De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

17 minuten leestijd

Zefanja 1 : 12 (ged.) : Ik z.al Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken.

Met lantaarnen doorzoeken.
Dit beeldend woord vertolkt de kern van Zefanja's profetie tegen Juda en Jeruzalem. Al staat 't in rechtstreeksch verband met een onderdeel er van, wordt deze er tooh geheel mee belicht. Waarom Zefanja in de kerkelijke kunst wel wordt afgebeeld met een lantaarn in de linkerhand.
Een vluchtige blik in het tekstverband kan ons terstond inlichten over het karakter, dat het hier bedoelde onderzoek zal dragen. De inzet dezer profetie is al direct een woord van zwaar gericht (vers 2, 3) en de grondtoon er van is de aankondiging van den grooten dag des Heeren, waarop Hij Jeruzalem met lantaarnen zal doorzoeken. Dat onderzoek zal ons zijn een onderzoek des gerichts.
En dit doorzoeken zal geschieden in den middellijken weg. God zal Zijn volk als een slachtoffer geven in de handen der vijanden (vers 7), die Jeruzalem, zullen veroveren, 't Doet weinig ter zake, wie deze vijanden zijn. Hoofdzaak is, dat zij een tuohtroede zullen zijn in (Gods hand om Zijn oordeel aan Zijn volk te voltrekken.
Met het beeld van onzen tekst wordt dit oordeel in al zijn verschrikking geteekend. Het zal een nauwkeurig onderzoek zijn, dat in Jeruzalem wordt ingesteld. Geen huis zal worden voorbijgesaan in de gansche stad, want zij zal worden doorzocht. En geen schuilplaats, hoe donker en verborgen ook, zal worden overgeslagen, want het zal geschieden met lantaarnen. Er zal geen ontkomen zijn in dien dag, waarop de Heere Jeruzalem met lantaarnen zal doorzoeken.
Het is niet met zekerheid te zeggen, in welke speciale gebeurtenis deze profetie haar vervulling vond. De gerichten Gods zijn meermalen over Israël gegaan. Maar dit staat vast, dat in die gerichten van den ouden dag een heenwijzing ligt naar dien Dag, waarop — in Nieuw - Testamentisohe taal gesproken — wij allen geopenbaard zullen worden voor den Rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (II Cor. 5 : 10). Deze hoofdgedachte van Zefanja's profetie heeft dus ook ons nog iets te zeggen, bovenal wanneer hij op grond van de teekening van het gericht, „wetende den schrik des Heeren", Jeruzalem ernstig vermaant ziohzelven te doorzoeken, voordat de Heere Jeruzalem met lantaarnen doorzoekt (2 : 1, 2).
Wij hebben ons hart en onzen levenswandel te doorzoeken. En wij hebben dat grondig te doen, zoodat er geen geheime binnenkamer gesloten blijft en geen verborgen sohuilhoek wordt voorbijgegaan. Maar dat kunnen we niet zonder licht; anders tasten we in het duister. Als we ons daarbij alleen laten leiden door het af en toe wel opflikkerend, maar altoos doffe lioht van ons geweten, worden de grootste zonden weggedoezeld in de schaduw en gaan we er vergoelijkend aan voorbij. Wij hebben een andere lantaarn noodig, die helder licht uitstraalt naar alle kanten ; dezelfde, waarmede de Heere Jeruzalem doorzocht om de zonde uit haar verborgen schuilplaatsen te voorschijn te brengen, n.l. het licht van Zijn Woord en van Zijn Wet, waarbij de zonde en de zondaar openbaar wordt. En dan is het maar 't best, wanneer (om in de beeldspraak te blijven) de Heere Zelf die lantaarn hanteert. Hij alleen doorgrondt het hart en proeft de nieren, ziet onze wegen en telt onze treden. En wanneer Hij met de lamp van Zijn Woord en de verlichting Zijns Geestes ons hart en onze wegen grondig doorzoekt, — zóó diep kan de zonde dan niet verscholen liggen in ons hart en zóó verborgen kunnen wij ze niet bedrijven op onzen weg, of zij zal in het licht worden gesteld. En wat misschien onszelf nog onbekend was (wie is er vaak geen vreemdeling in eigen hart ? ): de verborgen drijfveer van ons handelen, onze geheimste bedoelingen en onuitgesproken gedachten, — dat wordt nu openbaar.
