De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eenvoudige Bijbellezing

5 minuten leestijd

29 En hij moet ook eene goede getuigenis hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid, en in den strik des duivels. 1 Timotheüs 3 vers 7.

1 Timotheüs.
Het getuigenis der buitenstaanders.
De apostel hecht aan het oordeel van hen die buiten zijn, veel waarde. Een opziener moet niet alleen onberispelijk zijn in de oogen zijner medegeloovigen, zooals de apostel eerst gezegd heeft, maar hij moet ook een goed getuigenis hebben van hen, die buiten zijn. Dit is een zeer opvallend woord, waard om even onderstreept te worden. Immers wat blijkt hieruit ? Wel, dat het getuigenis van onbekeerde menschen van groot belang is voor de Gemeente. Ten minste de apostel komt er niet toe om met een hoogmoedig gebaar dat oordeel af te wijzen. Zooals het wel eens gedaan wordt. Ach, zegt men dan, hoe zou nu een blinde kunnen spreken over de menschen, die verlicht zijn door den Geest ? Die buitenstaanders worden dan met al het hunne in den ban gedaan. Hun oordeel deugt niet en op hun meening behoeft niet gelet te worden. Weg met dat al ! Dat zijn menschen, die de Wet niet kennen, zoo denkt men. En men sluit zich in eigen kring op. Een kring, die dan gaandeweg al kleiner wordt. Ik ken er, die het met z'n drieën of vieren nog maar houden kunnen. Al de anderen zijn de buitenstaanders, wier getuigenis men voor nul en van geener waarde acht. Paulus denkt er anders over. Zulk eene hooghartige verwerping berust enkel op onkunde. Men leest zijn Bijel niet, of als men de Schrift leest, tracht men niet eventjes door te dringen tot de gedachte die daar uitgesproken is. Men holt maar altijd door op zijn eigen stokpaardjes. Het worde toch niet vergeten, dat die ongeloovige wereld ook nog het werk der Wet geschreven heeft in haar hart en dat God wat van Hem kennelijk is, haar geopenbaard heeft. Zoo schrijft de apostel elders over hen. Zeker, zonder wedergeboorte zal niemand ingaan, in het Koninkrijk Gods. Dan blijft men buiten staan. Maar die buitenstaanders hebben soms zeer veel licht en van de Waarheid een deel gegrepen, door de werking der algemeene genade, dat jammerlijk is verwaarloosd door hen die binnen zijn, tot hun eigen schade en tot oneer van het veelomvattende werk des Heeren Paulus wil gaarne zijn oor te luisteren leggen aan wat de menschen die buiten zijn te zeggen hebben. Hij hoort ook daarin nog een stem Gods.
Een opziener moet iemand zijn van wien de buiten-wereld het goede zegt. Natuurlijk geldt het zijn levenswandel, zijn omgang met de menschen. De geloovigen komen dagelijks in aanraking met de buitenstaanders. De Kerk is niet los van de wereld, maar zij is er met allerlei banden aan verbonden. Ook de ambtsdragers. Wanneer een ouderling met de wereld meedoet in haar ijdele genoegens, in haar uitgelaten vreugde, och ja, dan vinden de buitenstaanders dat wel aardig, het sterkt hen in hun meening dat een mensch het zijne er maar van nemen moet. Zeker, zij houden wel van zulke ruimhartige menschen ! Maar hun volgende gedachte en hun meer vaste meening is toch deze : het staat toch niets voor een ouderling. Zijn geloof moest hem dat verbieden.... Zie, daar breekt de stem Gods in die meening door. Zoo'n ambtsdrager mist het goede getuigenis, waarop de apostel zeer veel prijs stelt. Als een ambtsdrager denkt in zijn bedrijf of koopmanschap : „zaken zijn zaken, daar houd ik mijn geloof eens buiten", en hij neemt woeker-winst, precies zooals een ander, of hij verkoopt een huis overmatig duur aan iemand die in nood zit, of jaagt ook den huurprijs op van zijn huizen, omdat er nu eenmaal woningnood is, of hij schrijft veel te hooge rekeningen, enz. enz., ja, dan kan hij als zakenmensch misschien zijn plaats hebben, en dan zijn er wel die zeggen : hij heeft gelijk ; zóó doe ik ook ; ik heb ook liever een gulden dan een dubbeltje Maar ondertusschen komt de gedachte op : hij is ook al niet beter dan een ander ; zijn geloof leert hem voor het dagelijksche leven ook al niets bijzonders. En dan hebben de menschen volkomen gelijk, als zij zoo spreken. Hun vernietigend getuigenis is een stem Gods. Laat niemand zeggen: „zij weten het niet, zij kunnen een geloovig mensch niét waardeeren". Zij weten het terdege hoe het beho'ort. Zulke menschen moeten er in het ambt zijn, van wie de buitenwereld niet het minste kwaad weet te zeggen, wat hun levenswandel betreft. Van Daniël staat, dat zij niets op hem konden vinden. Het eenige waarin zij hem wilden treffen was de zaak met zijnen God. Laat het eenige „kwaad" dat zij van de opzieners kunnen zeggen dit zijn : zij gelooven in den Christus der Schriften, Wien te volgen in leven en sterven hun lust is. Nu ja, laat hen dat maar zeggen. Dat „kwaad" is de zaak tusschen God en hunne ziel. Maar die zaak brengt mee dat zij voor Ood zich verootmoedigen om hun inwonend kwaad, maar dat er te-gelijk geen smet kleve - op hun levenswandel. Die zaak brengt mee dat de buitenstaanders zeggen : als er een gemeenschap Gods is, dan izijn zij het van wie ik dat gelooven kan De buitenstaanders hebben, volgens Paulus, wel wat te zeggen voor het
Als een opziener geen goed getuigenis heeft van hen die buiten zijn, valt hij in smaadheid. Natuurlijk, dan zullen de menschen hem bespotten en smaden. Zij zwijgen niet. En uit hun mond komt dan nog veel meer dan een stem Gods. Ook bespotting over heel de Gemeente. Als de herders zóó doen, wat zullen de schapen niet zijn ! In dien weg valt de opiziener in den strik, hem op die wijze door den duivel gespannen. En als God hem er niet van verlost, n.l. van een onchristelijken levenswandel, haalt Satan zijn strik hoe langer hoe vaster om hem heen. Het slechte getuigenis dat de buitenstaanders geven is een overwinning van Satan. Dan heeft hij veel gewonnen. Een strik heeft hij geworpen, die menigeen lange jaren omknelt. Het is voor de Gemeente zoo noodig dat er opzieners zijn die een goede getuigenis hebben van hen die buiten zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Eenvoudige Bijbellezing

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's