De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

21 minuten leestijd

Een nieuwe Professor.
Of vanwege den Gereform. Bond een professor benoemd is, in verband met 't Leerstoelfonds ?
Daarover later iets. Misschien heel spoedig. Nu over iets anders. Niet over Utrecht, maar over Leiden.
In Leiden is alles nog al „modern", wat er aan de Universiteit doceert. Nederlanders en Buitenlanders zijn daar professor in de theologie ; van heind en ver gehaald; maar allemaal „modern". Noem ze maar op : prof. Pyper, om onderwijs te geven in de geschiedenis van het Christendom en de geschiedenis van de leerstellingen van den Christelijken godsdienst ; prof. Eerdmans, om college te geven in de geschiedenis van den Israëlietischen godsdienst, Israëlietische letterkunde en uitlegging van het Oude Testament; prof. Kristensen, om te onderwijzen in de geschiedenis der Godsdiensten in het algemeen en wijsbegeerte van den godsdienst ; prof. Windisch - in 1914 gekomen van Leipzig - om de Oud-Christelijke letterkunde te doceeren en de uitlegging van het Nieuwe Testament en prof. Roessingh - vroeger Remonstrantsch dominé te Boskoop -om college te geven in Encyclopaedie der Godgeleerdheid, geschiedenis der leer aangaande God en Zedekunde. Alles modern wat de klok slaat. Waarbij nog komt de kerkelijke hoogleeraar prof. Knappert, in 1902 door de Synode benoemd, die voor z'n moderne collega's niet onder doet.
Nu is er een vacature als hoogleeraar gekomen, want prof. Pyper kon het om gezondheidsredenen niet langer volhouden en bedankte.
Wie zou er nu in zijn plaats komen ? Weer een modem Kerkhistoricus ? Wij dachten, dat er te Leiden al genoeg modernen waren ! Van moderne zijde werd er wel gehoopt, dat modern modern zou blijven in dit geval. Maar de kansen waren gering, dat wist men ; eigenlijk was het ondenkbaar.
Gelukkig is de benoeming, welke de Regeering in haar hand heeft, niet van vrijzinnigen aard geweest, 't Is ook voorloopig welletjes !
Maar de richtingskwestie kwam toch ook hier weer om den hoek gluren. Want in Leiden is ook een buitengewoon hoogleeraar sinds 1914, die onderwijs geeft in de geschiedenis van het Gereformeerd Protestantisme ; en dat is prof. dr. A. Eekhof, een man van wetenschappelijke reputatie hier en in het buitenland, die gereformeerd van belijdenis is.
Nu Pyper wegging, kon Eekhof dus ook in z'n plaats komen. Dat was bilijk wat de wetenschap betreft, ook bilijk wat de richting aangaat. En het curatorium beval dr. Eekhof ook aan.
Maar de Theologische faculteit zinde dat niet. Die liep met andere plannen. En — neen, een modern man, dat kon niet. Maar een gereformeerde toch ook liever niet, al was deze al zoowat een collega, sinds tien jaren.
Daarom kwam de Theol. faculteit óók met een aanbeveling, naast en tegenover het Curatorium — het „Handelsblad" heeft het publiek gemaakt — en waar de curatoren dr. Eekhof voordroegen, daar noemde de Theol. faculteit dr. M. van Thijn, die ethisch is.
Wij zullen van de bekwaamheden van Van Rhijn, den secretaris van de Ned. Chr. Studenten-Vereeniging, niets doen. Hij is geen onbekende en eens professors zoon zal de hoogleeraarstoga ook voor hem wel in de maak zijn. Maar in het Leidsche geval, hierboven genoemd, kunnen wij het in de Leidsche theol. faculteit niet prijzen, dat zij tegenover dr. Eekhof met den naam van dr. Van Rhijn zijn komen aandragen ; misschien wel speculeerend op de symathieën van den tegenwoordigen Minister van Onderwijs. En wij zijn dubbel blij, dat de Minister niet naar de stem van de Theol. faculteit, die had moeten zwijgen, geluisterd heeft, maar dr. A. Eekhof ter benoeming heeft voorgedragen, gelijk deze nu ook bij Koninklijk besluit van 4 November j.l. benoemd is geworden.