't Geestelijk Jeruzalem heeft daar kennis aan, dat zichzelf steeds nauw te onderzoeken heeft om hart en wegen te stellen in het licht van Gods gerechtigheid. De Joden hadden de gewoonte aangenomen om tegen het feest der ongezuurde brooden het geheele huis met lantaarnen te doorzoeken, opdat er naar de Wet geen spoor van zuurdeesem in zou gevonden worden.
Dat is wel een zonderlinge opvatting van onzen tekst. Maar dit is toch zeker, dat het geestelijk Jeruzalem onderzoek heeft te doen naar het zuurdeeg der zonde. Als de Heere in onzen tekst er zoo scherp acht op blijkt te geven, zal het dan niet opgewekt worden om hart en wegen te doorzoeken, opdat het dikwijls verborgen zuurdeeg der zonde openbaar worde aan henzelf, beleden worde voor hun God, in Christus' bloed vergeven en door de kracht des Geestes worde uitgedreven ?
Wie is echter tot deze dingen bekwaam ? Weliswaar heeft dit Israël een verlichten geest en een geestelijk onderscheidingsvermogen ontvangen tot recht verstand van Gods wil en van zichzelf, maar arglistig is het hart, ja, doodelijk ! Wie zou de afdwalingen verstaan (Ps. 19 : 13)?
Daarom lezen wij, dat David de ontdekkende genade des Heeren inroept: „Reinig mij van de verborgen afdwalingen". En als gij uw hart te onderzoeken hebt, zal dit u dringen om het ontdekkend licht van dien God in te roepen, Die met Zijn Woord en Geest Jeruzalem met lantaarnen doorzoekt.
Doorgrond m' en ken mijn hart, o Heer! Is 't geen ik denk niet tot Uw eer ? Beproef m', en zie of mijn gemoed Iets kwaad, iets onbehoorlijks voedt.
En wat zal het resultaat zijn van dit onderzoek ? Wat zal de Heere vinden, als Hij Jeruzalem met lantaarnen doorzoekt ?
Door den profeet wordt met krachtige woorden het diepe verval van Zijn volk geteekend. Hij heeft deze profetie waarschijnlijk gesproken bij het begin van de regeering van den vromen Koning Josia, toen de invloed van diens goddelooze voorgangers nog nawerkte. Jeruzalem geleek wel een heidensche stad en niet de stad van Israels God. De af­goden der heidenen hadden er hun vereerders en priesters. De Baalsdienst was aan het verminderen, maar de aanbidding van de hemellichamen, „het heir des hemels", was de mode-godsdienst geworden. Ook waren er, die waarschijnlijk uit vrees voor den koning, die de afgoderij verfoeide, zich wel voor den Heere bogen, maar tevens hun afgod geen vaarwel konden zeggen. Dat zijn dus de menschen van het compromis, die meenen, dat de Heere en hun afgod elkander de hand konden reiken en zij beiden tegelijk konden tevreden stellen. En weer anderen vroegen zelfs niet eens meer naar den Heere en hadden Hem voor goed den rug toegekeerd. Aldus schildert Zefanja met scherpe trekken het godsdienstig verval van het volk (vs. 4—6). Zooals dat gewoonlijk geschiedt, ging de zedelijke verwildering hiermede gepaard, 't Recht werd verdraaid. De aanzienlijken maakten misbruik van hun macht en onderdrukten het volk. In den handel ging 't alles behalve eerlijk toe. Zelfs de kleeding, waarin de laatste buitenlandsche mode werd nagevolgd, was. een bewijs, dat Israël bezig was eigen nationaliteit te verloochenen. Het vreemde gewaad verried een hart, dat van de Joodsche zede en van Israels God was vervreemd. Zulk een vervallen en zondig volk zou de Heere vinden, als Hij Jeruzalem doorzoekt.
