De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

7 minuten leestijd

De geschiedenis herhaalt zich.
In het vorig nummer van ons blad hebben wij een uitspraak uit een der werken van Calvijn opgenomen, waaruit duidelijk en klaar 't standpunt blijkt dat de groote Hervormer jegens de Roomschen in het maatschappelijk en staatkundig leven innam.
De Roomschen stonden Calvijn nader dan de libertijnen en daarmede nam hij een houding aan, die, zou zij in onze dagen zóó zijn naar voren gebracht, den Geneefschen Godgeleerde niet weinig den tegenstand en de vijandschap zou hebben doen ervaren van sommige groepen van ons volk, die zich er nu met nadruk op beroemen geesteskinderen bij uitnemendheid van den Gereformeerden theoloog te zijn.
Calvijn zou gebrandmerkt zijn geworden als een vijand van de Kerk Gods, als een die om God noch godsdienst gaf.
Men onderscheide intusschen wel, dat wij hierboven Calvijn's standpunt weergaven met betrekking tot zijn gevoelen over de Roomschen ten opzichte van den staat en de maatschappij.
Op het terrein van de Kerk stond hij natuurlijk geheel anders.
Daar kruiste Calvijn — gelijk hij schreef — het zwaard met hen, die de Kerk ondermijnden.
Daar gaf de Hervormer — evengoed als ieder goed Gereformeerde — geen pardon, maar liet, zooals „de Institutie" dit zoo heerlijk leert, het heldere geluid van de leer der vrije genade hooren. Calvijn bestreed Rome niet met antipapistische, maar met geestelijke wapenen.
Calvijn maakte onderscheid wanneer hij het had over de Kerk of over het leven in staat en maatschappij.
En diezelfde houding van Calvijn vinden wij ook nagevolgd bij verschillende van de Gereformeerde Vaderen.
Wij noemen er hier twee, en wel met opzet de godgeleerden Olevianus en Beza, de eerste, die de medeopsteller was van den Heidelbergschen Catechismus, en de laatste, die bekend is als een der voornaamste Gereformeerden uit den Hervormingstijd.
Zij beiden schreven in dezen geest : „Gebruik uw gezag naar de voorwaarden, waarop gij het bezit. De Roomschen zijn geen heidenen : wij staan tot hen als Juda tot Israël".
Volgens Groen van Prinsterer stond Prins Willem, de Vader des Vaderlands, op één lijn met Olevianus en Beza.
En naar deze geschiedschrijver mede deelt, schreef de Prins, dat de Gereformeerden hem verweten omgekocht te zijn door de Roomschen met giften en beloften.
„Sommige Hervormden, zoo verhaalt Groen, hielden het uitroepen der Roomsche Kerk voor onvoorwaardelijke verpligting ; de Papist was hun een Heiden en Canaaniet ; doet de afgodendienaars uit uw midden weg ; sluit met hen geen verbond van hier de wederstand tegen de Religie-vrede en tegen het huldigen van een Roomschen vorst".
„Maar Oranje met de zijnen, zoo gaat mr. Groen verder, dachten er anders over".
Nog een jaar voordat de Prins te Delft werd doodgeschoten, werd hij door sommigen uitgescholden voor „verrader" en „inhaler der Roomsche Franschen".
Merkwaardige overeenkomst tusschen den tijd, waarin Prins Willem leefde, die met den Potentaat der Potentaten een vast verbond had gemaakt, en de dagen waarin wij thans verkeeren.
De .geschiedenis herhaalt zich.
Immers met dezelfde felheid als waar mede in zijn tijd Prins Willem van de Gereformeerde Vaderen werd bestreden, worden tegenwoordig diegenen te lijf gegaan, die hun kracht niet zoeken in het gebruik maken van anti-papistische wapenen, maar voor hunne bestrijding van Rome de middelen aanwenden welke in het geestelijk tuighuis te vinden zijn.
Maar de groepen onder ons volk, die anti-papistische politiek drijven, hebben dan ook niet het recht zich te beroepen op den Vader des Vaderlands.
Zeker, tegenover Rome behoort de strijd te worden aangebonden, maar dan moet dit geschieden op 't terrein, waarop dit behoort.
Daarbij moet onderscheid worden gemaakt of men zich bevindt op het terrein van de Kerk of op dat van den staat en de maatschappij.
En als dan de strijd gestreden wordt, dan staan de Gereformeerden ontegenzeggelijk het sterkst ; immers zij zijn het, die het krachtigst opkomen voor de absolute souvereiniteit Gods.

