Uit het kerkelijk leven.
inlegkunde ?
Wij zullen niet ontkennen, dat er, ook onder Gereformeerden, wel eens wat aan „inlegkunde" gedaan wordt. Want het gebeurt meer, dat men allerlei in een tekst gaat leggen wat er absoluut niet in thuis hoort. En men legt er dan zooveel moois (? ) in, om het er triumfantelijk uit te voorschijn te halen ten aanhoore van de gemeente, die niet zelden dan verbaasd is over zooveel kennis bij den prediker, 't zij hij predikant is of te wel godsdienstonderwijzer. Als de helft maar waar is van 't geen men ons, in al de jaren dat we in de bediening zijn, heeft verteld of geschreven, dan is het al meer dan erg en het verwondert ons, dat er altijd nog menschen zijn, die met open mond naar zulke geestelijke kwakzalvers luisteren. Hoewel er gelukkig dan ook velen zijn, die de handigheden van zulke lieden doorzien en hun den rug toekeeren. Gods Woord is er ook te heilig voor om het zoo te misbruiken en de prediking des Woords heeft waarlijk wel een ander doel dan allerlei geestelijken onzin aan de markt te brengen. Wij zouden daarom allen, die in de uitlegging en verklaring en toepassing van Gods Woord hebben voor te gaan, wel ernstig willen aanraden : houdt u toch verre van alle gewaagde inlegkunde ; wees liever eenvoudig, sober, waar ; en geef geen eigengemaakte of gestolen geestelijke snufjes, die wel dikwijls met veel vuur verkocht worden, maar die ten slotte zonder eenige waarde zijn.
Wij zijn tegen die ongezonde, ondeugdelijke „inlegkunde".
Maar nu heeft deze medaille ook een keerzijde.
De Modernen met name noemen zooveel wat wij; Gereformeerden, altijd geleerd hebben en nog leeren, eenvoudig : „inlegkunde". Dat wil zeggen, men verwijt ons, dat wij uit de Schriften halen wat er niet in zit.
Doch hierin vergissen de Modernen zich dan.
Zij nemen den Bijbel zoo anders dan wij, met name het Oude Testament. En die ongelukkige Bijbelbeschouwing van de Modernen, waarbij de Bijbel geen Bijbel meer blijft, is oorzaak, dat zoo maar van veel, dat door de Gereformeerden geleerd wordt, gezegd wordt : dat is inlegkunde.
Met name geldt dat, wanneer wij Christus zien in het Oude Testament. Daar wil men niet aan. En hoeveel eeuwen en eeuwen de gouden draad van den Christus door heel den Oud-Testamentischen eeredienst en door de profetische geschriften en door het Psalmboek door geslacht na geslacht gezien is, zegt de Moderne, dat dit inlegkunde is bij ons.
Jezus Zelf legt de Schriften des O. Testaments, Mozes en de Profeten en de Psalmen, zóó uit, dat de Christus er uit te voorschijn komt en wel zóó, dat Hij tot de Emmausgangers kon zeggen: ziet gij wel, dat alles wat met den Christus geschied is, zóó is gegaan, zoo als het vanouds in de Schriften des O. Verbonds is bekend gemaakt door den Heere aan Zijn volk Israël ?
Toch zegt de Moderne van onze Christusbeschouwing, dat het inlegkunde is.
Wat ons weer bij vernieuwing trof, toen dr. Van Iterson van Nijmegen verleden week, naar aanleiding van ons artikel over „de Gezangen-kwestie" een schamper stukje schreef over ons „Psalmen-zingen'", waarin o.a. deze zinsnede voorkwam: „ want wat men van Christus vindt in de psalmen, legt men er zelf in en is dus naar believen".
Neen — hoezeer wij tegen ongeoorloofde inlegkunde zijn, waardoor het Woord verarmd en verknoeid wordt —, komen de Modernen met zulke aantijgingen, dan zeggen wij : wat gij inlegkunde noemt, is geen inlegkunde ; 't is Schrift met Schrift vergelijken en uit de Schriften naar voren brengen, wat de Heere Zelf ons in die Schriften geopenbaard heeft.
Hoe meer de Schriften onderzocht worden en naar de Schriften gepredikt wordt — hoe meer de Christus der Schriften naar voren zal komen ; die Christus, waarvan ook het Oude Testament vol is.
Veel beweging zonder oorzaaK.
