Stichtelijke overdenking.
En dit is zijn gebod, dat wij gelooven in den naam van zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod segeven heeft. 1 Johannes 3 vers 23.
Gebod tot geiooven.
De apostel Johannes wordt wel genoemd: de apostel der liefde. Hij vermaant in zijn geschriften dan ook gedurig elkander lief te hebben. En men verhaalt, dat de apostel, toen hij, tot hoogen ouderdom gekomen, maar weinig meer spreken kon, tot de gemeente van Efeze, waar hij zijn laatste dagen doorbracht, telkens alleen deze woorden nog sprak : „Kinderkens, hebt elkander lief".
En als we zoo lezen van dien apostel der liefde, dan gevoelen wij allen : „Wat staan w toch ver af van dat leven, dat gevonden werd in
die eerste Christelijke gemeenten !" Daarvan getuigden zelfs de heidenen : „Ziet, hoe lief zij elkander hebben !"
Als het gebrek aan liefde ons dan maar beschamen mag en wij dat gebrek niet zoeken te bedekken door een verkeerde uitlegging van den eisch tot liefde bij den apostel Johannes.
De apostel ziet, als hij spreekt over het gebod elkander lief te hebben, op het gebod, dat Jezus Christus ons gegeven heeft. Op de vraag van den wetgeleerde : „Meester ! welk is het groot gebod in de Wet ? " antwoordde Jezus : ,,Gij zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en groote gebod. En het tweede, aan dit gelijk is : Gij zult uw naaste liefhebben als u zelven".
Aan deze woorden van den Heere Jezus nu, moeten wij in zijn geheel vasthouden. Oppervlakkige menschen toch denken aan liefde tot den naaste alleen ; aan goedigheld, vriendelijkheid, milddadigheid tegenover den medebroeder, zonder dat daarbij aan de liefde tot God gedacht wordt. En dat is één middel om aan de kiem van het gebod der liefde te ontkomen. Men gaat dan ongemerkt het gebod alleen uiterlijk nemen en als onze daden dan maar met dat gebod in overeenstemming zijn, denken wij er al te zijn. Maar om onzen tegenzin tegen onzen naaste een oogenbllk te overwinnen en hem wel te doen, ook al had hij ons nog zooveel reden gegeven tot het tegendeel, dat is heel wat anders dan hem liefhebben als onszelven.
Maar, dat is onmogelijk, zult gij zeggen. Dulden zal ik mijn bittersten vijand ; indien hij mij slaat op de rechterwang, ik zal hem de linkerwang toekeeren ; maar hem liefhebben, dat kan ik niet.
Neen, dat kunt ge niet, indien ge niet eerst weet, wat het is God lief te hebben boven alles. Laten wij daarom eerst beginnen met de liefde tot God, anders maken wij maar wat van de liefde tot den naaste.
Maar nu kunnen wij ook in een ander uiterste vervallen door van de liefde tot den naaste niet te reppen en het alleen over liefde tot God te hebben. Maar dat is ook om aan de klem van Gods gebod te ontkomen. Want we gaan de liefde tot God weer licht opvatten, als wij niet vragen naar de vrucht daarvan in naastenliefde. Dan gaan wij denken er al te zijn, terwijl wij door het niet liefhebben van den broeder toonen, ook nog de liefde tot God niet te bezitten.
En zoo zullen wij ook, als wij Johannes over liefde hooren spreken, niet maar moeten denken aan een lief doen tegenover menschen, en niet maar aan een ingebeelde liefde tot God. Wij zullen moeten denken aan het nieuwe leven van het kind Gods, waaruit de liefdedrang tot God en den naaste welt, die niet werkeloos kan zijn.
En zoo alleen verstaan wij ook het woord van onzen tekst: „En dit is zijn gebod, dat wij gelooven in den naam van zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft".
De apostel heeft het hier niet over twee, betrekkelijk los naast elkander staande zaken, over twee geboden : te gelooven in den naam van Jezus Christus èn elkander lief te hebben. Neen, dat zijn de twee zijden van het ééne gebod Gods, die wijzen op twee kanten van het leven van den geloovige. Het eene ziet op het begin, de wording en den blijvenden grond van het leven van Gods kinderen, en het andere op den voortgang, de openbaring en de vruchten van dat leven. Eén zijde van het gebod Gods is dus ook : „dat wij gelooven in den naam van zijn Zoon Jezus Christus".
Het treft ons in het woord van den apostel aanstonds, dat daar gesproken wordt van een gebod om te gelooven. En toch dat ons dat eenigermate vreemd aandoet, is juist een bewijs, dat wij het rechte standpunt in dezen kwijt zijn. Wij maken ons veel te gemakkelijk af van het gelooven of niet gelooven. Wij meenen het vraagstuk van het geloof al opgelost te hebben door te zeggen : „het geloof is een gave Gods", en dan maar een afwachtende houding aan te nemen : een houding, die dan gewoonlijk onzgeloof genoemd moet worden.
