerde in het ambt zien. Daar behooren menschen in, die oprecht den Heere vreezen en die, naar Gods Woord, in Christus Jezus hunnen Heiland leerden gelooven, maar die in dit geloof ook gesterkt en opgebouwd zijn, die het aandurven om met Gods Woord alleen, tegen allerlei dwaling in te gaan. Neen, geen nieuweling will Paulus verkozen zien, maar hij wil wel dat de Gemeente door de zuivere prediking van het Evangelie zal onderwezen worden  dat de ware kenmerken der bekering zullen worden voorgesteld. Alle predikers zullen eens ter verantwoording geroepen worden, ook zij die, soms de een na den ander, een halve eeuw lang hunne Gemeenten doodgepredikt hebben ; zoodat zij de voorstelling hebben gewerkt en gevoed dat een Gemeente in hun geheel een groep van onbekeerden menschen is. Zoo wordt geslacht aan geslacht de troost van het Evangelie ontbeerden en het geloof in Jezus Christus gepredikt als iets dat zoo goed als nooit voorkomt. Laat ons vast houden aan de gezonde woorden Gods, er niets afdoen, maar er ook niet aan toedoen Dan is het ook niet noodig een nieuweling in den Kerkeraad te halen, die in't kwaad soms nog erger maakt en groot gevaar loopt opgeblazen te worden.
Zulk een nieuweling zal door zjjn hoogmoed in het oordeel des duivels vallen. Hier is niet bedoeld het oordeel, dat over den duivel gekomen is. Dat kan niet. Een jong-bekeerde kan wel hoogmoedig worden, maar kan toch nooit eeuwig verworpen worden. Wij moeten hier denken aan een oordeel, waartoe God den duivel gebruikt. In het oorspronkelijke staat 't woordje „let" niet voor „oordeel". Er staat dus: opdat hij niet in een duivels ordeel valle. Een oordeel in den tijd. Vergelijk hierbij 1 Cor. 11 vers 32. De duivel blaast zulk een ambtsdrager tot vreeselijken hoogmoed op. Dat is een ramp een oordeel waartoe een nieuwe gebracht kan worden als men hem in het ambt zet. Dan is er geen „nieuw bloed" in den Kerkeraad gekomen, wat wel eerst noodig is, maar een duivelsche geest, wat zeker niet tot zegen is voor de Gemeente van Jezus Christus. In den Kerkeraad en in de Gemeente heersche alleen de Geest van het Woord, het Woord van den Koning der Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's