Den Minister onze dank. En prof. Eekhof onze hartelijke felicitatie, met den wensoh en de bede, dat de Heere hem alles geven mag wat hij daar te Leiden noodig heeft, op de zoo gewichtige plaats welke hij nu, als gewoon hoogleeraar, gaat innemen.
Wij weten, dat prof Eekhof een hoogstaand, ernstig, knap man is ; dat hij veel voelt voor de wetenschap, voor de Kerk, ook voor de studenten. God zegene hem en stelle hem tot een zegen, vele jaren als 't zijn mag.

Een doornig pad.
Dat is nu eenmaal onze kerkelijke weg. Vol distelen en doornen ; vol voetangels en klemmen. Zet men den voet hier, dan is 't niet goed ; maar zet men den voet daar, dan is 't óók niet goed. Dat komt, omdat we er in onze Herv. (Geref.) Kerk allerlei kromme wegen op na houden en de eene, rechte Koninklijke weg van alle kanten, onder gebruik van allerlei redeneeringen, verhinderd wordt en onmogelijk wordt gemaakt. Waarom niet de weg van Schrift en belijdenis ? Dat is toch Hervormd ? Dat is toch kerkelijk ? Dat is toch goed ? Maar men wil niet. En men hecht daar bij waarde aan allerlei redeneering en argumentatie, welke men rustig naast zich neer moest leggen•
Zoo is de verwarring groot en wordt dagelijks grooter. Als er geen Koning is, doet ieder wat recht is in zijn oogen.
Ook op het terrein van preeken in eens anders gemeente ligt groote verwarring.
't Is zeer begrijpelijk, dat, bij de ongelukkige toestanden in onze Hervormde Kerk, er in menige gemeente waar nog gereformeerd volk is, verlangd wordt naar een gereformeerde prediking. En nu weten we wel, dat er dikwijls voor gereformeerd aangezien wordt, wat niet gereformeerd is. Ons volk is ook dikwijls zoo weinig onderlegd en zoo weinig goed geleid. Maar dat neemt niet weg, dat er in menige gemeente door degenen die de gereformeerde Waarheid lief hebben, zeer goed gevoeld wordt, of het Woord recht gesneden wordt of niet. En waar van zoovele kansels een prediking gehoord wordt, welke niet gereformeerd te noemen is, daar komt zoo hier en daar de begeerte levendig naar voren om toch ook van de gereformeerde Waarheid, door Hervormde predikanten gebracht, te mogen hooren ; waartoe dan allerlei wegen en middelen worden gebruikt en bewandeld.
Daar zit soms allerlei achter, dat niet goed is. Laat dat waar zijn. En daar komt dan soms bij, dat er leeraars of godsdienstonderwijzers zijn, die zioh gaarne laten gebruiken hier en daar, waar ze, als ze de dingen wèl wilden onderscheiden, zeker niet heen zouden gaan.
Slechte practijken zijn hier. Maar nog eens, dat neemt niet weg, dat er in menige gemeente wordt verlangd naar een gereformeerde prediking, waar zoo'n prediking, helaas ! niet gevonden wordt.
Dan krijgt men dat preeken in eens anders gemeente.
Ook van andere zijde heeft men er behoefte aan, om hoogleeraren en predikanten te vragen om in z.g.n. evangelisaties te preeken. Neem b.v. Hilversum, waar een bekende ethische Evangelisatie is. Daar treden Zondag aan Zondag ethische professoren en ethische domino's op, terwijl er in de Hervormde Kerk dienst is.