't Zal edhter niet bij een doorzoeken blijven. God komt niet slechts om de zonde openbaar te maken in het licht Zijner gerechtigheid, maar om Zijn recht te handhaven in Zijn gerichten over een zondig volk. Als Hij Jeruzalem heeft doorzocht, zal het om der zonde wil worden bezocht. En dan worden met name drie volksgroepen genoemd, over wie Hij inzonderheid bezoeking zal doen.
De besohrijiving van het gericht begint met de hoogere kringen te Jeruzalem (vers 8). Zij zijn de verantwoordelijke leiders van het volk. Zefanja, zelf in ieder geval uit een aanzienlijk geslacht gesproten, wist voldoende wat daar gebeurde ; hoe zij toelieten dat door hun dienstknechten hun huizen werden gevuld door middel van geweld en bedrog. — Maar als de Heere Jeruzalem met lantaarnen doorzoekt, zal Hij bezoeking doen over de vorsten en over de kinderen des konings en over allen, die zich kleeden met vreemde kleeding. En er zal een stem des geweens uit hun midden opgaan.
Ook tegen het „volk van koophandel" (vers 11) zal de hand des Heeren zich uitstrekken. Op zichzelf is het koopmanschap geen oneerbaar beroep. Maar er werd gewoekerd in Zefanja's dagen en de vermogens werden door oneerlijke practijken vermeerderd. — In dien dag echter, waarop de Heeare Jeruzalem met lantaarnen doorzoekt, zal hun zilver en hun goud hen niet kunnen redden,
maar zij zullen door het vuur Zijns ijvers worden verteerd (vers 18).
Inzonderheid zal de derde volksgroep, door den profeet genoemd, worden bezocht. 't Zijn de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen : de Heere doet geen goed en de Heere doet geen kwaad (vs. 12). 't Beeld is ontleend aan den wijn, wanneer hij, ongezuiverd, langen tijd blijft staan, gewoonlijk bederft en „stijf wordt op zijn droesem" (vgl. Jer. 48 vers 11). Deze menschen zijn dus, om een ander beeld te gebruiken, in hun boosheid en onverschilligheid „vastgeworteld". Zij zijn er in verhard en worden er, net als de wijn, oud bij. Daaronder zijn misschien de lichtmissen in Jeruzalem te rekenen, die geen ander levensdoel kennen dan dagelijks de zondige begeerlijkheid van hun hart te bevredigen. Maar 't is meer waarschijnlijk dat hier het beeld geteekend wordt van die groote meerderheid — wij zijn met onze gedachten in Zefanja's dagen ! —, die 't goed hadden naar de wereld, maar wier welvaart en vermogen hun tot een valstrik werd, omdat zij meenden geens dings gebrek en zelfs God niet meer noodig te hebben. Zij zeggen 't wel niet hardop, maar „in hun hart" denken zij: de Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad, 't Bestaan Gods zal door hen niet worden ontkend (zóó diep denken ziji er niet eens over na !), maar in den grond van de zaak verschillen zij niets van de godloochenaars. De God van Israël mag dan misschien bestaan, zij gedragen er zich volmaakt onverschillig onder. Zij beginnen den dag zonder God, zij doen hun werk zonder God — en zij besluiten hem eveneens zonder God. Zij zullen zich niet tegen Hem verzetten in openbare vijandschap, maar met Hem rekenen evenmin. Het kwade doen zij, alsof zij niets van Hem te duchten hebben. Als zij in nood zitten, hebben zij Zijn hulp niet noodig.
