Uit het kerkelijk leven.
Er dreigt gevaar.
Ja — waar dreigt het gevaar niet ? Overal immers. Alles wat op zichzelf goed is, wordt altijd bedreigd door hetgeen niet goed is, opdat het goede door 't verkeerde zal bedorven worden en de zegen en de blijdschap geroofd. Wel geldt ook hier : waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.
Ten opzichte van het z.g.n. evangeliseeren hebben wij in het midden van onzen Gereformeerden Bond van het begin af aan gesproken van „gevaar". Wij herinneren in dit verband nog eens aan de brochure, jaren en jaren geleden, door ds. Jongebreur geschreven en door den Gereformeerden Bond uitgegeven en verspreid.
Met dat „evangeliseeren" staat het wel eigenaardig.
Want ja, omdat er zooveel afwijking, fundamenteele afwijking van de Gereformeerde Waarheid, die naar de Schriften is, gevonden wordt in het midden van onze Herv. (Geref.) Kerk, is mee het doel van den Gereformeerden Bond de verdediging van de Waarheid naar Gods Woord ter plaatse op zich te nemen. Als van de Waarheid Gods wordt afgedaan, dan moet een ander geluid gehoord worden uit den mond van degenen, die die Waarheid naar de Schriften, nader uiteengezet in onze Gereformeerde belijdenisschriften, lief hebben. En het moet als een blijde boodschap, als een evangelie, weerklinken wat God op 't hoogst verheerlijkt en den zondaar op 't diepst vernedert, waarbij Jezus Christus voor oogen geschildend moet worden als de alleszins genoegzame Zaligmaker, die onmisbaar is voor een iegelijk en dierbaar voor degenen, die gelooven.
Dat brengt mee, dat er vanwege den Gereformeerden Bond gesproken en getuigd wordt in tal van gemeenten van ons Vaderland, om rondom de Gereformeerde belijdenis te vergaderen en in de kennis daarvan te fundeeren en op te bouwen.
Natuurlijk moest nummer één zijn : in die gemeenten te getuigen, waar de Waarheid geheel weg is en alles kerkelijk verzand is in de modernistische leugenleeringen, die den mensch in elk opzicht armer en ongelukkiger maken, gelijk in moderne streken van ons Vaderland zonneklaar blijkt. Wie in 't vleesch zaait, zal verderfenis maaien, zegt het Woord ; en de waarheid wordt klaarlijk bewezen.
Daar moest dus allereerst „geëvangeliseerd" worden, gelijk het ook wel geschied, als in Boskoop, Oudshoorn, Stolwijk enz. ; al is 't lang niet genoeg. Hier moest een betere organisatie zijn en meer aanpakken.
Noord-Holland vraagt om dat werk. In Drenthe en Gelderland ligt terrein. Groningen en Friesland zijn in grooten nood. Kan in die richting niet meer gedaan worden ? Wij gelooven, dat hier moet wordten geantwoord : ja ! Al valt 't niet te ontkennen, dat plaatselijk hier de toestanden dikwijls uiterst samengesteld en voor óns, leden van den Gereform. Bond, niet bepaald gunstig zijn. Wat echter niet wegneemt, dat zij, die uit liefde tot de Waarheid bereid zijn hier en daar heen te trekken, meer het oog moesten hebben op die moderne gemeenten en die geestelijk-verwoeste streken van oms Vaderland. Laat ons 't maar eerlijk bekennen dat wij hier veelszins tekort schieten. Niet weinig. Wat ons tot schuld moet worden.
Dit neemt echter volstrekt niet weg, dat er ook tal van gemeenten zijn, waar men „alleszins godsdienstig" is, maar waar toch de Gereformeerde Waarheid niet zuiver wordt gebracht en voorgestaan, waar het Woord Gods niet recht gesneden wordt, in den zin en naar de opvatting van onze Gereformeerde belijdenisschriften. En in zulke gemeenten, die Orthodox heeten, is dan niet zelden een groep van menschen, grooter of kleiner, die het gemis voor zichzelf en voor anderen voelen en die naar wegen en middelen omzien om er in te voorzien.
Natuurlijk zijn hier de moeilijkheden 't grootst.
Maar wie zal ontkennen, dat het Remonstrantisme veelszins wordt, gevonden ? en dat op tal van plaatsen het echte Gereformeerde in leer en leven, in de bediening des Woords en der gebeden en der sacramenten wordt gemist ?
Of ja — velen ontkennen dat niet. Die zeggen, dat het zuiver en goed is. Want wie wil er Remonstrantsch, wie wil er Ethisch, wie wil er niet Gereformeerd genoemd worden? De naam „Gereformeerd" is blijkbaar alleszins begeerlijk in onze dagen.
