Stichtelijke overdenking.
Dus tob Ik u een land .gegeven waaraan .gij niet .gearbeid hebt, en .steden, die gij .niet , gebo.u.wd hebt en «ij woont in dezelve, .gij eet van ide wijngaarden en alijfboomen, die , gij ifiet .geplant hebt. Jo'zua 24 vers 13.
Vrije genade.
De gelegenheid, waarbij deze woorden werden uitgesproken, verplaatsen ons in onze gedachten bij Jozua, als deze afscheid neemt van het volk van Israël. Hij voelt zijn einde naderen en nog eenmaal wil hij het volk waarschuwen. Hij, die zoozeer de eere Gods bedoelde, hij, die wist hoe heilig de geboden des Heeren zijn en hoe kwaad het is tegen den Heere te zondigen, maar die ook wist hoezeer het volk Israels geneigd was den Heere te vergeten en andere goden eere te bewijzen, hij kan het niet nalaten vóór zijn heengaan nog eenmaal in hun herinnering terug te roepen, wat de Heere voor hen gedaan had, hoe Hij hen uit de Egyptische slavernij had verlost door middel van Mozes en Aaron. Wat hadden de Israëlieten zelve er aan gedaan ? Immers niets. Zij hadden slechts te volgen en acht te geven op de werken des Heeren. Ja, ook in de woestijn, opidat zij niet hunne voeding en hun onderhoud aan zichzelven en aan hun ijver zouden toeschrijven, heeft de Heere ze gevoed met manna uit den hemel en water uit de steenrots, zoodat zij in allen deele geleefd hebben rechtstreeks uit de hand des Heeren, onderhouden door Zijne goddelijke leiding en wondermacht. En later, toen de Heere ze inbracht in het land der Amorieten, die tegen hen streden, ziet, de Heere gaf hen in hunne hand en zij bezaten het land erfelijk. Zoo ook was het volk eindelijk op wonderbare wijze getrokken over de Jordaan, de muren van Jericho waren gevallen, zonder dat zij er zelf iets aan gedaan hadden, en de volkeren, die anders onoverwinnelijk waren, waren in hunne hand gegeven. En nu waren zij dan als door een wonder van Gods wijsheid, almacht en goedertierenheid in Kanaan gekomen, en had de Heere hun een land gegeven, waaraan zij niet gearbeid hadden, en steden, die ze niet gebouwd hadden, en nu woonden zij daarin, opdat zij eten zouden van de wijngaarden en ohjfgaarden, die zij niet geplant hadden. Zij hadden dat alles ontvangen uit vrije gunst, zonder dat zij er een hand naar behoefden uit te steken. Wonderbare beschikking des Heeren. Grenzenlooze lankmoedigheid en trouw. Wat toch ,was Israël dikwijls weerspannig geweest. Menigmaal de geboden overtreden en gemurmureerd.
Wat was er dan toch liefelijks aan Israël, dat zulk een volk zóó gezegend kon worden ?
Waarom ?
Om des verbondswille, omdat het den Heere aldus behaagde, en omdat Hij lankmoedig was en getrouw, zoodat de ontrouw en rebelleering van Zijn volk 's Heeren verbond en getrouwheid niet te niet kon doen. Was de roeping niet uit den Heere geweest en om Zijns Zelfs wille, zij waren nooit Kanaan binnengegaan. Daarom had Mozes ook eenmaal gesproken : Wanneer nu de Heere uw God de vijanden voor uw aangezicht zal hebben uitgestooten, zoo spreek niet in uw hart, zeggende : De Heere heeft mij om mijne gerechtigheid ingebracht om dit land te erven, want om de goddeloosheid dezer volken verdrijft hen de Heere voor uw aangezicht uit de bezitting. Niet om uwe gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt gij er. henen om hun land te erven, want gij zijt een hardnekkig volk.
Zoo werkte de Heere alles voor hen uit, terwijl zij mochten aanschouwen, welke groote werken de Heere verrichtte voor dat volk, dat Hij verkoren had. Maar op gelijke wijze als de Israëlieten het land Kanaan in bezit genomen hadden, zonder er iets aan gearbeid te hebben, zoo is het ook met den weg der verlossing. Ook daaraan heeft de mensch geen hand uitgestoken, en daar aan zal hij zelf ook nooit iets doen. Dat is het werk van Gods souvereine, vrije genade. Het geheele werk der verlossing is uit God door Zijnen Zoon Jezus Christus, zoodat Zijne gunstgenooten de vruchten genieten van een werk, waaraan zij ook niet het minste gearbeid hebben. Wie toch heeft den Heere ooit bewogen tot de zending Zijns Zoons, en het teweeg brengen van het werk der verlossing? Was het niet Gods eeuwige vrije ontferming en barmhartigheid, Die bewogen in Zichzelf om Zijns Naams wille Zijnen Zoon zond op aarde, om door Hem de verzoening van Zijn volk teweeg te brengen, zonder dat eenig menschenkind daar ooit om gevraagd of er aan gedacht had ? Aan van nature vijanden gaf God Zijnen Zoon, gelijk geschreven is : God bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog vijanden waren en Christus is te Zijner tijd voor de goddeloozen gestorven.