En nog andere gevallen heeft men ook. Zooals in Boskoop. Daar is eene moderne prediking, waar die menschen niet naar luisteren willen ; eigenlijk niemand, 't welk de opkomsten 's Zondags wel bewijzen. En uit die treurige toestanden is een Evangelisatie-beweging geboren en een Evangelisatie-gebouw voortgekomen. Dat is al jaren en jaren zoo. Maar door allerlei omstandigheid is daar moeilijkheid gerezen in dien kring der Evangelisatie. En toen, na allerlei wederwaardigheden, de Gereformeerd-Hervormden den arbeid voortzetten in het oude Evangelisatiegebouw, is er van Confessioneele zijde ook een Evangelisatievereeniging opgericht, een gebouw neergezet ; en nu gebeurt het Zondag aan Zondag, dat er twee predikanten van elders komen, waarvan de een in de Gereformeerde Evangelisatie — 't oude gebouw — en de ander in de Confessioneele Evangelisatie — het nieuwe gebouw — optreedt ; om dus naast — men zegt ook wel eens — tegenover elkaar te staan preeken. Gelijk we van Delft weten, dat daar tegenwoordig niet alleen des Woensdagsavonds, — op een door-de-weeksche avond dus, als er in de Hervormde Kerk geen dienst is — maar ook des Zondags — als er in de Hervormde Kerk wèl dienst is — Confessioneele predikanten komen, menschen van bekende reputatie, die daar dan kerkje spelen.
Groote verwarring. De Protestantenbond preekt; de Ver. van Vrijz. Hervormden preekt ; de Ethischen preeken ; de Confessioneelen preeken ; de Gereformeerden preeken. En ze preeken in eens anders gemeente, hier en daar en overal. Wat treurige verwarring ; wat jammerlijke misstanden. Waarvan de ongelukkige kerkelijke toestanden, bij de weigering om tot Gods Woord en de belijdenis terug te keeren, de schuld dragen.
Nu wil men soms in eens te midden van deze dingen met één woord een eind aan dat alles maken.
Zoo zei een Confessioneel dominé, die telkens, niet door de week, maar des Zondags naar Delft reist, om daar te preeken, terwijl er in de Hervormde Kerk officieel dienst is, dat het een predikant van den Gereformeerden Bond niet paste om in Pernis te spreken op een door de weekschen avond voor de Vereen. „Schrift en belijdenis". Waarom niet ? Omdat in Pernis de Kerkeraad van God is aangewezen om de zaken daar te regelen en de dominé van Pernis wettig in het ambt staat en een Gereformeerde voor het ambt eerbied moet hebben !
Dat de logica hier zoek is, voelt de eenvoudigste van onze lezers. Er is ook nog zoo iets van een spreekwoord : geneesmeester, genees uzelven !
Met groote woorden komen we hier niet verder. Temeer niet, waar allerlei heele en halve en kwart leugens met heele en halve en kwart waarheden niet zelden wonderlijk dooreen gemengd aan de gemeente worden voorgezet.
Natuurlijk betreuren wij het meê, dat de verwarring zoo groot is onder ons en wij zouden voor een lief ding willen, dat het anders onder ons was. Wat alleen veranderen zal, indien de Kerk tot haar belijdenis, in gehoorzaamheid aan het Woord, wederkeert en wij weer een gereformeerd kerkelijk leven krijgen.
En ja — nu moeten wij intusschen in eigen kring trachten om de uitwassen zooveel mogelijk tegen te gaan. Want 't is alles geen goud wat er blinkt. En vele voorgangers, döminé's en godsdienstonderwijzers, hebben hier een zware verantwoording ; waarbij wel mag worden gewaakt tegen onheilig vuur, dat zoo licht op het altaar komt. Maar aan den anderen kant mogen wij ons door groote woorden niet van de wijs laten brengen. Want dingen die op zichzelf waar zijn, zijn door de treurige omstandigheden van ons kerkelijk leven niet zelden krachteloos geworden.
Wij kunnen dan ook niet zóó maar accoord gaan met het stuk dat het Classicaal Bestuur van Amsterdam, waarin ook drie Hilversummers zitten, wereldkundig hebben gemaakt; een schrijven aan predikanten in de classis, waarin over het preeken in eens anders gemeente wordt gehandeld, in afkeurenden zin, hoewel niet zonder reserve; .
Men zegt daarin, dat er moderne dominé's zijn ; en waar zulke dominé's staan, mag men wel komen van elders om te preeken. Maar overigens niet. Wat wel een weinig al te eenvoudig zoo is gesteld.
Want „modern" en „orthodox" — zegt nog niet alles in onze dagen, vol van leerstellige verwarring en kerkelijke misère.
Dat weet het Classicaal Bestuur van Amsterdam héél, héél goed.
