De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

GEVEN.

6 minuten leestijd

EEN EPISODE UIT OELLERTS LEVEN. 

(Uit het Duitsch vertaald).
De geheel veranderde oude man sloeg de handen te zamen en riep uit : Is dat waar ?
Zoo waar als de winterzon in dit vertrek schijnt, verzekerde de dokter. Ik zal u het lied voorlezen dat hij in dezen toestand gedicht heeft. Hij haalde het blad te voorschijn en las het lied voor, dat hij in z'n zak gestoken had om het aan Gellert terug te brengen.
Zijn toehoorder luisterde aandachtig.
Dat is heerlijk, riep hij uit, Gellert is een bijzondere man. Laat u mij het lied toch overschrijven, mijnheer de dokter.
Dat zou ik wel willen, zeide deze, als ik het hem niet terug moest brengen.
Weet u wat, dokter, antwoordde Neidhardt, u gaat nu toch naar den schoenmaker en dan komt u terug en haalt het bij mij af.
Vooruit dan maar! zei de dokter en snelde weg.
De oude man schreef haastig het lied over, vervolgens las hij het, las het nog eens — dan zeide hij tot zichzelf : en deze man zou gebrek lijden ? En ik heb overvloed? Hij heeft mij op een goeden weg gebracht en sinds dien ken ik den zegen, die het weldoen aan anderen voor het eigen gemoed meebrengt. Neen, die dertig daalders zal ik hem dadelijk sturen. Hij moet ze terug hebben zonder te weten van wien ze komen.
Hij begaf zich naar zijn bureau, nam er een rol met dertig daalders uit, verzegelde haar en schreef er op : Voor het schoone lied : Ik heb in goede tijden enz. en gaf het zijn dienstmeisje met de opdracht het Gellert te overhandigen, daarna zoo spoedig mogelijk te verdwijnen en voor geen geld te vertellen van wien het kwam.
Gellert zat in de warme kamer aan z'n schrijftafel en studeerde vlijtig, toen er aan de deur geklopt werd en op zijn antwoord het meisje binnentrad, de rol op tafel legde en onmiddellijk weer verdween.
Gellert keek verbaasd naar het geld, nam het in de hand, las wat er op stond en legde het weer neer.
Dat is toch onverklaarbaar ! riep hij uit. Is dan dat lied soms gedrukt en in ieders handen ? Dat is onmogelijk ! Zou de dokter ? Ik kan het me niet voorstellen, want de dokter weet toch nog niets van het schoenmakersgezin en ik heb er hem nog niet heen kunnen sturen, daar ik hem sedert dien niet gezien, veel minder gesproken heb. God alleen weet, hoe dat in z'n werk is gegaan !
Hij werd echter in zijn gepeins gestoord, doordat er opnieuw aan de deur werd geklopt.
Ditmaal was het een Pruissisch officier, die den professor groette, nog wel een stafofficier, die dadelijk begon : Heb ik de eer met den heer professor Gellert te spreken ?
Om u te dienen, antwoordde de aangesprokene beleefd.
Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Heinrich van Pruissen, die sedert gisterenavond hier is, wenscht den heer professor te spreken en laat vragen, daar mijnheer professor lijdende is, wanneer hij hem kan bezoeken.
Bezoeken ? mij ? een koninklijke prins van Pruissen, mij ? Dat kan slechts een vergissing of een ongelukkig gekozen uitdrukking zijn.
Ik verzoek u onderdanig, Zijne Koninklijke Hoogheid mede te willen deelen, dat ik het mij tot een hooge eer zal rekenen Zijne Koninklijke Hoogheid te bezoeken, als Zijne Hoogheid mij een uur aangeven wil, daar ik geenszins bedlegerig ben', zooals u ziet, zeide Gellert.
De adjudant glimlachte om den schrik des geleerden, wien de onderscheiding van den prins geheel van de wijs bracht.
Maakt u zich niet ongerust, mijnheer de professor, zeide de adjudant, de prins heeft zich inderdaad zoo welwillend uitgedrukt en het is een bewijs van de hoogachting welke hij u toedraagt. Zoudt u echter Zijne Koninklijke Hoogheid met UW bezoek willen verblijden, dan zal ik het mij tot een eer rekenen, u thans naar Zijne Hoogheid te geleiden, als u dat wenscht.
Dan verzoek ik u mij toe te staan dat ik mij verkleed, zeide Gellert.
De adjudant boog en Gellert begaf zich naar zijn slaapkamer en trad kort daarop met zijn beste pak aan weder binnen, gereed om den adjudant te volgen.
Toen zij bij den prins binnentraden, kwam deze hem tegemoet, reikte hem zijn hand en overlaadde hem met vriendelijke woorden. Het verheugde hem buitengewoon, zeide de prins, den dichter van het schoone lied : Ik heb in goede tijden enz. voor zich te zien.
Gellert wist niet wat te zeggen toen ook de prins al weer van dit lied sprak. Hij meende nu dat het op onverklaarbare wijze onder het publiek moest gekomen zijn, wat hij echter ook weer niet kon begrijpen. Het geval bracht hem geheel in de war. Hoe kon het toch gebeurd zijn, daar hij het gisterenmorgen pas gedicht had ? — Hij had den prins wel willen vragen hoe hij het lied had leeren kennen ; maar het leek hem toch niet gepast zulk een vraag tot den prins te richten.
Men heeft mij gezegd, ging deze voort, dat u zeer lijdende waart, maar het verheugt mij u beter aan te treffen dan ik verwacht had. Niettegenstaande dat is uw gelaatskleur verre van gezond en er is reden om te veronderstellen dat u te veel zit ?
Mijn beroep maakt het studeeren noodzakelijk, zeide Gellert met een buiging.
Zeer waar, ging de prins voort ; maar u moet er aan denken, dat het Duitsche volk zijn lievelingsdichter graag wil behouden en uzelf wat meer beweging gunnen.
Dat doe ik zooveel mogelijk. Uwe Hoogheid.
Goed, waarde heer professor, sprak de prins, maar niet genoeg.
Hoe dikwijls zal u de modderige straat er van terug houden, om van andere verhinderingen maar niet te spreken. Daarom moest u zich een paardje aanschaffen en dagelijks gaan paardrijden. Geen andere beweging is zoo goed voor menschen wier beroep hen tot zitten dwingt.
Zeer waar. Koninklijke Hoogheid. Ook mijn dokter schrijft mij dat voor, maar niet ieder heeft de middelen om —•
Zeer waar, mijnheer Gellert, zeide de prins hem na, als het hart zoo mild en barmhartig is dat het de laatste dertig daalders aan een arme liefdevol weggeeft.
Gellert had van verlegenheid wel in den grond willen zinken. Wist dan de geheele wereld — ? — Het werd hem groen en geel voor de oogen.
De prins zag zijn veriegenheid en vatte zijn hand.
Edele man, zeide hij, ik weet hoe u gehandeld hebt en het zij verre van mij datgene te veroordeelen waartoe Gods rijke genade u gedreven heeft. Ja, God zegene u daarvoor ! Veroorloof mij echter u uit mijn particulieren stal 'n paard aan te bieden, welks tamme geaardheid het zeer geschikt maakt tot rijpaard voor een man des vredes.
Uwe Koninklijke Hoogheid — stamelde verrast de dichter, maar hij kon geen woord meer uitbrengen, want zijn stem begaf hem.
(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's