Wie was het, die den Christus noopte om voor verlorenen te sterven en eene eeuwige verlossing aan te brengen ? Was het niet uit vrije ontferming, dat Hij dat op zich nam ter verheerlijking van den naam Zijns Vaders en ter behoudenis van in zichzelven verlorenen ? Was niet de mensch geheel verloren en doemwaardig, gelijk geschreven staat: de geheele wereld lïgt verdoemelijk voor God. Alzoo heeft de mensch niet het minste gearbeid aan de verlossing, integendeel heeft hij haar steeds tegengestaan en verworpen, zoodat de Christus veel meer door menschen werd vertreden dan aangenomen, gelijk geschreven staat : Hij is gekomen tot de Zijnen, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Wie was het vervolgens, die God den Vader bewoog Zijnen Heiligen Geest uit te storten ? Wie was het die het beschikte, dat het Woord gepredikt werd ? Wie was het die het hart der zondaars opende, die hen een afkeer deed krijgen van zichzelven? Wie was het dan alleen de Heere, die zulks deed uit vrije ontferming ? Ja, de Heere vindt elk mensch, die ooit wordt bekeerd, van nature als een vijand. Vijanden zijnde worden wij met God verzoend, zonder dat ooit iemand naar den Heere vraagde. De Heere was het, die den zondaar, die toegebracht werd buiten zijn toedoen, in de gelegenheid bracht om tot kennisse der waarheid te komen. Als men ziet op die reeks van wonderen, dan staan wij verbaasd over die trouwe Gods en mogen wij wel zeggen als een wonder van Gods vrijmachtige genade bewaard te zijn vóór het verderf dezer wereld en als een brandhout uit 't vuur te zijn gerukt, door Hem die Jeruzalem verkiest. Was het toch niet de Heere, Die, zonder dat gij er ooit om hadt gevraagd, u trok uit het verderf. Die u, weerspannige en roekelooze, belette in buitensporige zonden te leven. Vondt gij niet hardnekkigen tegenstand in uw hart, gedurige achteruitgang van uwe zijde, maar ook van de zijde des Heeren herhaalde liefderijke terechtbrenginig, voortdurende, voorkomende genade, volhardende, onwrikbare trouw. Bereken dan al de weldaden u geschonken, en gij moet erkennen, dat gij zelf niets gearbeid hebt, dat gij uit uzelf naar verlossing nooit zoudt hebben omgezien. Uit genade zalig geworden, gelooft gij dat? Erkent gij, dat gij niets hebt gearbeid, neen niet het minst, noch aan de verlossing, u geschonken, noch aan het hemelsche Kanaan, hetwelk gij hoopt in te gaan. Den Heere daarvoor alleen de eere. Al wat de Vader Mij gegeven heeft — zegt de Heere Christus — zal tot Mij komen, en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.
Daarom, volk van God ! maak den Heere groot. Die u geroepen heeft en betrouw op Hem alleen, voor Wiens rekening gij ligt, dit wetende, dat gij in Zijne handen veilig zijt. Maar waarom dan zooveel donkerheid ? Omdat men nog zoo gaarne in zichzelven wil werken en wil indringen in het werk des Heeren, om van alles het „hoe" en het „waarom" te willen weten ; men wil zelf alle zwarigheden oplossen ; men wil voorgaan, inplaats van volgen ; men wil zien, inplaats van gelooven ; men wil rechtvaardig zijn, inplaats van als een arm zondaar uit vrije genade gezaligd te worden ; men wil bidden en danken uit zichzelf, inplaats van als een biddelooze in zondaarsgestalte bidden te leeren van den Grooten Voorganger in het gebed ; men wil wat zijn, wat doen, inplaats van ledig en arm tot den Heere Jezus te komen, die geen gezonden, maar kranken, geen rechtvaardigen, maar zondaars roept. Troostvolle gedachte ! De Heere zegt: Toon Mij uwe gedaante, laat Mij uwe stemme hooren. Er is bereidwilligheid bij Hem, die riep. Hij is steeds de eerste. En wat moogt gij nu vragen, : Heere ! onderricht mij, want ik weet niets, en ben geheel verdorven. Ik kom tot U in deze mijne gedaante, geheel onrein van het hoofd tot de voeten. Zóó wil de Heere u hebben. Och ! dat men niet gering van Hem denke. Gij behoeft niets mee te brengen. Hij wil u alles geven. Hij geeft immers Zijne schapen het leven. Hij zorgt voor de Zijnen met een teedere liefde, ook in het kruis, dat Hij meent op te moeten leggen. Hij tuchtigt omdat Hij liefheeft, opdat daarna zou worden betuigd : Heere ! wat zijt Gij goedertieren, dat Gij op mij vertoornd zijt geweest, want Uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij. Wanneer ge in druk zijt, doe nooit moeite uzelf ontijdig uit de geestelijke gevangenis te verlossen, stel u onder 's Heeren hand en laat u tuchtigen en verootmoedigen door Zijne genade, want de Heere zegt: door verootmoediging zal Ik u grootmaken. Hij zal u geen minuut langer in de gevangenis laten dan noodig is. Dat men het dan niet langer van zichzelven verwachte, maar van den Héere alleen. In stilheid en vertrouwen zal uwe sterkte zijn. Zich zelven verloochenen en den Heere volgen, dat is het geheim der vrije genade. Israël moest altijd volgen, door de Schelfzee, in de woestijn, over den Jordaan, rondom Jericho, tegen de vijanden. Zoo moet Gods volk volgen door gebaande en ongebaande wegen, door licht en duisternis, door de woestijn, om te beërven dat land der ruste, het Kanaan hierboven, dat land, waaraan zij niet gearbeid hebben, om daar eeuwig te zingen van Gods goedertierenheden en eenig en alleen te roemen in de vrije genade.
Wezep.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's