Toch neemt dat niet weg, dat er in vele gemeenten geen Gereformeerde prediking en geen Gereformeerde practijken gevonden worden ; terwijl dat dan een pijnlijk gemis geeft aan degenen, die de Gereformeerde Waarheid mogen lief hebben en de Gereformeerde practijken hebben leeren onderscheiden.
Daar moeten de Gereformeerden zich organiseeren. Niet om de Herv. (Geref.) Kerk te verlaten, maar om in en voor die Kerk te werken en te bidden ; om ook, zoo mogelilk, voor eigen kring en voor anderen de Gereformeerde Waarheid te verdedigen en bekend te maken, opdat men zelf des te beter in die Waarheid thuis rake en anderen er voor winne.
Natuurlijk kan dat groote moeilijkheden geven.
Men kan en mag maar niiet in 't wilde weg werken, als de plaatselijke omstandigheden zoo zijn. En in de eene gemeente zal men weer voor gansch andere dingen komen staan dan in de andere gemeente.
Een kring van Hervormd-Gereformeerden te vormen lijkt ons nuttig en noodig. Een afdeeling van den Gereformeerden Bond op te richten verdient zeer zeker aanbeveling.
En noch de Vrijzinnigen, noch de Evangelischen, noch de Ethischen, noch de Confessioneelen kunnen en mogen dat kwalijk nemen. Wat zij zelf doen, mogen zij anderen niet verhinderen te doen. De nuanoeering is er. En dan hebben zij, die zich samentrekken rondom de oude, beproefde Waarheid, met de Gereformeerde leer en de Gereformeerde practijken, zeker recht van bestaan. Terwijl zij dan niet behoeven, neen, niet mogen stilzitten, maar in eigen kring zullen moeten werfen, om ook anderen te winnen voor wat onzen Vaderen lief was, ons lief is en onzen kinderen lieflijk moet worden gemaakt.
Die eigen kring zal, om de wille van de Gereformeerde Waarheid, om de wille van de eere Gods en het heil der ziele, moeten werken. Ook door vergaderen ; door vergaderen onder elkander ; door vergaderen in het openbaar, waar ook anderen genoodigd worden.
Zulks mag den Gereformeenden niet als een verwijt dan naar 't hoofd geslingerd worden. Want het hoort bij het Gereformeerd-zijn. Evenals men den hond niet tot schuld en schande mag rekenen, dat hij blaft als er gevaar is, of het den haan mag kwalijk nemen, dat hij kraait als de morgenstond aanbreekt.
Vergaderen ; vergaderen onderling ; vergaderen in het openbaar. Met het Woord in het midden.
Daarom behoeft men nog niet aanstonds kerkje te spelen. Natuurlijk niet. Hoewel het Woord en de belijdenis, als vertolking van dat Woord, in het midden moet staan en blijven staan; de belijdenis, met al die groote en heerlijke beginselen der Waarheid, die als fundamentstukken der Gereformeerde Waarheid moeten worden beschouwd.
Men kan en mag het aan het Gereformeerde volk in stad en dorp niet kwalijk nemen, dat zij het Woord liefhebben en daarover met elkander willen spreken ; dat zij samen willen handelen over de fundamentstukken der Waarheid en zich in de rechte kennis daarvan willen oefenen. O ! de Waarheid Gods is zoo rijk door veelheid van schatten, door God aan Zijn Kerk geopenbaard in Zijn eeuwig blijvend getuigenis. En elke tijd, met z'n nieuwe eischen, nieuwe vragen, nieuwe toestanden vraagt weer om nieuwe beleving en toepassing en verdediging en verbreiding der Waarheid Gods, tot eere Zijns Naams, tot stichting van Zijn volk, tot opbouw van Zijn Kerk.
Hier dreigt gevaar.
Gevaar, dat „men" het aan het Gereformeerde volk toch kwalijk neemt, dat men Gereformeerd is en zij als Gereformeerden zich openbaren. Dat zij anders zijn dan de anderen, die in leer en leven, ook in de practijiken van het kerkelijk leven, verschillen van de Gereformeerde Waarheid. „Men" noemt en scheldt ze dan als ontevredenen, eigenzinnigen, onhandelbaren, ondankbaren, enz.
En natuurlijk is het onder dat Gereformeerde volkje niet alles goud wat er blinkt.
Doch die hostiele (vijandige) houding tegenover dat Gereformeerde volk beteekent niet zelden wie men zelf is.
