Uit het kerkelijk leven.
Nog iets over: de Gezangen.
't Treft wel, dat wij twee dingen tegelijk lazen over „de Gezangen". Bovenstaand uit 't oude Kerkeraadsstuk waar uit blijkt dat kerkelijke en wereldlijke overheden er aan te pas zijn gekomen, om de menschen te dwingen gezangen te zingen. En daarna wat dr. Kuyper vroeger in „de Heraut" (no. 110—113) Over de Gezangen-kwestie geschreven heeft. Ds. Rullman van Utrecht herinnert daaraan in „De Reformatie" van 12 September j.l.
Hij zegt : „Nu liet dr. Kuyper de vraag of het goed dan wel niet goed zij, bij den eeredienst der gemeente naast de Psalmen ook liederen te zingen, thans geheel in 't midden. Alleen sprak hij als zijn gevoelen uit, dat de invoering der dusgenaamde Evangelische Gezangen kerkrechtelijk in elk opzicht onwettig was en dusver nog nimmer gewettigd was geworden".
„De tegenbedenking" — zoo schreef dr. K. — „dat men dan ook de Psalmen van Datheen nog zou moeten zingen, gaat niet op. Dit toch is een quaestie van uitvoering, die het groote beginsel, of men bij den zang in het Godshuis al dan niet aan het Woord Gods gebonden zij, ongedeerd laat. Dat groote beginsel : „In Gods huis niets anders dan Gods Woord ook in uw lied!" hebben onze wettige Synoden, op voorgang van Datheen en Marnix beiden, met beslistheid beleden ; ook tegenover de Remonstranten, die het eerst gezangen eischten. En zulk een beginsel kan, ja moet zeer zeker, als het naar den Woorde Gods anders blijkt te zijn, door een latere Synode-Nationaal veranderd ; mits dan die verandering maar op wettige wijze geschiede, en niet gelijk ten onzent, door onbevoegden plaats grijpt".
Sinds ontving „de Heraut" — aldus het artikel van ds. Rullman — keer op keer uit allerlei streken van ons land allerlei vragen over de Gezangen-kwestie. Het was voor de redactie echter ondoenlijk al deze vragen te beantwoorden. En voor een opzettelijke behandeling van dit onderwerp uit theologisch, historisch en kerkrechtelijk oogpunt ontbrak het dusver aan schoone gelegenheid. In no. 372 verzocht dr. Kuyper daarom te mogen volstaan met dit vijftal opmerkingen :
1°. dat, om redenen, in het Tractaat van de Reformatie der kerken opgegeven, kerkrechtelijk het gebruik van Gezangen niet gewettigd is ;
2°. 'dat het gebruik van Gezangen, hier te lande, naar luid der onbetwistbare gegevens der historie, niet van gereformeerden, maar eer van Arminiaanschen oorsprong is ;
3". dat het verzet tegen het gebruik der Gezangen, hetwelk tot de troebelen der scheiding voerde, ons voorkomt plichtmatig te zijn geweest ;
4". dat men o.i. het best doet, door zonder eenig rumoer gebruik te maken van de ons thans gewordene vrijheid, om dde Gezangen niet te gebruiken ;
en 5". dat de strijd over de Gezangen, nu de dwang wegviel, van te ondergeschikt belang is om er de harten der broederen om te verkoelen, of er de kerken om te verdeelen.
Ds. L. Schouten Hzn. te Utrecht, die reeds in 1879 den Gezangenhaat een der kankersoorten had genoemd, waaraan de Hervormde Kerk, met name op de Veluwe, leed, achtte dit vijftal opmerkingen van zulk een verderfelijke strekking voor de gemeente, en in zulk een flagranten strijd tegen hetgeen èn de liefde tot den Heere Jezus Christus èn de hulde. Hem ten allerduurste verschuldigd, gebood, dat hij van stonden aan voor genoemd weekblad bedankte. Een maand later verzocht hij echter „De Heraut" weer geregeld te mogen ontvangen, hartelijk ingenomen als hij was met de in het no. van 8 Maart voorkomende recensie van „de critische beschouwing van Israel's geschiedenis", door dr. J. H. Gunning J.Hzn. Dankbaar voor dezen ommekeer bij ds. Schouten schreef toen dr. Kuyper (no. 377) :
o, Dat nu heel de ironisohe pers eens toonde, dat ze werkelijk voor Gods heilig Woord warm is, en deze Gezangenquaestie eens varen liet, en zich nu eens kloek uitsprak over de Valetons en Wildeboers en Gunnings ! Helaas, de kerken in deze landen weten nog niet half, hoe ver ze reeds van den Heere zijn afgeleid.