En zij denken er niet aan, als 't hen voorspoedig gaat, om Hem te danken of te dienen, 't Zijn eigenlijk atheïsten, maar dan niet in theorie, doch in de practijk van hun leven. De levende God is voor hen een naam en klank geworden. En de almachtige God, voor Wlen die volken te beven hebben, een sinecuur, waarom geen verstandig mensch zich zou behoeven te bekommeren. Hij is even onmachtig om te zegenen als om te straffen. „De Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad".
En nu schijnt 't wel, alsof inzonderheid naar zulk soort menschen een onderzoek zal worden ingesteld in den dag der bezoeking. Dat komt, omdat ze niet zoo spoedig worden opgemerkt. De openbare zondaars zijn genoeg bekend en hun misdaad staat menigmaal als aan hun voorhoofd geschreven. Maar wat deze menschen zeggen in hun hart, zeggen zij nog niet eens met den mond.
Maar aan 't goddelijk gericht kunnen zij niet ontgaan. Als de Heere Jeruzalem met lantaarnen zal doorzoeken, zal Hij bezoeken deze mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem. En als zij dan zullen ondervinden, dat er nog een heilig God is, die 't kwade straft in Zijn toorn, als hun vermogen ten roof én hun huizen tot verwoesting zullen worden (vers 13), dan zal de godslasterlijke gedachte van een God, Die geen goed doet en geen kwaad, in hun hart verstijven en plaats maken voor een beven onder de gerichten Gods.
Ja, dat zal een dag vol verschrikking zijn, als het gericht des Heeren door alle standen en lagen van het volk zal gaan en uit alle wijken van Jeruzalem een stem des geweens zal worden gehoord. „Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn ; een dag der benauwdheid en des angstes ; een dag der woestheid en der verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid", (vers 15)
Maar zou deze beschrijving ons weer niets te zeggen hebben ? En dan gaat 't bij deze vraag in de eerste plaats niet om de wereld, wier boosheid nog altijd, menigvuldig is en waarvan „het gedichtsel der gedachten des harten te allen dage boos is", die in het gunstigste geval onverschillig staat tegenover de geopenbaarde waarheid Gods en die óók eens doorzocht zal worden, zooals Zefanja van de volkeren rondom Juda reeds profeteerde (hfdst. 2).
Als echter het kerkelijk Jeruzalem van onze dagen eens werd doorzocht ? Was 't u bij de beschrijving van Zefanja's dagen soms niet, alsof de profeet velen uit onze dagen op 't oog had. Baal wordt niet meer gediend onder ons, noch het heir des hemels, maar als de Heere dit Jeruzalem met lantaarnen doorzoekt, zouden er dan geen afgodendienaars en - priesters onder zijn (vers 4 en Cat. Vr. 95) ? Of dubbelhartigen, die op twee gedachten hinken (vs. 5b) ? Of afvalligen, die den Heere beleden en Hem daarna den rug hebben toegekeerd (vs. 6) ? En zou er geen onrecht en onderdrukking (vs. 9), geen bedriegelijke handel (vs. 11) gevonden worden ? Voert de weelde niet menigeen van God af (vs. 8) en moeten dan de menschen met een lantaarn gezocht worden vanwege hun zeldzaamheid, die stijf geworden zijn op den droesem hunner zonde en onverschilligheid en werelddienst, die „God verloochenen met de werken", hoewel zij misschien nog „belijden, dat zij den Heere kennen" (vs. 12 en Titus 1 vs. 16) ?
O, als de Heere dit Jeruzalem eens doorzocht, zooals Juda en Jeruzalem in den ouden dag, zooals Hij het eens door zoeken zal in den dag der groote schifting ? dan is 't te hopen, dat wij de tollenaarsbede hebben geleerd, anders zullen we moeten zwijgen onder de gerichten Gods.