En daarom, wat wint men er mee, of men al heel gewichtig zegt, dat er moderne döminé's zijn, die de gem.eenten verwoesten ; in welke gemeenten orthodoxen dan ook vrij mogen preeken.
Wat wint men daarmee, als men dat als Classicaal Bestuur zegt ? Niets.
Omdat men twee dingen dan verkeerd doet.
Men constateert, dat er moderne, gemeente-verwoestende predikanten zijn - en men doet er niets tegen. Dat is verkeerd.
En dan bovendien zegt men, dat daar, in zulke gemeenten, wèl predikanten van elders mogen komen preeken.
Wat op zichzelf genomen door een Classicaal Bestuur óók niet mag woren gezegd.
Om dan in de derde plaats, maar met een enkel woord uit te maken, dat orhodox orthodox is en dat in alle niet moderne gemeenten aan prediking des Woords van elders geen behoefte is. Wat ook, zonder meer, niets dan een niets-zeggende bewering is ; welke dan ook totaal zonder eenige kracht zal blijken te zijn en geenszins kan leiden tot het gewenschte doel.
Wij denken dan ook over een daad. ls deze van het Classicaal Bestuur van Amsterdam-Hilversum niet gunstig. Wij zouden er zeker niet aan hebben meegewerkt, indien wij in dat Bestuur zitting hadden. Niet om de zaak in principe, dat het ideëen betreft, zijn wij er tegen natuurlijk niet. Maar om de zaak in werkelijkheid kunnen wij er niet mee medegaan. En wij verblijden ons, dat ook ds. Lingbeek in „de Geref. Kerk", waar eerst ds. Bakker van Amsterdam het Classiaal Bestuur, waarvan hij ook zelf lid is, waar wij meenen, een pluim op den hoed gezet had, het niet onder stoelen ol banen steekt, dat hij maar matig ingenomen is met de kloeke daad van Amsterdam.
In een stukske, aan deze zaak gewijd, zegt hij dan ook ten slotte :
„Toch gevoelen wij er ook bezwaar tegen. Het Class. Bestuur spreekt hier ex cathedra uit, dat er predikanten in de kerk worden gevonden, die den Zone Gods verwerpen en als Borg en Middelaar verachten.
Nu vragen wij: 1. Heeft het Classicaal Bestuur recht om, al noemt het ook geen namen, zulk een zware beschuldiging uit te spreken tegen de dienaren der Kerk, zonder iemand te hebben gehoord ?
En 2e. indien het Classicaal Bestuur van zulke schrikkelijke dingen zoo groote zekerheid heeft, dat het die openlijik durft bekend maken, is het dan, volgens artikel XI van het Algemeen Reglement niet geroepen tegen zulke excessen te waken ?
Wij gevoelen zeer goed de moeilijkheid.
Reglementair is 't Classicaal Bestuur tot het oefenen van tucht over zulke afwijkingen van de leer geroepen, hoe doornig dit pad ook moge blijken.
Volgens Gereformeerd Kerkrecht echter is het tot een rechie tuchtoefening niet bevoegd en niet bekwaam. Want de Besturen der Kerk missen het leergezag.
Maar dan is een oordeel, zooals het Classicaal Bestuur hier uitsprak over sommige predikanten, hoeveel voortreffelijks het stuk overigens ook bevatte, toch eigenlijk op één lijn te stellen met wat die ontevreden gemeenteleden doen die tegenover hun predikant alléén gaan vergaderen ; en met wat die dominé's doen, die dan in zulke vergaderingen komen preeken.
Het is een, buiten den weg van tucht, eigenmachtig en lichtvaardig elkander veroordeelen..
Het is een tucht oefenen op eigen hand.
Wij zijn het hiermee aardig eens. En wat ons betreft, had het Classicaal Bestuur van Amsterdam dit mooie gebaar maar achterwege moeten laten. Temeer waar het practisch resultaat natuurlijk niets is.

Mooie dingen.
Wij zijn altijd blij, wanneer we hooren dat onze Gereformeerde actie vooruit gaat. Natuurlijk zijn er onder ons dingen te laken. Natuurlijk kan men hier en daar wel critiek op oefenen. Wij ontkennen het niet.
