De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

Wij hebben het Profetische woord, dat zeer vast is. en gij doet wel. dat gij diaarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats. 2 Petrus 1 vers 19a.

Een licht, schijnende in een donkere plaats.
De welbekende Hertog van Alva was eens aan het hof van een der vorsten van Frankrijk, toen hem de vraag gesteld werd of hij ook de zon-eclips gezien had, welke er kort te voren geweest was.
Het antwoord luidde : Sire, ik heb het veel te druk met de dingen op aarde, dan dat ik tijd zou hebben om op te zien naar den hemel.
Zou dat woord ook niet gelden als kenteeken van onzen tijid ? Veel te druk hier beneden om op te zien naar den hemel.
Ziet, daarom, om geen andere oorzaak heeft de Hemelkoning het Zelf noodzakelijk geoordeeld om telkens bizondere teekenen te stellen op de heirbaan der volken. Of men het wil of niet, ieder moment ziet de wereld zich gedwongen hare schreden in te houden. Zij kan niet vooruit. Ieder oogenblik wordt zij geplaatst voor de vraag : wat grijpt er nu weer plaats, wat brengt die volkenwereld zóó in roering ?
't Is voor den man van wetenschap, die heel zijn stelsels opbouwde uit elementen van beneden, om er den moed bij te verliezen. Hij was reeds zoo ver gevorderd, naar hij meende, of binnen afzienbaren tijd was alles pais en vree en de wereld kon genieten op veelzijdige manier van wat zij zelve had opgebouwd.
Ziet, in die richting heeft men jarenlang gedacht en gearbeid — en hoe dikwerf hij ook werd teleurgesteld, toch zou het eindelijk wel komen. De oogen gingen hoe langer hoe meer open.
Zou het waar zijn, waarde lezers. Zouden de oogen hoe langer hoe meer open gaan ? Zou men eindelijk leeren zien ? Wij vermeenen, dat er geen andere mogelijkheid bestaat om de dingen, de menschen, zichzelven incluis, te zien, dan in het licht van Gods Woord. Als dat wordt geopend en de Geest des Heeren past dit toe op ons eigen leven, dan zien we wie we zelve zijn. Dan verstaan we onzen naaste. Dan wordt de gansche wereld voor ons een open boek. Zou het dan niet den dichter verstaan : „In Uw licht zien wij het licht".
Wat is het daarom een onuitsprekelijk voorrecht dat het Gode beliefd heeft ons dat Woord wederom terug te schenken. Daar zijn toch tijden over voorbijgegaan, dat het onder de korenmaat wegschool. Het Woord lag niet op den kansel; het Woord was niet in de huizen ; het Woord werd niet — mocht zelfs niet door gewone leeken worden onderzocht.
Ziet, dat is de schoone vrucht der Reformatie geweest, het Woord Gods was niet meer gebonden. Het had den vrijen loop hernomen. Wat is er in gejubeld, wat een blijdschap is er gesmaakt in die kringen waar men bij het Woord had leeren leven. Voornamelijk in donkere tijden. Men verstond dan zoo goed, wat men aan zijn God had. Dan werd het woord van onzen tekst proefondervindelijk geleerd.
Wat ook bedriegen mag en teleurstelling baren, dit Woord in geenen deele. In Psalm 119 staat :
Zij heeft verstand aan slechten, wien 't gemis van zulk een glans een eeuw'gen nacht zou baren,
Het gemis van het schijnsel van Gods Woord brengt den mensch in 't duister. Dan is het nergens licht. Dan wordt het hart verschrikt.
Nu wordt hier in ons tekstwoord een raad verstrekt. Gij doet wèl, als ge op het Woord acht hebt. Gij moet door die duistere wereld heen. Doe het toch nooit anders dan met de lampe van Gods Woord.
Zie, dat heeft Christus' Kerk nu verstaan, dat heeft zij door genade mogen leeren. Daarom heeft zij dat Woord oprecht lief gekregen. Inzonderheid in donkere dagen. Waarin dat zijn oorzaak vindt, zullen we u zeggen.
Als ge overdag een licht ziet branden, schijnt u dit zoo flauw en is het zoo slecht te onderscheiden, dat ge vragen moet : is het aan, of is het uit ; maar als het donker wordt, pikdonker, is zulk een licht een uitkomst.
Vraagt maar eens aan den zeeman, in de donkerste nachten is hem het licht van den vuurtoren het meest geliefd. Zoo is het ook voor Christus' Kerk. Om te leeren leven bij het Woord, is het telkens noodig vanwege de zondige lusten, waarmee ze hier wordt bevangen, dat de Heere het duister maakt. Dan komt de nood aan den man, dan wordt het Woord des Heeren weer geraadpleegd.
Ziet, nu geeft het zijn schijnsel, als zij namelijk geleid mag worden door Gods Geest. Dan leert zij de dingen weer onderscheiden. Dan beginnen er zich lijnen af te teekenen, ook in 't meest donkere van het wereldgebeuren. Dan daalt er licht van Boven.
het volk dat leeft bij Gods Woord, mag met blijde verwachting de toekomst tegemoet zien. Immers wat staat hier : „totdat de dag
aanbreekt, en de morgenster opga in uwe harten".
