De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

6 minuten leestijd

Ik wil dat gij zonder bekommernis zijt. 1 Corinthe 7 vers 32.

Bekommernis.
Wat wordt onze Bijbel toch dikwijls lichtvaardig gebruikt !
Wat worden er al niet een woorden uit den Bijbel aangehaald, geheel uit hun verband gerukt, om dikwijls het tegenovergestelde te staven van wat er eigenlijk mee gezegd wordt.
En door dergelijk misbruik van den Bijbel komt het, dat zoovelen, die niet anders er uit hooren dan zoo nu en dan een verkeerd toegepasten tekst, er niet van willen weten om dien Bijbel te erkennen ais het eenigst veilige kompas op de zorgelijke vaart over de felbewogen levenszee.
Zulk een verkeerd begrepen woord is ook de tekst, die hierboven staat. Toch moet hij zoo luiden en niet anders. Want niet iets andere woorden heeft Jezus tijdens Zijn leven hetzelfde gezegd, wat Paulus hier aan de Corinthiërs schrijft. „Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, want de morgen zal voor bet zijne zorgen ; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad". Zoo had het van den berg geklonken, waar Jezus zijn groote rede heeft gehouden. (Matth. 6 vers 34).
En nu hebben noch de Zaligmaker, noch de apostel gewenscht dat de menschen zonder bekommernis omtrent hun hoogste, eeuwige, belangen zouden zijn.
Neen, de woorden worden tot de geloovigen gericht — tot hen, die door genade aan zich zelve en de algeheele verdorvenheid ontdekt, in Christus den Verlosser hebben leeren zien en daarmee tot inzicht van vergeving en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest zijn gekomen ; en wat door bekommernissen verstaan wordt is niet een voorzichtige oplettendheid, maar een zorge­lijk tobben, vooral wat de tijdelijke dingen betreft.
De Apostel bedoelt niet de Corinthiërs aan te sporen tot 'n leventje van Luchhart : treurniet, maar wil, dat zij zich overtuigd houden, dat wij de kracht en den moed ontvangen zullen, die we noodig hebben, wanneer de wreede beproeving komt.
Voorzorg wordt ons terdege in het Woord aanbevolen. „Zoekt eerst Gods Koninkrijk en Zijne gerechtigheid", zegt Jezus onmiddellijk voordat hij waarschuwt tegen de bezorgdheid en Paulus vermaant de geloovigen om hun roeping en verkiezing vast te maken.
In zulk een belangrijke zaak als onze hoop voor de eeuwigheid is, kunnen en mogen we niet gedachteloos of onbekommerd zijn.
Zelfs ten aanzien van onze tijdelijke belangen kunnen wij verzekerd zijn, dat ons geenszins de voorzichtigheid en zorgvuldig nadenken verboden wordt. Integendeel : God heeft ons in de wereld geplaatst en ons tal van plichten opgelegd — niet om die te verwaarloozen en Gods water maar over Gods akker te laten loopen maar om onze oplettendheid dagelijks daaraan te wijden.
Van den staatsman af tot den nederigsten arbeider bestaat er geen werkkring waarin men vrij van voorzorg is of die zonder schade voorbij kan zien. Gods Woord schrijft overal naarstigheid, ijver, volharding voor en zonder dat kan er slechts armoede en ellende ontstaan.
Het letterlijk nalaten van het zorgen voor den volgenden dag zou het onbearbeid laten van den grond insluiten ; wij zouden ophouden te zaaien, maar daardoor ook ophouden te maaien en dus gebrek lijden.
Neen, wat we in Rusland hooren dat gebeurd is, kan nooit de bedoeling van den Zaligmaker geweest zijn. Geen communistisch interen van bestaande voorraden zonder voortbrengenden arbeid is de aardsche roeping van den christen.
Het is onze plicht om eerlijk en getrouw werkzaam te zijn, een ieder in de roeping waarin God ons gesteld heeft, alle wettige en eerlijke middelen gebruikend om een behoorlijk levensonderhoud te verkrijgen. Dankbaar moeten we er voor zijn, als God ons in staat stelt om door volhardende vlijt of zelfs door zwaren eri harden arbeid ons dagelijksch brood te verdienen.
Ja, de apostel verklaart ergens anders zelfs dat „indien iemand niet in zijn „eigen zaken voorziet, en vooral niet in „die van zijn eigen huis, hij het geloof „heeft verloochend en erger is geworden dan een ongeloovige".
Het is dus niet deze zorg, waartegen de apostel waarschuwt.
Maar hij vermaant ons dat wij al zorgende onze gedurige algeheele, dagelijksche afhankelijkheid van God in gedachtenis moeten houden. Wij moeten ons overtuigd houden dat al ons zorgen, ons bedenken, onze vlijt, zonder Gods zegen tevergeefs zijn ; en om ons van alle zondige vrees en bekommernis voor de toekomst te ontdoen, moeten wij „al onze zorg en bekommernis op Hem werpen, wetende, dat Hij voor ons zorgt".
Wij moeten niets ondernemen, geen plannen of afspraken voor den volgenden dag maken, zonder ze in Zijn handen te stellen.
Hoe velen laten dit na in hun dagelijksch leven !
Zij beramen plannen voor de toekomst alsof alles van hun bekwaamheid en voorzorg afhing.
De ware christen echter, die niet alleen in uiterlijke plichtsbetrachting zijn God meent te dienen, maar die op alle terreinen des levens met God heeft leeren rekenen en Hem al zijne belangen heeft aanbevolen, Hem de uitkomst in handen heeft gesteld, — hij kan „zonder zorg" zijn.
Immers Gods kinderen bezitten de belofte dat alle dingen hun ten goede zullen medewerken.
Als de volgende dag hun zware plichten oplegt of voor moeilijkheden stelt, dan zal die dag hun ook in ruimere mate genade en geduld toebrengen.
Geen samenloop van moeilijke omstandigheden, geen ongeluk, hoe onverwacht ook, kan hun die genadige zorg ontrooven.
Zij behoeven geen angstige bezorgdheid voor de toekomst te koesteren, want zij is in de handen van Hem, die „alles wèl maakt" ; van Hem, die „elk einde van het begin af" weet, en die weet, wat voor elk van Zijn kinderen 't beste is.
De groote en voorname vraag voor een ieder is dus of wij goed en getrouw voor het tegenwoordige zorgen en de beschikking voor het toekomende geheel aan de zorg van God overlaten.
Wij moeten zorgen onze hedendaagsche plichten zorgvuldig na te komen, aan Hem zij het overgelaten ons kracht te schenken voor wat morgen geschieden kan.
Laat ons dan alle onze bekommernissen op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons, vertrouwende, dat, wat de toekomst ook moge brengen. Hij ons in iedere moeilijkheid zal ondersteunen, in iedere omstandigheid ons zal opbeuren en „Zijne genade zal ons genoeg zijn".
Hij zal, weliswaar geen genade verlenen, vóór we die behoeven, maar Hij zal ook geenszins nalaten die te schenken, wanneer zij noodig is.
God draagt een onophoudelijke zorg voor de Zijnen en Hij heeft plechtig verzekerd dat „Hij in al hunne nooden zal voorzien".
„Ik ben met u alle de dagen tot de voleinding der wereld", zegt Jezus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's