Maar — wij verblijden er ons over, telkens weer, wanneer wij hooren en zien, dat onze Gereform. actie groeit en in meerdere gemeenten, ook in meerdere kringen liefde voor de Gereformeerde Waarheid openbaar wordt.
Menig beroep verblijdt ons. En wij leven niet zelden mee dan, om ons hartelijk te verblijden als er weer een plaats gezet mag worden door een Gereformeerd predikant.
Zoo is het ons óok tot vreugd, als we bemerken, dat onze Gereformeerde actie veld wint onder de jongeren, op het terrein van Jongelings-en Melsjesvereeniingen ; als ook onze Knapen zich scharen onder de aloude banier.
Hier is veel namaak, veel ondeugdelijks ook, wat aan de markt wordt gebracht. En daar waarschuwen we voor, ook al eten sommigen het als zoete koek. Maar daarom te meer verblijdt het ons, als onze Gereformeerde actie onder de jongeren er in gaat en zich meerderen gaan voegen bij degenen, die willen wandelen in de oude, beproefde paden, geleerd door wat de Heere ons in den loop der tijden aanwees als niet-Gereformeerd te zijn en moedig volgend, daar waar het goud der beproefde Waarheid blinkt.
Wij hebben sinds enkele jaren een Bond van Hervormde Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag. Daar hebben wij van bet begin af aan kennis aan gehad. We hebben zelf, met anderen, zelfs den stoot tot de oprichting daarvan mogen geven, omdat we voelden, dat het zoo noodig en zoo nuttig was om onze jongeren te organiseeren en door een goede organisatie te steunen en te helpen, opdat zij zich oefenen kunnen met de wapenen, die, naar Gods Woord, in onze dagen moeten gebruikt worden op elk terrein des levens ; opdat zij ook zelf gefundeerd zouden worden, onze jonge menschen, in de kennis der dingen, waarin de eenige troost ligt voor leven en sterven beide.
Deze onze Hervormde Bond van Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag is intusschen gegroeid ; grooter geworden; grooter in aantal Vereenigingen die lid werden van den Bond ; maar ook gegroeid in organisatie ; uitgegroeid in het Vereenigingsleven ter plaatse, ook in Ringleven en Provinciale organisatie.
Daarbij komt nu de vergrooting van het Bondsblad „De Vaandrager".
Daarover verblijden wij ons hartelijk en dat bedoelden wij mee, toen wij hier boven schreven „mooie dingen".
Wij kunnen ons begrijpen, dat het Bondsbestuur zelf ook dankbaar is voor hetgeen in de laatste jaren is gezien. De Bondsdagen namen toe in beteekenis ; het Bondsorgaan gaf meer van alles wat; de Vereenigingen voelden meer voor den Bond en voor het Bondsblad. En we verstaan het, dat vooral de hoofdredacteur, de heer M. Noteboom van O.-Beijerland, enthousiast schrijft over zijn papieren kind, dat zoo flink groeit en nu de korte broek met de lange heeft verwisseld.
Dat hij dapper wordt bijgestaan door zijn medebestuurders ds. Lans, Van Erven en ds. De Geus, zegt wat ; zegt veel. Dat de kring van medewerkers buiten het Bestuur, in mannen als prof. v. Leeuwen, den heer Duymaer van Twist, ds. Knap en anderen, zich heeft uitgebreid, kan niet anders dan het orgaan ten goede komen, en daardoor voor de Vereenigingen tot zegen zijn. Wat ons weer doet spreken van „mooie dingen", waarvan wij dankbaar gewag maken hier, juist omdat wij begrijpen, dat de ouderen de jongeren noodig hebben en de organisatie van de jongeren niet anders dan ten goede kan komen in de toekomst voor Kerk en school en maatschappij.
Dat er in het midden van onze Gereformeerde gemeenten, bij ambtsdragers en gemeenteleden, maar gevoeld mag worden, dat het werk onder de jeugd, onder de rijpende jeugd vooral, van het grootste belang is ; en dat er daarom maar geduriglijk gebed mag opgaan voor dezen arbeid, die waard is om ook van alle kanten daadwerkelijk gesteund te worden met sympathie, ook gesteund, waar noodig, financieel ; boven alles door bij elkander te brengen alle jonge menschen uit onze kringen rondom het vaandel, dat de echte Gereformeerde kleuren draagt.