Intusschen, dat dr. Gunning J.Hzn. een onrustwekkend geschrift over de Heilige Schriftuur uitgaf, liet de irenische pers koud, maar èn de Wageninger èn het Doetinchemsch Weekblad èn de Sprokkelaar konden niet nalaten hun groote blijdschap te betuigen over het feit, dat dr. Hoedemaker, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit, op Zondag 1 Maart 1885 in zijn vroegere gemeente Veenendaal, bij het opgeven van een gezangvers, had laten uitkomen, dat hij in deze niet harmoniëerde met „De Heraut" (no. 377),
Naar aanleiding van het vijftal opmerkingen van dr. Kuyper schreef ds. Schouten een Open Brief aan een Vriend gevolgd door een brochure aan dr. Kuyper : Hebben de Gezangen regt van bestaan in onze Kerk ? Ook verscheen in datzelfde jaar , 1885 te Middelburg : Een winteravondgesprek over de Evangelische Gezangen. Voorts lichtte J. J. van der Grient, lid van het Amsterdamsche Kiescollege, de gezangen-kwestie op zijn wijze toe in : De Aanvallen op het gebruik der Gezangen afgeslagen. En ds. D. Boonstra van Renkum schreef: Ter verantwoording, een woord over de Gezangen.
Dr. Kuyper bleef echter van oordeel, dat elk debat over de Gezangen-kwestie op dit oogenblik zedelijk ongeoorloofd was, omdat daardoor juist bevorderd zou worden, wat hij thans liefst gemeden zag, t.w. een splitsing der geesten op een punt, dat o, zoo ver van het centrum lag (no. 377).
Slechts één beding daarbij voegend, t.w. dat men ook aan den schrijver van „De Heraut" zijn vrijheid late. Want wat schrijver dezes betreft, bij hem staat het vast: Zoo hij optreedt zal hij zelf geen gezangen meer opgeven, en zit hij in de kerk neder, dan neemt hij de vrijheid, om, al geeft ook de zuiverste prediker ze op, ze niet meê te zingen, (no. 378).
Als curioisum volge hier nog een advertentie, uitgeknipt uit „de Standaard" van 19 Juni 1885 :
Met het oog op den in de laatste maanden weer opgewekten gezangenhaat, bericht de ondergeteekende aan besturen van evangelisatiën, waarin hij van tijd tot tijd optreedt, dat hij voortaan nergens meer kan prediken, waar men geen gezangen wil zingen. Evangelisatiën, die tegen gezangen zijn, gelieven hem van zijne belofte te ontslaan om in hun midden op te treden.
A.J. Westhoff
Over de Gezangen-kwestie schreef dr. Kuyper later nog in „De Heraut" no. 962. In „Onze Eeredienst" (1911) erkende hij echter rondweg, dat de leuze „in Gods huis niets dan Gods Woord, ook in uw lied", niet het groote beginsel was, dat tot het uitsluitend gebruik der Psalmen leidde, maar dat men, lettende op de ontaarding van het lied in de Roomsche Kerk, op het exclusieve zingen der Psalmen gekomen is, en dat eerst van achteren theoretisch verdedigd heeft met de bewering, dat in de Kerk alleen gezongen mocht worden, wat ons vóórgezongen was in de Heilige Schrift. En in „De Heraut", no. 1836, ging dr. Kuyper nog verder en schreef :
Het is te betreuren, dat we slechts 't eene lied : „o Groote Christus, eeuwig Licht" hebben, om in onze tempelzangen rechtstreeks tot den Christus op te heffen Men moest den Gezangenbundel wel uitbannen, daar hij door onbevoegden ons opgedrongen was, en er zoo menige misgreep in te betreuren viel. Maar hoe moeilijk 't ook zijn moge, om wat men toen misging te herstellen, het blijft toch een leegte voor ons gevoel dat het lied der eere en des danks niet meer in vollen toon aan Jezus kan worden opgedragen, 't Laat den liefdedrang voor Jezus onvoldaan.
Zie voorts het artikel Psalmberijming in „De Heraut", no. 482.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's