Wij hebben niet alles gelezen wat er zooal geschreven is over ons optreden in Pernis. Maar wat wij er van onder de oogen kregen, deed de gedachte bij ons opkomen : hier is „men" bezig om een zaak op te blazen, met de bedoeling den Gereformeerden Bond en het Gereformeerde volk weer eens een trap te geven en de verwarring onder ons, die toch in veel zoo nauw aan elkander verwant zijn, grooter te maken, tot vreugd van Jan, Piet en Klaas en tot schade voor de goede zaak, die wij samen hebben voor te staan.
Degenen, die zich „Confessioneel" noemen, hebben hier schuld aan ; „de Nederlander", Christ. Historisch dagblad, draagt mede schuld.
Wat is de zaak ?
In Pernis, een groeiend dorp, onder den rook van Rotterdam, wandelend, al is 't langzaam, in de voetstappen van Charlois enz., staat een Confessioneel predikant ds. Osinga, zOon van den oud-Gereformeerdën voorganger Osinga van Amsterdam. Een man, dien wij gaarne eere brengen, waar hij lof verdient. Die Confessioneele predikant is omringd van Kerkeraadsleden en Kerkvoogden en Notabelen, die óók Confessioneel zijn.
Wat gebeurt nu ?
In Pernis zijn ook Hervormde menschen, die de Hervormde Kerk hartelijk lief hebben, maar zich meer tot de Gereformeerden in de Hervormde Kerk aangetrokken gevoelen dan tot de Confessioneelen; gelijk er in Gereformeerde gemeenten met een Gereformeerd dominé wel soms C0nfessioneele menschen zijn.
Nu is er onderscheid tusschen die twee groepen. De toon van de prediking, het lied, de gedachte aangaande Volkskerk en verhouding van Staat en Kerk — verschilt ; wat in de eene gemeente sterker uitkomt dan in de andere gemeente, omdat de prediking van den eenen leeraar niet precies is zooals die van den ander ; wat èn onder Confessioneelen èn onder Gereformeerden zoo is.
In Pernis is dan een groep — klein of groot, dat doet er niet toe voor het oogenblik — die tot de Gereformeerden zich aangetrokken gevoelt ; tot de Gereformeerde dominé's in Nederland en tot den Gereformeerden Bond.
Een Vereeniging „Schrift en Belijdenis" wordt opgericht, om de Gereformeerde Waarheid te bespreken en te beluisteren ; zooals er een afdeeling van de Confessioneele Vereeniging te Pernis is, ook tot bespreking en beluistering van de Confessioneele beginselen. Mogen die „Gereformeerden" er zijn? Wij meenen van ja. Wij zijn er zelfs blij mee. In vele gemeenten is het zoó dood, dat het stil is als op een kerkhof. En dan verblijden wij ons, wanneer er velen — of weinigen — zijn, die de Gereformeerde Waarheid lief hebben en daarover willen spreken en daarvan meer willen hooren.
Wij zouden ons zelf en onzen Gereformeerden Bond en onzen Gereformeerden Zendingsbond en onzen Gereformeerden Jongelingsbond en heel onze Gereformeerde actie moeten afvallig worden, indien wij ons niet hartelijk verblijdden over het oprichten van Gereformeerde Vereenigingen, ten doel hebbend om binnen de Hervormde Kerk de Gereformeerde Waarheid te bespreken en te propageeren.
Wat doet men nu te Pernis ?
Als er een verzoek komt van de Gereformeerde Vereeniging „Schrift en Belijdenis" om een paar maal in de Hervormde Kerk een spreker te mogen laten optreden — een Hervormd predikant, die om geen enkele oorzaak iets minder is dan ds. Osinga c.s. — dan gaan er van de zijde van den Kerkeraad en van de Notabelen en van de Kerkvoogden stemmen op, die zeggen : best. Laten die Gereformeerd Hervormden ook wat hebben. Dat bevordert de saam hoorigheid ; dat bouwt op en 't schaadt volstrekt niet.
Dat is verstandige taal.
Ook Confessioneele spraken alzoo functionarissen
Maar dan moet in openbare vergadering in de Hervormde Kerk door een Confessioneel predikant van elders allerlei gal over den Geref. Bond worden uitgespuwd.
Dan moet in de consistoriekamer in een vergadering van de afdeling van de Confessioneele Vereeniging door een ouderling, onder leiding van den Confessioneelen predikant, van den Geref. Bond allerlei leelijks worden uitgekraamd.