Ten slotte komt het echter op ons persoonlijk aan. Als de Heere ons hart en onze wegen doorzoekt, wat zal Hij vinden ? Zal er iets zijn, dat in het louteringsvuur Zijner gerechtigheid kan stand houden? Of — loopt niet de draad der zonde door 't geheele weefsel van ons leven ? Gaat de harteklop niet sneller bij 't booze gedichtsel onzer harten ?
Misschien hadden velen zulk een antwoord naar zijn inhoud al gereed — als 'n aangeleerde les. Want dat heeft de Schrift ons wel geleerd, dat wij zondaren zijn en we zingen van ons hart als een „vuile bron van wanbedrijven". Hebben we het ook verstaan en doorleefd ? Verstaan, dat, als de Heere ons doorzoekt, er in ons geen goed is en wij de bezoeking Gods in Zijn toorn hebben verdiend ? Zóó verstaan, dat we niet eens de tollenaarsbede konden stamelen misschien, maar onwillekeurig aan het woord van den apostel gehoorzaamden om zwijgend het hoofd te buigen onder de gerichtsaankondiging des Heeren (vs. 7) ?
Doorzoek uzelven nauw, ja doorzoek nauw ! De dag des Heeren is nabij ! Ieder oogenblik is dan voor ons persoonlijk de dag, waarop de Heere ons zal doorzoeken, ontzaglijke realiteit worden. Dat zal nog iets anders zijn dan er van te hooren, er over te schrijven en te lezen. Doorzoek u, terwijl de dag van den toorn des Heeren over ulieden nog niet komt, bij het licht van Zijn Woord en Wet, als staande voor Zijn aangezicht, en bidt om de ontdekkende genade Zijns Geestes.
En als dan wat verborgen was, openbaar is geworden : de zonden van uw hart, die zelfs voor u verborgen waren en de zonden van uw leven, die gij reeds lang vergeten waart, — als ge met gebogen hoofd zwijgend staat voor den God des gerichts, Wiens doen rein en Wiens vonnis gansch rechtvaardig is, — als ge huivert bij de aankondiging van een eeuwig en rechtvaardig verderf.......... dan is er hope :
Hoopt op den Heer, gij vromen: Is Israël in nood. Er zal verlossing komen ; Zijn goedheid is zeer groot : Hij maakt, op hun gebeden. Gansch Israël eens vrij Van ongerechtigheden : Zoo doe Hij ook aan mij.
Er is reden voor, dat wij dit zeggen en zingen.
Zelfs een Zefanja, die hoofdzakelijk berichten aankondigt, mag eindigen met troostwoorden voor een verslagen volk. Er was ook toen nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat treurde om Juda's verval. Een zachtmoedig volk, dat het recht des Heeren werkte (2 : 3). Voor hen mag de beteekenis van Zefanja's naam („De Heere verbergt") een baken zijn in de vuurzee van 't aangekondigde Godsgericht. En voor hen mag zijn woord van oordeel overgaan in een woord van belofte. 't Is opmerkelijk, dat de profeet zich slechts terloops tot de werkers der ongerechtigheid wendt. Van hen schijnt hij niet veel verwachting meer te hebben, zooals te begrijpen is van menschen, die stijf geworden zijn op hun droesem. Maar voor degenen, dié zich nog in ootmoed buigen voor den Heere, hééft hij van Godswege rijke troostwoorden. Het goddelijk gericht zal blijken goddelijke loutering te zijn. Als de Heere Jeruzalem met lantaarnen doorzoekt zal het niet geheel verteerd worden door den brand van het gericht, maar „Hij zal in het midden van hen doen overblijven een ellendig volk ; die zullen op den naam des Heeren betrouwen" (3 : 12). Dat gereinigde (vs. 13) en bevrijde (vs. 15) volk zal zich verheugen in Gods heilige gemeenschap (vs. 14) en het zal de vreugde des Heeren wezen in het midden van dat volk te wonen (vs. 17). En voor een volk, dat zwijgen geleerd heeft onder het oordeel Gods, wil de Heere een God zijn, die zwijgt in een onuitsprekelijke diepte Zijner liefde en ontferming.