Wat ook tot de „mooie dingen" behoort ?
Dat het onzen Gereformeerden Zendingsbond zoo goed gaat. Wij denken aan de mededeelingen van financiëelen aard, welke de nieuwe Zendingsdirector, ds. Bieshaar, nu dapper voortgaat te geven in „Alle den Volcke". Het gaat goed. Het gaat mooi. 't Zendingsorgaan wordt overal verspreid en gelezen.
Zendingsbeurten worden overal gehouden.
Maar de mededeelingen van het Zendingsterrein, op Midden-Celebes gelegen, zijn boven alles mooi en goed. Hoe opgewekt kan de heer Belksma niet spreken, waar bij optreedt tijdens zijn verblijf in het Vaderland !
En hoe dankbaar zijn de berichten, die Zendeling Zijlstra schrijft in „Alle den Volcke", gesteld. Hier spreekt een hart uit, dat blijde gewaagt, dat de Heere goed is en dat Hij wonderen werkt, naar den rijkdom Zijner genade, welke ook gaat over de heidenen, ook over de Toradja's.
't Kan ons bemoedigen als wij deze dingen hooren en lezen. En we zouden ook hier willen zeggen, tot ons Gereformeerde volk in het midden van de Hervormde Kerk : dit is uw zaak, let er op — let er op, omdat het Gods zaak is ! Wij bedoelen nu ook dat plaatje in „Alle den Volcke", voorstellende het ziekenhuisje in Sangalla'. Wat een heerlijkheid moet het zijn voor degenen, die daar in het donkere land der heidenen wonen en werken, dat de Heere zoo 'n ziekenhuis heeft gegeven. Kostelijke vrucht op den arbeid, een vrucht van den hemel gegeven tot blijdschap.
Wie het stukje van Zendeling Zijlstra over het ziekenhuis te Sangalla leest, bij de foto, die merke er op.
Wij roepen ons Gereformeerde volk toe : het is uw zaak — omdat het Gods zaak is !
Ja — de Heere geeft ons „mooie dingen" !
Komt — laat ons dan moedig voortgaan. Hij, die het beloofd heeft, is getrouw, dat Hij het óók doen zal !

Op de vingers getikt.
Ds. Lingbeek kan soms zoo wonderlijk uit den hoek komen. Zoo echt hoog-Hervormd. Waarbij we dan geneigd zijn om te vragen : gaat de werkelijkheid van het leven geheel schuil voor U ? Zoo is een stokpaardje, om te schrijven, dat er aan onze Rijks-Universiteiten geen ander benoemd mag worden als hoogleeraar in de theologie dan een Hervormd man ; vooral geen man van de Gereformeerde Kerken ; ook eigenlijk geen Bondsman. Op dat stokaardje rijdt ds. L. nog al eens ; en hij holt dan moedig voort, zonder dat hij van ophouden weet.
Waarom mag alleen maar een man van een bepaalde kleur benoemd woren ; waarom geen man van de Gereormeerde Kerken, waarom; geen Bondsman ?
Art. 170 van de Grondwet zegt toch nadrukkelijk : „De belijders der onderscheiden godsdiensten genieten allen deelde burgerlijke en burgerschapsrechen en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen".
Mag daarom geen lid van de Gereformeerde Kerken of geen lid van den Geeformeerden Bond tot professor worden benoemd ? Ook niet in de Theoloische faculteit, die door de Regeering gemaakt is tot een faculteit van godsdienstwetenschap ?
Ja maar, zegt ds. Lingbeek : de Rijksunversiteiten, wat de Theologische faculteit betreft, zijn opleidingsscholen voor Hervormde predikanten. En daarom mogen alleen maar Hervormde mannen professor worden ; doch dan geen Bondsmannen, want die zijn niet goed Hervormd ; dat zijn Separatisten. Mooi zoo !
