Feuilleton.
GEVEN.
EEN EPISODE UIT GELLERTS LEVEN.
(Uit het Duitsch vertaald).
Toen hij bij de arbeiders kwam, groetten zij hem eerbiedig, want ook onder het volk was Gellert bekend en zeer geëerd. Eén van hen zeide : Daar hebt u nog eens een wagen met hout gekocht, mijnheer de professor, er gaat meer op dan op twee gewone. We zullen er morgen nauwelijks mee klaar komen. En het hout is zoo hard als staal of ijzer !
Ik? Hout gekocht? vroeg Gellert en dacht met schrik er aan dat zijn kas tot op den bodem toe leeg was. Ik weet van niets ! Jullie moeten je vergissen, beste menschen ! Hij spoedde zich naar binnen en de houthakkers keken elkaar aan en lachten.
Dat is ook een van die geleerden, die hun eigen hoofd vergeten en verliezen zouden, als het niet vastgegroeid was, bemerkte een van hen.
Stil, riep de ander, zeg niets van dien man ! Hij is het die ons zulke mooie, geestelijke liederen maakt en Leipzig mag trotsch op hem zijn !
Gedurende deze korte woordenwisseling was Gellert het huis binnen getreden. Zijn hospita trad hem met een vriendelijk gezicht tegemoet.
Gefeliciteerd, mijnheer de professor, zeide zij.
Waarmee dan ? vroeg Gellert verwonderd.
Nu, ging de vrouw voort, u waart nauwelijks uitgegaan, toen kwam er een vrachtwagen met vier paarden voor en laadde een ongeloofelijke massa van het beste beukenhout, hier af. Van wie is dat hout ? vroeg ik, vervolgde de spraakzame juffrouw. Wel, zei de voerman, ik ben de knecht van den dorpsschout uit X en breng dit hout aan mijnheer professor Gellert, die woont toch hier ? Zeker, zei ik, hij woont bij ons ; maar hij is niet thuis. Doet er niet toe, antwoordde hij, ik laad het toch af en zeg u mijn boodschap en u kunt haar dan aan den professor overbrengen. En toen begon hij af te laden en af te laden alsof er geen eind aan zou komen. Het was een berg van hout, zeg ik u, mijnheer de professor, en ik liet dadelijk, voor de politie, de houthakkers bestellen. Die werken nu al den heelen middag en men ziet het nauwelijks dat het minder wordt. Ze moeten het nu maar op de binnenplaats brengen, want op straat mag het niet blijven liggen, dat weet ik uit ervaring, daarvan zou ik u een geschiedenis kunnen vertellen, van de politie, met wie men in dat opzicht geen gekheid mag maken.
Ja, dank u, later maar eens — weerde Gellert af, die wel wist, dat als deze bewegelijke tong verhalen begon te vertellen. waarvan ze er dan voor ieder voorkomend geval een aantal in voorraad had, hij in de kou nog wie weet hoelang zou moeten staan — zegt u mij liever wat het kost en dan —
Kost ? Waarde heer professor, het kost niets, heelemaal niets, want het is een geschenk —.
Wat zegt u ? riep Gellert vol verbazing uit.
Ja zeker, ging zij voort, want de boodschap van den knecht luidde zoo — en nu herhaalde zij woord voor woord wat de knecht gezegd en wat de dorpsschout hem opgedragen had.
Gellert wist van verbazing niet hoe hij het had. Voor het lied : Ik heb in goede tijden enz., heeft hij dat uitdrukkelijk gezegd ? vroeg hij na eenige oogenblikken stilzwijgen.
Precies zoo, mijnheer de professor. Het moet een nieuw lied zijn want ik heb het nog niet gezien.
Gellert schudde ongeloovig het hoofd ; want hoe dat in z'n werk gegaan kon zijn begreep hij niet. Nog minder begreep hij hoe de dorpsschout van het lied gehoord kon hebben in dezen tijd van oorlog en onlusten, daar de dokter het toch pas laat op den morgen meegenomen had om het aan zijn vrouw voor te lezen ; maar al zijn gepeins hielp hem niets en de feiten getuigden voor zichzelf; het hout was er, kostte niets, was genoeg voor den geheelen winter ongeveer en van de allerbeste soort. Als daar niet ergens een vergissing achter stak die later betaald zou moeten worden dan was het een — wonder.
Nog eenige malen herhaalde intusschen de hospita de boodschap van den knecht en alle omstandigheden bij elkaar genomen bleef er geen twijfel over. Het hout behoorde hem toe.
Gellert begaf zich naar zijn kamer waar 't lekker warm was, trok zijn kamerjas aan en ging in den grooten leunstoel zitten, waarin reeds zijn vader in Haynichen menig uur van zorg en moeite had doorgebracht. Maar Gellert zat er opgewekter in dan vanmorgen. Had niet Gods goedheid hem dezen zegen geschonken nu hij er zoo zeer behoefte aan had ; daavoor dankte hij Hem innig, at zijn soep die men hem bracht, studeerde nog een uurtje en ging dan met het voornamen naar bed, om zoodra het doortrekken der troepen voorbij zou zijn, zelf naar den dorpsschout te gaan, om de noodige opheldering in deze zaak te verkrijgen. Aan den dokter dacht hij in 't geheel niet, want hoe zou die nu naar den dorpsschout van X komen, juist nu van die zijde de weg versperd was door soldaten ? Maar voordat hij in slaap viel schudde hij nog het hoofd, ten teeken dat hij den samenhang van dit alles onmogelijk kon vinden.
Den volgenden morgen was de dokter van plan vroegtijdig naar Gellert te gaan, om hem den samenhang der houtgeschiedenis op te helderen, maar zoo gemakkelijk zou hij het ook vandaag niet hebben. Reeds heel vroeg kreeg hij groote inkwartiering. Nauwelijks kon hij zijn zieken bezoeken. Met grooten haast spoedde hij zich door de straten, toen hem een onbekende stem toeriep. Hij keek op en zag den ouden Neidhardt, die hem wenkte om bij hem te komen en wel zeer dringend.
Hoe gaat het met den armen schoenmaker ? vroeg hij na een vluchtige begroeting.
Dien hebt u betere medicijnen voorgeschreven dan ik, riep dé dokter uit.
Och mijnheer de dokter, antwoordde verheugd en bewogen de oude man, dat komt alles door uw waarden vriend, den voortreffelijken heer professor Gellert. Van hem gaat toch alles uit. Zonder hem zou ik op mijn oude manier verder gehandeld hebben, die ik nu vervloek.
Ja, ja, meende de dokter, gaat u maar door met uw medicijn en over eenigen tijd is de man als een eik. Apropos, mijnheer Neidhardt, weet u echter ook alles precies ? — Weet u welk een offer Gellert met de dertig daalders bracht ?
Hoe zoo ?
Nu, stel u voor, Gellert is zeer arm. De dertig daalders, die hij aan de vrouw van den zieken schoenmaker gaf waren zijn geheele vermogen en sedert eergisteren heeft hij geen cent meer en weet er ook nergens een vandaan te halen en toch dacht hij niet aan de gevolgen, maar slechts aan den nood der arme menschen !
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's