En als iemand ons dan den eisch van Gods Woord voorhoudt: „Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden", dan meenen wij te doen te hebben met een oppervlakkige, kortzichtige uiteenzetting van Gods Woord. Want een mensch kan toch zoo maar niet gelooven ! En dan meenen wij dat zooiets alleen maar gezegd kan worden door iemand, die onder geloof verstaat een bloot menschelijk aanvaarden van de Evangeliewaarheden zonder dat de Heilige Geest daarvoor het licht gaf. Zoo ver zijn wij al afgedwaald van 't rechte inzicht in Gods Woord, dat wij de eischen van dat Woord, met name den eisüh tot geloof, niet meer naar de letter willen nemen. En tooh, iets anders wordt niet gevraagd. Van dien eisch iets afdoen, het zou zijn : God in Zijn recht aantasten. God kan eischen dat wij zullen staan in die verhouding tot Hem dat Zijn Woord ons waarheid is en dat Zijn gunst ons leven is. Want God schiep den mensch oorspronkelijk in die verhouding tot Hem.
En als God Zijn Zoon gezonden heeft tot verlossing van zondaren, dan is het Zijn goddelijk recht om te eischen dat wij den weg, dien Hij voor zondaren ontsloot, zullen bewandelen.
Het is niet alleen genade, dat wij in Christus mogen gelooven en alzoo in Hem het eeuwige leven hebben ; het is niet alleen een voorrecht, het is ook een gehoorzamen aan Gods heilig gebod. En als we het zoo zien, wat komt dan ons niet-gelooven, ons ongeloof in een ander licht te staan. Wij zijn er haast gewoon aan geraakt, dat niet-gelooven, (wat ook is : niet kunnen gelooven), eigenlijk een zaak is, waarom men medelijden met ons moet hebben. „Het is ongelukkig, als men, hoewel men zoo graag een kind Gods zou willen zijn, niet tot geloof kan komen".
Maar dat leert Gods Woord ons niet. Gods Woord heeft geen troost voor de menschen, die zoogenaamd wel willen gelooven, maar niet kunnen gelooven. Over dezulken spreekt de Schrift alleen het rechtvaardig oordeel Gods uit : „Die niet gelooft, is alreede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam des eeniggeboren Zoons van God".
Ongeloof is maar niet het gebrek aan een goede, begeerenswaardige zaak. Het is een schrikkelijke zonde tegenover God. Niet gelooven, dat beteekent : God maar laten praten en zijn eigen weg gaan ; dat beteekent : Jezus Christus in Zijn verzoenend lijden en sterven laten voor wat Hij is, en de genadegaven, daarin aangeboden, verachten;
Ongeloof, het is openbaring van de vijandschap tegen God, van een moedwillig zich tegen den Heere en Zijn Gezalfde verheffen. Ongeloof, het is het bittere water, dat welt uit de bron van het hart, dat niet buigen wil voor Zijn Schepper en dat niet wil, dat Christus Koning zal zijn. En alle mooie woorden, van wel willen gelooven en niet kunnen gelooven, ten spijt, zal God dat ongeloof in den Dag der dagen bezoeken met het gericht, dat alle haters Gods treffen zal.
„Maar als we dan toch maar niet kunnen gelooven, omdat we een onwedergeboren hart hebben !"
Zal God daarom Zijn eischen verminderen ? Als gij het niet kunt laten om onwaarheid te spreken, om wraakgierig te zijn, om in uw wellusten te leven, omdat ge een onwedergeboren hart met u omdraagt, zal God daarom aan de gestrengheid van Zijn geboden iets afdoen ? Dan ware Hij toch geen heilig, rechtvaardig God ?
En om dezelfde reden zal God ook aan Zijn eisch, dat gij zult gelooven in den naam van zijn Zoon Jezus Christus, niets afdoen. Neen, de Heere voegt daaraan toe, dat gij niet langer door menschenredeneeringen aan dien eisch zult zoeken te ontkomen, maar zult buigen onder dien eisch.
Niet langer het eigengereohtige : „Ik kan immers niet gelooven !"
Het moet komen tot een ootmoedige schuldbelijdenis ; „Heere, mijn niet-gelooven is ook : niet willen gelooven. Het is opstand tegen Uw goddelijke majesteit. Heere, treed niet in het gericht !"
Eerst als wij buigen onder het oordeel Gods over ons ongeloof, wordt de ban verbroken, die ons van God verwijderd hield. Zoolang wij Gods recht niet billijkten, ons ongeloof als zonde te straffen, weerstonden wij God in het aangezicht. En dan geldt het ook : „God wederstaat den hoovaardige".
Maar voor hem, die buigen wil, die zondaar wil zijn, ligt de weg open naar Gods Vaderhart: „den nederige geeft Hij genade".
En dan wordt, wat een gebod voor ons was : „te gelooven in den naam van zijn Zoon Jezus Christus", ons ook een gunst. Dan gaan wij vragen : „Wie is Hij, opdat ik in Hem gelooven mag".
Opmerkenswaard is hierbij, dat er gesproken wordt van een gelooven in den naam van Zijn Zoon Jezus Christus. De naam, dat is, wat van iemand is openbaar geworden. Daarom is gelooven in den naam van Jezus Christus, gelooven in den Zone Gods, zooals Hij zich heeft geopenbaard en zooals Hij zich ons in Gods Woord komt aanbieden. Het is niet: gelooven in Jezus Christus, die zich aan ons op bijzondere wijze komt openbaren, maar het is : gelooven in Zijn Naam, waarvan de wereld vol is, omdat Hij in lijden en sterven, in opstanding en hemelvaart Zijn Middelaarschap heeft ten toon gespreid.
Dat we ons, door Gods genade, dan overgeven aan dien Heiland, zooals Hij ons in Gods Woord gepredikt wordt; dat we Jezus Christus aanvaarden met al Zijn schatten, zooals Hij ons gegeven is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's