De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

8 minuten leestijd

Wederinvoering van de doodstraf.
Over dit onderwerp schreef „De Rotterdammer" een paar maanden geleden:
De verschillende moordaanslagen, waar door ons land in den laatsten tijd werd opgeschrikt, doen weer de vraag opkomen of ons land wel gedaan heeft met, in afwijking van de meeste Europeesohe landen, de doodstraf af te schaffen.
Merkwaardig is nu te zien hoe in een tweetal Roomsch Katholieke bladen de eisch tot wederinvoering weerkHnkt.
De „Gelderiander" beroept zich op Thomas Aquinas en den moralist onzer dagen, Victor Cathrin ter verdediging van dien eisch en vervolgt dan :
„Niet alles echter, wat men in beginsel wenscht, is even urgent.
Omstandigheden echter kunnen de urgentie wekken, den wensch veranderen in een eisch.
Het wordt tijd, de wederinvoering der doodstraf te eischen.
Spreken de feiten niet luid genoeg ?
Wat weerhoudt den booswicht, die rond het eenzame huis van een rustigen oude sluipt, wat zou hem weerhouden om binnen te dringen, te stelen en zoo noodig te moorden ?
Een ander Roomsch Katholiek blad „Het Overijsselsch Dagblad", sluit zich daarbij aan met de woorden :
„Terecht schrijft de „Gelderlander" dat er een ontzettende hoonlach klinkt uit die reeks van ruwe moorden tegen de machteloosheid onzer strafwetgevmg, maar een noodkreet ook. Een noodkreet van de rustige burgerij, die de bescherming vraagt tegen het drieste en verwilderde geboefte".
Al is deze argumenteering ten gunste van de wederinvoering niet de sterkste, toch zijn deze Roomsch Katholieke pleidooien een leerzaam stukje voor degenen, die in het opkomen voor de doodstraf niet veel meer zien dan een stukje Calvinistisch drijven.

Een historisch feit.
In de vragenbus van het „Gereform, Jongelingsblad" kwam de volgende vraag :
Is wat ons in Job 1 : 6 e.v. van Satan meegedeeld wordt, een historisch feit of dichterlijk zinnebeeldige voorstelling ?
En de vrager voegde er zijn eigen gedachte aan toe :
In aansluiting bij de B. verkl. van Klinkenberg meent ondergeteekende het laatste. Het is m.i. in strijd met rede en openbaring, dat God, die te rein van oogen is, om het kwaad te aanschouwen, het verpersoonlijkte kwaad in Zijn tegenwoordigheid, in de plaats der gelukzaligheid onder Zijn heilige engelen toelaat en met Satan in gesprek treedt.
Ik meen veeleer, dat de dichterlijke aard van het boek Job reden geeft om aan te nemen, dat dit gedeelte der geschiedenis oneigenlijk verstaan moet worden, evenals 2 Kron. 18 : 18 e.v.
Terecht antwoordde hierop als volgt: de Redacteur
De vrager 'heeft dus reeds een meening. Voor zulke vragers is deze rubriek eigenlijk niet.
Maar tóch een enkel woord. Klinkenberg is nu juist niet zulk een autoriteit. Het beroep daarop kan veilig achterwege blijven.
Wij hebben hier met een historisch feit te doen. Het staat temidden van allerlei andere historische feiten. Volstrekt niet in het midden van een dichterlijke ontboezeming. Men late aan Ethischen en andere Schriftverknoeiers de bedenkelijke eer om bij moeilijkheden het maar over den boeg van „zinnebeeldige voorstellingen" te wenden.
De vrager zegt wel, dat het z.i. in strijd is met rede en openbaring enz., maar hij toont niet aan, waar de strijd met de rede en waar de strijd met de openbaring ligt. Blijft dus alleen over, dat het zijns inziens zoo is. Hij houde ons ten goede, dat wij zijn inzicht niet wenschen over te nemen in ruil voor de duidelijke uitspraak van Job 1 : 6.
Dat onze waarde vriend veel te haastig is in zijn conclusie b.v. over het in gesprek treden met Satan, zal hem duidelijk zijn, als hij b.v. Gen. 3 : 14 en 15, Matth. 4 : l—ll, Zach. 3 : 1—2 eens naleest. Nog meer : welk recht heeft de vrager om dit gedeelte der geschiedenis (dat dan geen geschiedenis meer is) oneigenlijk, als dichterlijke, zinnebeeldige voorstelling te verstaan ? Waarom heeft een ander dan geen recht om een aruter deel der geschiedenis (b.v. Jobs slagen en verliezen, zijn vrouw en zijn zweren) ook overdrachtelijk te verstaan ?
Na het gekakel van ds. Deetman over den zondeval, waarbij alles eenvoudig wordt weggecijferd en de mensch gemaakt wordt tot een afstammeling van een dief, is het niet onaardig te lezen, hoe de vrijizinnige predikant dr. Bleeker in het „Weekblad voor de Vrijzinnig Hervormden" dergelijke onzinnige redeneeringen a la ds. Deetman naast zich neerlegt als minderwaardig.
Dr. Bleeker schrijft het volgende :

