Stichtelijke overdenking.
En er zal een Verlosser tot Ziom komen, namelijk voor hen, die zich bekeeren van de overtreding in Jakob, spreekt de Heere. Jezaia 59 vers 20.
Een Verlosser tot Zion.
Veel ellende is er in de wereld. De naam Verlosser veronderstelt dit reeds. Wanneer toch de mensch niet ongelukkig was, behoefde er geen Verlosser te komen. Maar nu, hoeveel jammeren en geween.
En met de H. Schrift in de hand behoeft ons dat niet te verwonderen. Deze toch leert, dat de geheele wereld voor God verdoemelijk is, en ieder vervloekt, die niet alles doet wat het boek der Wet zegt ; terwijl alle menschen gezondigd hebben, en God hebben verlaten, en er niemand is, die goed doet.
Ons aller Vader, Adam, heeft toch reeds in het Paradijs zijnen Schepper den rug toegekeerd, en in en na hem geheel zijn nageslacht. Want toen hij viel, toen vielen allen in en met hem. Want in Adam waren alle menschen. Hij vertegenwoordigde geheel zijne nakomelingschap. Toen hij stond, stonden allen in hem, maar ook toen hij viel, viel met hem geheel het menschdom. Gelijk Levi vóór zijne geboorte, toen hij nog in de lendenen van Abraham was, tienden gaf aan Melchizedek, zoo hebben wij reeds, toen wij nog in Adam waren, in hem ook onze handen uitgestrekt naar de verbodene vrucht. De apostel Paulus, die bijzonder verlichte onder Gods heiligen, leert het ons zoo duidelijk, dat door éénen mensch de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood, die tot alle menschen is doorgegaan, ja, dat door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis.
En het is goed, ja noodig, dit te weten. Want zoolang wij ons niet bewust zijn wat wij in Adam verloren hebben, zullen wij dit ook niet in Christus zoeken. Zoolang wij niet weten, dat de schuld van den eersten Adam de onze is, zullen wij ook nooit recht kunnen gelooven dat de gerechtigheid van den tweeden Adam ons wordt toegerekend. „Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eénen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
Daarom zijn wij allen, tengevolge van Adams-en eigene zonde, diep ongelukkig. Maar een voorrecht, als we dat recht mogen verstaan. Want dan wordt het zulk eene heerlijke vertroosting, wat de Heere bij monde van den profeet Jezaja zegt : Er zal een Verlosser tot Zion komen.
Verlosser ! In het oorspronkelijke staat Goël, dat eigenlijk Losser beteekent. Wanneer onder Israël iemand verarmd was, dan had zulk een losser het recht om diens goederen tegen den zelfden prijs terug te koopen. En als iemand zoo arm was geworden dat hij ziohzelven als slaaf had moeten verkoopen, dan ook had die losser het recht om hem tegen een losprijs weder vrij te doen worden. Zulk een losser moest zijn een bloedverwant, een nabestaande.
Welnu, zulk een Losser is juist de Heere Jezus Christus. Hij is door Zijn menschwording onze nabestaande geworden. Door Zijne geboorte uit Maria werd Hij de bloedverwant van zondaren ; van de gevallene nakomelingen van Adam. Hij nam ons vleesch en bloed aan. Daarom kan Hij dan ook onze Losser zijn.
Wij zijn arm, geheel verarmd. Wij hebben tienduizend talenten schuld, en geen enkelen penning om af te betalen. Ja wij zijn slaven. In de slavernij van zonde en Satan. En in geen enkel opzicht bij machte onze slavenketenen te verbreken, en onszelven te bevrijden. Ja wij zijn van nature zoó in de macht van Satan en zonde, dat we onze slavenboeien liefhebben en er daarom nooit naar vragen om er van verlost te worden. Wanneer dan ook die groote Goël zou wachten totdat wij om bevrijding vroegen, dan werd nooit een enkel zondaar gered.
Maar, ziet ! dat isr nu juist de onbegrijpelijke en grenzelooze liefde van Christus, dat Hij niet wachtte totdat iemand naar Hem vroeg, maar geheel vrijwillig Zijnen hoogen hemel verliet en neerdaalde op deze lage aarde; dat Hij, Die rijk was, arm werd om arme zondaren rijk te maken.
Zoo werd Hij dan geboren in Bethlehem, in een beestenstal. Die onuitsprekelijk rijk was, werd onuitsprekelijk arm. De Eeuwige werd een Kind ; de Almachtige als hulpeloos ; de Oneindige nedergelegd in een kribbe. Welk een onuitsprekelijk wonder van genade. En dat alleen om ongelukkige zondaren te behouden ; om vijanden met God te verzoenen.