„Men" moest dan ook probeeren, om in die mentaliteit van dat Gereformeerde volk een weinig meer in te komen en men behoorde dat Gereformeerde volk meer vriendelijkheid te bewijzen. Natuurlijk niet om de hebbelijkheden — de onhebbelijkheden, die er soms ook zijn laten we nu buiten beschouwing — Van dat Gereformeerde volk allereerst, maar om de wille van de Waarheid zelf. Ook om de wille van de Herv. (Geref.) Kerk.
Evenwel, daaraan ontbreekt het juist veelsizins.
Jammer daarom dikwijls die hostiele (vijandige) houding tegenover de Gereformeerden in de Hervormde Kerk. Die juist, omdat zij Gereformeerd zijn en de Gereformeerde Waarheid hun lief is, niet mogen en niet kunnen stilzitten en zich in eigen kring op het onderzoek der Schriften en op het onderzoek der Waarheid zullen moeten toeleggen, om ook in openbare vergaderingen er naar te staan die rijke, veelzijdige en heerlijk afwisselende Waarheid van verschillende kanten te laten zien, tot onderwijzing van velen en tot lokking en trekking van degenen die nog buiten den kring staan.
Daarom zijn wij er vóór, sterk voor, dat de Gereformeerden zich organiseeren ; dat zij vereenigingen oprichten ; dat zij zich vormen tot een afdeeling van den Gereformeerden Bond ; dat zij de Waarheid bespreken ; dat zij allerlei arbeid ter hand nemen ; dat zij zich bemoeien met het onderwijs, met het vereenigingsleven; met 't Zendingswerk ; niet het minst ook met de vraagstukken rakende het kerkelijk leven.
Waarom is er nog zoo weinig organisatie van stad tot stad, van dorp tot dorp ?
Waarom zoo weinig Gereformeerde Vereenigingen binnen de grenzen van onze Hervormde Kerk ? Waarom zoo weinig afdeelingen van onzen Gereformeerdten Bond van provincie tot provincie ?
Er dreigt gevaar, dat men de saamhoorigheid niet genoegzaam voelt. Dat men te weinig in 't oog houdt het groote, dat roept om vereende krachten.
En dan dreigt nog een ander gevaar.
Dat men, waar een groep van Gereformeerden is, kleiner of grooter in aantal, van meening is, dat „preeken" het een en het al is ; waarom men zich vereenigt om te laten „preeken" en meer niet.
Dat is een gevaar, dat dreigt als een tweesnijdend scherp zwaard, om dubbele schade te gaan brengen ; schade aan eigen kring en schade door degenen, die buiten staan.
Natuurlijk moet het Woord staan en blijven staan in het midden van degenen die Gereformeerd zijn. Daar zijn ze Gereformeerd voor. Willen anderen zich rondom iets anders scharen, dan moeten zij dat zelf weten ; Gereformeerden kennen niet anders dan Gods Woord, als een lamp voor den voet en een licht op het pad ; als een gids op den weg en een staf op de reis ; als brood om er door in 't leven te blijven en als water, om er door voor bezwijken te worden bewaard.
Maar, dan moest men niet doen, alsof nu „preeken" het een en het al is.
Dat bewijst, dat men den tijd, die zoo veelzijdig van nood is, niet genoegzaam kent en dat men ook geen oog heeft voor de veelkleurigheid der Gereformeerde Waarheid, welke van zoo verschillende kanten in onze dagen zal moeten worden benaderd om er licht en wijsheid voor het leven van den tegenwoordigen tijd uit te putten.
Wat vragen de problemen van den dag, de vragen van jongen en ouden, de pretenties van velerlei secten, de nooden van het kerkelijk leven — wat vraagt school. Kerk gezin, maatschappij niet om de bestraling van het licht van dat Woord van God en om de doorloutering van dat alles met de Waarheid, in onze belijdenis zoo kostelijk neergelegd en nader uiteengezet.
En daar wordt te weinig aandacht aan geschonken.
Als men maar samenkomen kan om een „preek" te beluisteren, dan denkt men niet zelden : nu hebben we, wat we hebben moeten.
Wat niet waar is.
De rijkdom van de Gereformeerde waarheid biedt veel meer en de nood der tijden vraagt veel meer.
Maar men ziet het niet, men voelt 't blijkbaar niet ; en men wordt door anderen, die voorgangers moesten zijn, niet zelden op een dwaalspoor gebracht en gehouden.
Men zegt dan, dat het Gereformeerde volk liever een „preek" hoort dan een lezing. Waarbij men wellicht óók zou kunnen zeggen, dat er zijn, die liever een preek houden, dan een lezing geven. Doch beide omstandigheden bewijzen, dat men de dingen verkeerd ziet en verkeerd behandelt; om elkander in het verkeerde dan te sterken, inplaats van elkander in het goede te helpen.