Wonderlijk en inconsequent.
In ,,de Gereformeerde Kerk" van 20 November vinden wij een wonderlijk betoog. Dezelfde schrijver heeft het daar over twee onderwerpen. Op de voorpagina schrijft hij over : „Ons theologisch hooger onderwijs" en aan den binnenkant van het blad over : „De doopbelofte en de Openbare School".
Ten aanzien van 't eerste onderwerp heet het : dat het hoe langer hoe meer uitkomt, hoe verkeerd de tegenwoordige wettelijke regeling van ons Godgeleerd Hooger Onderwijs is, en wat ons tengevolge daarvan in de toekomst wellicht nog te wachten staat. Daarom is het noodig — zoo schrijft ds. Lingbeek — om aan te dringen op herstel van onze Christelijke theologische faculteit.
Maar als die zelfde schrijver zijn tweede onderwerp behandelt, en een Christelijke openbare school stelt tegenover een Christelijke bijzondere school, dan zegt hij :
Wij maken de tegenwoordige toestanden op schoolgebied niet, maar vinden die, zooals zij zijn.
En dan vinden wij die zóó, dat (of wij het goedvinden of niet) de Openbare School nu eenmaal in de meeste plaatsen eene school is geworden, waar voor God en Zijne eere en Zijnen dienst en Zijn Woord geen plaats is, en dat zij daardoor is geworden een werktuig voor de ontkerstening van ons volk. Terwijl daarentegen de Christelijke scholen met geen ander oogmerk zijn verrezen dan om die ontkerstening tegen te gaan.
Waarbij dan de geachte schrijver deze conclusie trekt, dat hij doorgaans aan de Christelijke bijzondere school de voorkeur geeft boven de godsdienstlooze openbare.
Maar is ds. Lingbeek hier nu wel geheel consequent en wordt zijn betoog niet wat wonderlijk, als hij ten aanzien van de Hoogescholen, die immers toch ook godsdienstloos zijn, vraagt herstel van de Christelijke theologische faculteit en voor de Lagere Scholen het opneemt voor de Christelijke bijzondere school ?
Dan stond dr. Hoedemaker, op wien ds. Lingbeek zich zoo gaarne beroept, als de man, die steeds de juiste lijnen uitstippelde, vrij wat principiëeler.
Dezer dagen herinnerde een der bladen aan een paar uitspraken van dien theoloog op den Arnhemschen Universiteitsdag in 1883.
Dr. Hoedemaker poneerde daar deze stellingen :
Indien het hooger onderwijs in handen blijft van hen, die zich niet buigen voor het gezag van God en Zijn Woord, is onze strijd voor de Christelijke School doelloos, wat aangaat haar duurzaam karakter, haar wetenschappelijk gehalte en blijvenden invloed.
Dezelfde motieven, die tot de stichting van onze Christelijke Scholen hebben geleid, dringen met onweerstaanbare kracht tot de schepping van eene Christelijke Universiteit.
De vrijheid van onze Christelijke Scholen is een precair bezit, zoolang de Staat niet aflaat het beginsel, dat zijn onderwijs regel moet zijn, ook op het hooger onderwijs toe te passen.
Ons dunkt, dat hier nog wel eenig verschil valt op te merken, in het standpunt van ds. Lingbeek en in dat van dr. Hoedemaker.

De Staatsloterij.
De wensch, welke wij reeds meermalen uitspraken, dat het ook bij de Staatsloterij tot afschaffing zou komen, is thans bevredigd geworden.
Blijkens het voorloopig verslag over het Hoofdstuk „Financiën" waren er leden, die terecht als hun meening te kennen gaven, dat het niet de taak der Overheid is de gelegenheid te geven tot het bevredigen van een verkeerde neiging om te spelen.
Bij deze meening sluit de Minister zich in zijne Memorie van Antwoord geheel aan en laat dan op deze zienswijze volgen, dat het de bedoeling der regeering is een wetsontwerp in te dienen tot het geleidelijk doen uitsterven van de Staatsloterij.
Voor deze toezegging zijn wij Minister Colijn recht dankbaar.
Behalve een wetsontwerp tot afschaffing van den stemplicht, zal nu ook nog een wetsvoordracht bij de Staten-Generaal inkomen om de Staatsloterij te doen verdwijnen.
Wij hopen dat de regeering met hare toezeggingen spoed zal maken, zoodat het mogelijk zal zijn dat de beide zaken nog vóór de verkiezingen van het volgende jaar zullen worden afgedaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's