Wij mogen hier wel met Da Costa uit roepen :
Hij komt, om Zijn Isrel voor eeuwig te troosten Springt op ! o, gij volken met Jakob te saam. Gij Noorden en Zuiden, gij Westen en Oosten ! Roept uit dien ontzaoh-, dien genavollen Naam. Een Kind ons geboren, een Zoon ons gegeven ; God Zelf ons verschenen in 't zichtbare stof. Verheerlijkt dien heildag, zoo schoon, zoo verheven.
Met immer vernieuwde verrukking van lof. Met duizend gemengelde klanken en galmen van cimbel en orgel, van trommel en fluit; Van Zions zich telkens vervullende psalmen. Ter eere van Bethlems gezegenden Spruit.
Zoo werd de Heere Jezus in Bethlehem geboren. Maar nu is de groote vraag, of Hij het ook werd in ons hart. Dat juist is noodig. Daarop juist komt het aan. Het is zoo waar, wat een zeker dichter, Silesius, zegt :
Was Jezus duizend maal in Bethlehem geboren En niet in u zoo zijt ge toch verloren. En hoe wij nu kunnen weten, of Christus in ons geboren werd ? De Heere zegt het ons bij monde van Jezaja : Er zal een Verlosser tot Zion komen. Tot Zion zou Hij dus komen, en is Hij gekomen. En wat hiermede bedoeld wordt zegt Hij zelf : namelijk voor hen, die zich bekeeren van de overtreding in Jakob.
Daar is dus iets, waaraan wij het weten kunnen. Degenen, tot wie Christus komt en in wier hart Hij intrek neemt, zijn dus een gekenmerkt volk. Zij bekeeren zich van hunne overtredingen, Zij leeren de zonde vlieden, en toonen daarmede dat zij tot het ware Jakob, tot het wezenlijke Israël behooren.
Het kenmerk van het ware Zion is alzoo, dat het zich afkeert van zijnen boozen weg. Oppervlakkig zouden we dus zeggen, dat de beweegoorzaak niet ligt in den Goël, maar in Zion. Het omgekeerde echter is waar. Dat leert ons de apostel Paulus zonneklaar in het elfde hoofdstuk van zijnen brief aan de Romeinen. Daar zegt hij, met het oog op onze profetie : De Verlosser zal uit Zion komen, en Hij zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
Opmerkelijk. Bij Jezaja : De Verlosser tot Zion ; bij Paulus : De Verlosser uit Zion ! Hoe is het nu ? Beide is waar. Hij kwam uit Zion tot Zion. Naar Zijne menschelijke natuur werd Hij uit Israël geboren en kwam Hij toch ook tot Israël. „De zaligheid is uit de Joden" ; dus juist uit dat volk, in wier midden Hij wandelde. En naar Zijne Goddelijke natuur? Ook uit Zion tot Zion. Uit het hoogere Zion, in den hemel, tot de lagere deelen van Zijn Zion hier op aarde. De strijdende en triumfeerende Kerk vormen samen de ééne gemeente van Christus. Het zijn twee deelen van een zelfde rijk, slechts van elkander gescheiden door de rivier des doods.
En ligt nu de oorzaak der behoudenis ook maar ten deele in dit Zion ? Geenszins. Immers de apostel leert het ons : Hij zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. De waarachtige bekeerin'g, Zions kenmerk, blijkt dus het werk van dien grooten Goël Zelven te zijn.
De Verlosser zal komen, zegt Jezaja. Hij is gekomen, roepen evangelisen en apostelen om strijd. Maar ook nog : Hij zal komen.
Ja Jezus komt weder. En dan niet als een hulpeloos Kindeke, in doeken gewonden. Dan komt Hij met groote kracht en heerlijkheid. Als Rechter. Om te oordeelen de levenden en de dooden. Dan zal alle oog Hem zien. Ook degenen, die Hem doorstoken hebben.
En dan ook komt Hij weder uit Zion tot Zion. Uit de hooge hemelen op de lage wolken dezer aarde. Dan zal Hij al de Zijnen toch Zich nemen en zullen ze allen naar ziel en lichaam bij Hem zijn, om eeuwig in Zijne heerlijkheid te deelen en den Drieëenigen God eetiwig eere te geven vanwege die „vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog'".
Waarlijk, wanneer des Heeren kind licht mag hebben over wat zijn Verlosser hem schonk en hij zich zijn rijkclom bewust mag wezen, dan mag hij bij oogenblikken op de vraag : Wat troost u de wederkomst van Christus ? met den Catechismus wel antwoorden Dat ik in alle droefenis en vervolging, met opgerichten hoofde, even Denzelfde, Die Zich om mijnenhvil voor het gericht Gods gesteld, en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot eenen Rechter uit den hemel verwacht, die al Zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelsche blijdschap en heerlijkheid nemen zal.
Moge de Heere in Zijne ontferming. Lezer ! deze genade schenken aan u en aan mij.
Neerlangbr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's