Dan moet bij de verkiezing in 't dorp per strooibiljet allerlei van den Geref. Bond verteld, dat óf iemand geschreven heeft die er niets van weet — en zoo iemand moet niet schrijven — óf dat iemand opgesteld heeft, die een geraffineerde leugenaar is en het ver gebracht heeft in het vermengen van heele en halve onwaarheden, verguld met een schijn van recht gepresenteerd.
Gevolg : groote verdeeldheid in de gemeente ; menschen uit colleges geworpen ; anderen op het gestoelte der eere gezet. En aan de Gereformeerde Vereen. „Schrift en Belijdenis" wordt een kort briefje geschreven, geteekend door ds. Osinga en ouderling Noordtzij (de man, die zich nu weert met allerlei ingezonden stukken zelfs in het Rotterdamsch Nieuwsblad, dat absoluut geen christelijk, geen kerkelijk blad is en door rijp en groen in Rotterdam gelezen wordt meldend, dat de Kerk niet beschikbaar is voor enkele spreekbeurten van den Gereformeerden Bond.
Nu kan men hierover denken zooals men wil — en wij hebben er de gedachte over, dat men in Pernis glad verkeerd gedaan heeft door op deze wijze op te treden — maar men voelt toch wel, dat nu de Geref. Vereen. „Schrift en Belijdenis" het recht niet verbeurd heeft, om in een lokaal, daartoe gehuurd, Geref. Hervormde dominé's te laten optreden op een avond door de week, om de Gereformeerde Waarheid te bespreken en nader in Pernis bekend te maken.
Natuurlijk behooren deze dingen niet tot de aangenaamste en prettigste in een mensch z'n leven.
Maar waarom doen mannen als ds. Osinga en ouderling Noordtzij — om die alleen te noemen — ook zoo onverantwoordelijk en zoo dwaas ?
In Charlois, vlak naast Pernis, geeft men de kerk aan de Vereen. „Schrift en Belijdenis", die daar ook, nu eens in de Oude-, dan weer in de Nieuwe Kerk, Hervormde Geref. dominé's laat optreden ; en niemand stoot zich daaraan ; het houdt de gemeente bij elkaar en het bevordert de samenwerking op menig terrein van het christelijk en kerkelijk leven. Waarom is men in Pernis nu zoo halsstarrig om het aan te leggen zooals men het nu doet?
Als in Delft — we noemen dit voorbeeld zonder meer — op Zondag, terwijl er in de Hervormde Kerk dienst is, predikanten van elders komen, reizend met spoor, auto, enz. enz., om tegenover den plaatselijken predikant op te treden in den dienst des Woords, allen dienaren des Woords, die tot de Confessioneelen willen gerekend worden, dan zijn er in Delft tal van Confessioneelen, die dit afkeuren en die er ook niet heengaan, hoewel zij wel zouden willen. Maar men doet het intusschen en er is nog niemand van de Confessioneelen geweest, die in welk dag-of weekblad dat veroordeeld heeft; ook ds. Lingbeek niet, die anders aangaande het „evangeliseeren" van alles op de hoogte is. Ook „De Nederlander" zweeg als een mof.
Maar nu in Pernis een Gereformeerde Vereenlging vrienddijk vroeg in de Hervormde Kerk een paar sprekers — Hervormde predikanten — te mogen laten optreden, 't welk botweg gewezen werd van de hand ; om daarna in een gehuurd lokaal samenkomsten te houden op een avond door de week, als er in de Hervormde Kerk geen godsdienstoefening is, nu schreeuwt „men" moord en brand.
Waarom toch ?
Men moest deze dingen zóó niet opblazen en zóó niet in het publieik brengen, maar liever eens kalm de hand in eigen boezem steken en tot betere dingen komen.
We leven toch niet in tijden, dat verdachtmakingen ons kunnen baten in den grooten strijd tegen ongeloof en bijgeloof ; tegen allen, die meer of minder van de Gereformeerde Waarheid principieel afwijken.
We hebben elkaar noodig.
Maar als dan de Gereformeerde Bond en de Gereformeerden in onze Hervormde Kerik getrapt en gelasterd worden en ter deure worden gewezen, ook door sommige Confessioneelen, dan willen wij het wel uitspreken, dat het ook hier is „dat het bloed kruipt waar 't niet gaan kan".
Wij zullen de Gereformeerden dan helpen en bijstaan.
En intusschen trachten de Confessioneelen tot andere gedachten en andere practijken te brengen.
Dan komt het been weer in 't lid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's