Dan is de dag des oordeels, waarop de Heere Jeruzalem met lantaarnen doorzocht, overgegaan in een dag der zwijgende liefde.
Deze profetie kon Juda straks medenemen in de ballingschap, maar mag in den tegenwoordigen dag nog altijd tot vertroosting dienen van een verslagen volk. Want het doorzoeken Gods van Zijn volk in den weg des gerichts en der zelfontdekking is in den grond der zaak niets anders dan een zoeken om te behouden wat in zichzelf verloren is door eigen schuld. Dat is altoos het einddoel, wanneer de Heere Zijn Jeruzalem met lantaarnen doorzoekt. Dan is Hij bezig hen te trekken met de koorden Zijner opzoekende liefde. En met de zelfde zorgvuldigheid, waarmede een rechtvaardig God de boosheid doorzoekt, zoodat er geen ontkomen is, zoekt een ontfermend God, totdat Hij het verlorene gevonden heeft, De Heere Jezus heeft dit duidelijk gemaakt met de bekende gelijkenis van een vrouw, die een kaars ontsteekt en haar gansche huis doorzoekt, totdat zij den verloren penning gevonden heeft.
Van die doorzoekende en opzoekende liefde des Heeren tot de Zijnen is de Heere .lezus Christus Zelf de bevestiging. Die toch gekomen is om te zoeken en te zaligen wat verloren was en Die daartoe gezwegen heeft onder het gericht Gods. Als God Zijn Jeruzalem doorzoekt, vindt Hij niemand, die goed is en goed doet in Zijn oogen ; maar als Hij den Koning Zions en den Middelaar der behoudenis doorzoekt, dan vindt Hij Zijn heilige Wet geschreven „in 't binnenst' ingewand" en een blinkende gerechtigheid, die heel Zion overstraalt.
En als gij nu zwijgt onder het doorzoeken Gods, maar zien moogt op dit offer Zijns Zoons, dan gaat ge niet spreken, maar dan blijft gij zwijgen, omdat er geen woorden te vinden zijn om zulk een erbarmen weer te geven. En dan staat een mensch, die zwijgt van ontroering en aanbidding voor een God, die zwijgt in Zijn liefde.
En als dan de Dag des Heeren komt, waarop Hij de gansche wereld, ja, aller hart en leven doorzoeken zal en de engelen, Gods dienaren, als een vlammend vuur (Ps. 104 : 4) zullen uitgaan om „de boozen af te scheiden uit het midden der rechtvaardigen" (Matth. 13 vs. 49)?
Dan zullen die boozen, rijk en arm, heer en dienstknecht, uit de schuilplaatsen, waar men meende zich te kunnen verbergen voor den toorn Gods en des Lams (Openb. 6 : 15—17) te voorschijn worden gebracht om doorzocht te worden bij het licht van goddelijke alwetendheid en heiligheid en rechtvaardigheid, en bezocht te worden met eeuwige verbolgenheid en benauwdheid en duisternis.
Maar dan zal er ook een verloste schare zijn. Een volk, ellendig en arm in zichzelf, dat echter op den naam des Heeren betrouwt. Een volk, dat, gerechtvaardigd door Jezus' bloed en geheiligd door den Geest, zal ingaan in het nieuw Jeruzalem, dat 't licht der zon ontberen kan, omdat de Heere haar licht is en het Lam hare kaars. Een volk van rechtvaardigen, die zullen blinken gelijk de zon in het Koninkrijk huns Vaders (Matth. 13 : 43).
En dat zal het einddoel zijn van Gods doorzoekende gerechtigheid, die dan volkomen zal blijken doorzoekende liefde te zijn geweest.

's Grevelduin-Capelle.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's