De kwestie staat niet : preek of lezing.
Want het Woord moet in het midden staan..
Maar de veelzijdigheid van de Waarheid en de talrijkheid der nooden en behoeften van onzen tijd worden blijkbaar niet gevoeld, als men een „preek" als een stoplap gaat gebruiken, inplaats van het Woord uit te leggen en te verklaren, met toepassing op het vele dat ons omringt, in Kerk, school, gezin, maatschappij, sectewezen, religieuse dwalingen, enz. enz.
Genade en natuur, Kerk en wereld, geloof en wetenschap, waarheid en leugen — zijn het geen tegenstellingen, met tal van conflicten voor hoofd en hart, voor leer en leven, voor Kerk en gezin, voor staat en maatschappij ?
En 't Gereformeerde volk moet meer en meer leeren vragen aan de voorgangers : licht ons voor, onderwijst ons, leidt ons rond in de Schriften, met toepassing voor het groote, huidige, veelvormige en veelszins zoo moeilijke leven. Waarbij de voorgangers dien nood van het Gereformeerde volk zullen moeten kennen en voelen, om anders dien nood aan het Gereformeerde volk voor te houden om duidelijk te maken, gevende dan, wat de Heere door alle tijden, naar de behoefte van den tijd, aan Zijn dienstknechten geven wil, zoo zij Hem vragen, wat hun noodig is om te zijn goede uitdeelers van menigerlei genade.
Ook daar waar wij Gereformeerde vereenigingen hebben en afdeelingen van den Gereformeerden Bond, dreigt gevaar in deze.
Het doel is bespreking, verklaring, verdediging, verbreiding van de Waarheid ; van die rijke, veelzijdige, heerlijk afwisselende Waarheid, zoo juist passend ook voor den tijd waarin wij leven, met die vele vragen, vele eischen, vele nooden en vele behoeften, die om oplossing, die om vervulling vragen, in den weg van het Woord.
En dan vervalt men niet zelden in — „preeken".
Wat verkeerd is.
Omdat dit niet het doel is van onze Gereformeerde Vereenigingen, van onzen Gereformeerden Bond en zijn plaatselijke afdeelingen.
Wij moeten een hooger, een rijker, een breeder doel voor oogen hebben en houden, in onzen tijd zoo vol van allerlei vraag en nood. Waarbij bovendien ook zooveel misverstand gewekt wordt bij degenen die buiten zijn en tegenover ons staan.
Waarom moet een vergadering door een Vereeniging uitgeschreven, waarom moet een samenkomst, uitgaande van een afdeeling van onzen Bond, noodzakelijk den vorm van een godsdienstoefening en van een preek gaan aannemen ?
Waarom het kerkje spelen, met votum en zegen ; met voorlezen en al den aankleve van dien ?
O, zeker — de eene gemeente is de andere niet. Wanneer wij, onder leiding van den Kerkeraad, in de Kerk in de bediening des Woords over een bepaald gedeelte van de Waarheid, met bizondere toepassing van die Waarheid voor deze of gene zaak, mogen optreden, dan maakt het natuurlijk verschil! Groot verschil !
Maar als er ergens een Vereeniging is, die openbare vergaderingen organiseert, om in en bij verschillende „onderwerpen" de Gereformeerde Waarheid te bespreken en te verdedigen en te verbreiden — waarvoor dan misschien een kerkgebouw welwillend is afgestaan, niet om te „preeken", maar voor „leningen" — laat men dan toch zoo verstandig zijn, om zich aan dat doel te houden en geen kerkje gaan spelen, maar dat de zaak scheef trekt en welicht geen kleine ergernis geeft.
Laat ons de zaak hóóger stellen dan veelszins geschiedt.
Laat men het wat veeleischender maken, dan een „preek" te vragen en een „preek" te geven. Laat men midden in den veeleischenden tijd, waarin wij en onze kinderen leven, méér vragen en méér geven.
De uitlegging der Schriften, naar de behoefte van den tijd, hebben wij noodig.
Wat veelszins moeilijker is dan een „preek" te houden.
Wat ook geschieden moet zonder kerkje te spelen ; omdat het inderdaad iets anders is en iets anders zijn moet.
Dan kan de Waarheid zoo heerlijk verbreid, zoo kostelijk verdedigd, zoo warm bepleit en zoo hartelijk toegepast worden, dat de zegen, onder de gunste Gods, niet gering zal wezen voor elk terrein des levens ; voor hoofd en hart, voor tijd en eeuwigheid, tot voordeel en zegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's