Zoo staan wij er dus buiten ; wij met allen, die met ds. L. verschillen. Dat gevoelen zat hij ds. L. voor toen hij schreef over de benoeming van den Jood dr. Izaak Palache tot professor aan de Gemeente-Universiteit te Amsterdam.
Want daarover z'n beklag doende — aan het adres van de Gemeenteraadsleden van Amsterdam natuurlijk ; dus aan mannen als Wijnkoop, Gulden, Wibaut, Jansen en Pietersen — klaagde hij tegelijk : „In Utrecht hadden wij reeds de benoeming van een man van Christelijk Gereformeerden huize voor de opleiding van onze a.s. predikanten: En op die lijn voortgaande zou men ook daar evengoed een Roomsche of een Jood kunnen benoemen enz.
Als begin van verwording te Utrecht ziet ds. L. dus : de benoeming van prof. Noordtzij. Als eind : een Joodsch of Roomsche.
Is bet eigenlijk toch niet verschrikkelijk om zóó te spreken ?
Want ten eerste is de Rijks-Universiteit en de Theologische faculteit niet tot opleiding van onze, dat zijn dus de Hervormde predikanten, Lutherschen, Remonstranten en Doopsgezinden hebben evenveel rechten op die Universiteit en op die Theologische faculteit.
De opleiding van de a.s. predikanten der Hervormde Kerk heeft de Hervormde Synode in handen, door middel van de kerkelijke hoogleeraren. Noch prof. Obbink, noch prof. Van Leeuwen, noch prof. Noordtzij, noch prof. Cramer, noch prof. Visscher zijn benoemd om „op te leiden tot Hervormd predikant" ; zij zijn theologisch hoogleeraar, om. te doceeren de vakken die hun zijn opgedragen. De opleiding ligt ergens anders ; wat men betreuren kan, maar wat men niet kan tegenspreken.
Doch het ergste vinden wij, als ds. L. dan als begin van de verwording noemt, neen — niet al die moderne hoogleeraren die we gehad hebben en nog hebben, maar: een professor van Christelijk-Gereformeerden huize, met als noodzakelijk eindpunt een — Jood of Roomsche !
Gelukkig is ds. L. in „de Geref. Kerk" door den heer A. Henkemans op de vingers getikt. Niet natuurlijk over het feit, dat ds. L. het betreurde, dat een Jood te Amsterdam is benoemd ; maar wel om 't feit, dat ds. L. de benoeming van prof. Noordtzij eigenlijk op één lijn stelt met de benoeming van dr. Palache.
En nu zoudt ge denken, dat ds. L. na het woord van den heer Henkemans zwijgt ; of erkent, dat hij zich vergalloppeerd heeft ? Niets daarvan ?
Ja — hij tracht zich er uit te redden. Maar tegelijk maakt hij het nog een beetje erger. Want zette hij eerst prof. Noordtzij in de lijn van dr. Palache, in zijn woord van verweer voegt hij er nu nog bij, dat prof. Visscher en prof. Van Leeuwen net zoo min hadden mogen worden benoemd als prof. Noordtzij. En hoe vreeselijk erg hij dat vindt, blijkt uit zijn slotwoord, dat aldus luidt :
„ en als men daarbij in aanmerking neemt dat de voormalige Antirevolutionaire ministers in Utrecht drie Hoogleeraren hebben benoemd, die in beginsel stonden op het Separatistische standpunt, dan ziet men : niet alleen van den kant van hen die dr. Palache benoemden, heeft men het op het onderwijs van onze a.s. Hervormde predikanten voorzien.
Laat ons ter voorkoming van misverstand hier nog bijvoegen dat de vroegere benoemingen van Moderne Hoogleeraren waarlijk al evenmin onze sympathieën hebben.
Maar wij willen van de kat evenmin als van den kater gebeten worden" Men ziet het: de Jood dr. Palache is de kat; maar mannen als Prof. Visscher en Van Leeuwen — om nu van prof. N. niet te spreken — zijn voor hem als de kater.
Het is wel teekenend — en wel vreeelijk — als men de dingen zóó onder de menschen brengt ! Hadden we nog maar wat Antirevoutionaire ministers met wat professoren van Gereformeerde confessie!!!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 november 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's