Daar zal eenmaal voor Gods kinderen een dag aanlichten. We kunnen daarvan spreken in tweeerlei zin.
In de eerste plaats, zooals het ervaren wordt in het leven hunner ziel, reeds nu.
Wanneer de Heere in Zijne genade het hart ontsluit, dan komt daar ook een gewaarwording als van een nieuw begonnen dag. De dag van het nieuwe leven begon aan te breken.
Een heerlijk iets, wanneer dit naar waarheid getuigd mag worden : toen was het avond geweest en 't was morgen geweest de eerste dag.
Maar toch wordt hierop in deze tekstwoorden niet uitsluitend gewezen. De nadruk wordt hier gelegd op den grootén dag van Christus.
Gij moogt, zegt de Apostel, nog iets anders verwachten voor de toekomst, dan het donker van heden. Wanneer ge de lamp van het Woord in uwe handen neemt, zoo hebt ge het schijnsel als van een luchter, hetwelk maar een klein cirkeltje trekt te midden van het duister. Gij ziet maar een heel klein stukske nog, doch dit zal anders worden. Eenmaal breekt de dag aan. O, als die morgenster opgaat van eeuwigen dag, als het nooit meer naoht zijn zal. Als de zonde voor goed in breidels is gelegd. Zie, dat is de heerlijkheid, de toekomst van Christus' Kerk. Het verschil is met geen woorden weer te geven, het licht dat zij nu hebben en wat hun eenmaal zal geopenbaard worden, 't Is niet ongelijk aan dat oogenblik, wanneer de duisternis van den nacht overgaat in het licht van den komenden morgen. Als dte morgenster begint te flonkeren.
Om nu de innigheid van het verborgen leven in klanken weer te geven, wordt er bij gevoegd : de ster, welke opgaat in uwe harten.
't Is niet een stralenbundel vanuit de verte zichtbaar, maar inwendig het hart verlichtend, de ziel verblijdend. Nu, wat met Gods kind plaats heeft, als hij doorbreekt uit de duistere wereld, heeft in nog meerderen en nog volstrekter zin plaats als heel de Kerk van Christus wordt toegevoerd. Als Hij, de overwinnaar der duistere machten. Die zelf hier ook door hen besprongen werd, de schaal stuk slaat. Als de wereld rijp is — want ook door de hitte der oordeelen wordt zij rijp gemaakt, — als haar zondemaat vol is — en zij de laatste van Gods kinderen heeft voortgebracht, — want daarop wacht alles, — dan komt de Heere. Dan zal Hij verheerlijkt worden in Zijn heiligen en wonderbaar zijn in allen, die gelooven.
Ziet gij daarnaar ook reeds uit, lezer ? Naarmate deze dag dichterbij komt, wordt ook de duisternis tastbaarder. Er staat bij den profeet Zacharia : „en het zal geschieden ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen".
Daar komt dus een wereld-avond, waarin het schijnsel van het Woord dubbel nuttigheid zal inhebben. Dan zullen er velen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringen des duivels. Zware tijden. De ongerechtigheden zullen vermenigvuldigen. De liefde zal verkoelen. Dan zullen er zijn oorlogen en geruchten van oorlogen. Daar zal zijn een sterven door 't zwaard en een wegteren van den honger. — Overal merkt ge Gods voetstappen.
Wat zijn deze nu voor u ? Wij beleven dagen, waarin duidelijker dan ooit uittreedt de vastigheid van Gods Woord. Het wordt bevestigd, dagelijks opnieuw, aan den gang der volkeren. Maar nu geldt : gij doet wèl, als ge daarop acht hebt. Het licht te hebben is niet genoeg.
Daar is nooit grooter afval gezien en geen heftiger spot vernomen dan onder de volkeren, die het Woord hebben in hun midden. Het wordt ook hier duidelijk dat het Woord bevestigd wordt : het keert niet ledig weder. Zoo het niet verteedert, zoo is Zijn werking verhardend. Dat daarom de bede van onze lippen niet wijke :
Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast, Opdat ik mij niet van Uw paan moog' keeren. In Uw licht zie ik het licht. Als de Heere, door Zijn Getuigenis woning maakt daar binnen, wordt het : nu zie ik hoe alles donker is, — rondom en in mij — maar bij U is het licht. De onmisbaarheid om bij Christus te schuilen, bij Hem weg te vluchten, wordt hoe langer hoe duidelijker geopenbaard. Daarvan spreekt dat Woord op elke bladzijde. De morgenster gaat op, hier reeds. De dag komt.
Geniet van dit rijk vooruitzicht, kinderen des Heeren. In Zijn toekomst wacht u het heil.
Zijt daarom niet verschrikt. — De dagen welke gij beleeft hebben deze profetie in : het is de voorbereiding van den dag van Christus.
Dan zal het licht zijn, eeuwig licht zijn. De heerlijkheid Gods is het schijnsel, het Lam de kaars, — en wie bij het Woord leerden wandelen zullen zich hier eeuwiglijk verblijden in hun God en Zaligmaker.



Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 oktober 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's