Het leerstuk van den zondeval.
Het is eigenaardig, dat tal van vrijzinnigen op dit leerstuk maar heelemaal geen kijk hebben en ook niet kunnen krijgen, naar 't schijnt. Ze kunnen zich maar niet indenken, dat in deze eigenaardige, voor modern besef verouderde formuleering, een groote levenswaarheid verborgen kan zijn. Dit leerstuk is hun niets dan een versteend overblijfsel uit den ouden tijd en als iemand het aanhangt, denken zij vóór alles aan grenzeloos conservatisme en doffe bekrompenheid.
Immers, zoo is hun gewone redeneering, van een zondeval is in Genesis 3, welbeschouwd, niets te lezen. En zelfs al stond het er nog met zoovele woorden, dan was deze val niets dan de kinderlijk-naïeve voorstelling van een Joodschen dichter.
En met dit te constateeren heeft men met dit leerstuk afgedaan en heeft men het voor goed verwezen naar het museum van oudheden. Want dat in een verouderde formuleering een altijd van kracht blijvende geloofswaariheid verscholen kan zijn, schijnt geen oogenblik tot hen door te dringen.
Dit oordeel hangt samen met een eigenaardig soort godsdienstigheid, waardoor deze menschen zich kenmerken. Zij behooren meestal tot hen, die W. James genoemd heeft „de gezonden van geest".
Zij hebben een optimistischen kijk op de menschelijke natuur. Deze is niet zoo verkeerd, als men vaak heeft beweerd. Zonde is hun onvolmaaktheid, gebrekkigheid, nog niet zijn van wat moet worden, een het nog niet gegrepen hebben, een nog vastzitten aan het dierlijke.
Voor hun besef leven wij dan ook in elk opzicht in een groeiende, zich al meer ontwikkelende wereld, want zij zien alle dingen, en zoo ook den mensch en zijn geestelijk leven, onder het licht der evolutieleer. Zij hebben het dan ook veel over „ontwikkeling" en profeteeren soms zeer geestdriftig van een steeds hooger stijgen der menschheid naar de lichtende bergtoppen der volmaaktheid.
't Geloof aan den zedelijken vooruitgang van ons geslacht is hun dan ook zeer dierbaar. Geen wonder ook, het is met hun Godsgeloof onlosmakelijk vervlochten. En als ge het eerste aantast, voelen zij dit als een aanval op het laatste.
Nu behoeft het zeker geen verder betoog, dat menschen van deze godsdienstigheid met het leerstuk van den zondeval niets weten aan te vangen, ja, daarover nauwelijks een verstandig woord kunnen zeggen.
Dit leerstuk behoort thuis bij een geheel andere soort van godsdienstigheid, die James met een licht verwarring verwekkenden term betiteld heeft als die van „de zieke ziel".
Hun is de zonde niet onvolmaaktheid, maar onheiligheid, afval van opstand tegen den Heilige. Zi] kunnen eigenlijk geen juiste termen vinden, om het uit te drukken. Maar zij voelen, dat er een scheur gaat door de wereld, dat de „natuurlijke mensch" van God liever niet weten wil.
Zij verwachten hun heil niet van ontwikkeling, ontplooiing van in hen aanwezige kiemen en krachten, maar spreken liever van wedergeboorte, opnieuw geboren worden en van heiligmaking.
't Geloof aan den zedelijken vooruitgang bekleedt in hun geloofsleven volstrekt geen plaats, in elk geval verschaft het hun geen troost. Zij vinden hun troost en sterkte en levensmoed in 't wonderlijke feit, dat de Heilige hen, onwaardigen, nog liefheeft en Zijn zegeningen hun schenkt ondanks zonde en schuld.
Menschen van deze godsdienstigheid komen niet altijd tot het opstellen van een leer over 's menschen val in het Paradijs. Men denke slechts aan de Rechts-Modernen, van wie men zoo iets nooit zal hooren.
Maar als iemand nog maar eenigszins bevangen zit in de oude bijbelbescbouwing, zal hij er licht toe komen om in Genesis 3 zooiets te lezen. En dat niet, omdat het er staat, maar omdat hij gaarne het heilig geachte bijbelwoord bezigt, om eigen meeningen te steunen.
Want wat hen bekoort en altijd weer trekt in dit leerstuk, is, dat hier de zonde wordt voorgesteld in haar opstandig karakter tegen den Heiligen God, zoodat men zich zelf in zijn zondigen gevoelt als een afvallige, die vergeving, genade noodig heeft en zonder verlossing uit de droeve banden van het kwaad op den waren weg des levens niet komen kan.
Betuigingen, dat dit leerstuk staat en valt met een verouderde bijbelopvatting, geeft hier dus bitter weinig. Zaak is het, dit dogma te waardeeren naar zijn eeuwig beginsel — indien n.l. eigen godsdienstigheid daartoe in staat stelt.
Want velen zullen het allicht niet kunnen en, levende vanuit een geheel andere ervaring, altijd weer als een dolle stier er op losrennen. Of 't moest al zijn, dat tot hen het besef doordrong dat er ook nog een andere soort godsdienstigheid mogelijk is, dan de hunne.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 november 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's