Uit de Pers.
De werkelijkheid.
De heer Berghorst te Rotterdam, ook aan de leden van onzen Bond niet onbekend, sdhrijft in de A.R-. „Rotterdammer" van 19 November een artikel onder het opschrift: „De werkelijkheid".
Wij laten het hieronder volgen :
Op Staatkundig terrein zijn er ook droomers, die droomen van lang vervlogen dagen, van heerlijke dagen. Toen Nederland was een Christennatie en de regeerders het Woord van God namen als hun richtsnoer op het Staatkundig erf.
Toen de republiek der zeven vereenigde gewesten was een Protestantsche, een Hervormde (Gereformeerde) Staat.
Van dat heerlijke droomen ze niet alleen 's nachts, maar óok overdag.
Ook overdag. Om de droeve werkelijkheid maar niet in te zien, sluiten ze de oogen en dommelen voort. Ze willen niet ontwaken.
Ze toornen tegen degenen, die hun toeroepen; Wordt toch eens wakker, Ze willen vasthouden dat heerlijke, al is het slechts in den droom.
Mr. Groen van Prinsterer, de man van beginselen, en de vorscher in de Geschiedenis des Vaderlands, gevoelde zich machtig aangetrokken tot het bloeitijdperk onzer vaderlandsche historie, toen onze natie machtig was door een onwrikbaar geloof, toen het was een Gereformeerde natie en de Gereformeerde religie een voorrang had In ons land.
Wat lezen we echter in zijn Nederlandsche gedachten (2 Oct. 1869) op pag. 43 ? Als antwoord op wat de heer De Bosch Kemper in het „Volksblad" van 23 September schreef ?
Dit schreef De Bosch Kemper :
„Op godsdienstig gebied is de heer Groen van Prinsterer met de ultramodernen reactionair, wanneer hij nu nog zoekt te herstellen de vereeniging van Kerk en Staat en te handhaven het gezag der menschen in het bepalen van godsdienstige leerstellingen.
„Maar hij is niet minder reactionair op staatkundig gebied. Het beginsel van de afschaffing eener heerschende Kerk is het algemeene beginsel van de meest beschaafde volken van Europa geworden".
Hierop antwoordde Groen van Prinsterer :
„Nu nog zoekt te herstellen! Men houde mij ten goede, dat ik discussie doelloos reken, wanneer men, zelfs op den grondslag van het redebeleid zijner tegenpartij, geen acht geeft.
„Langen tijd heb ik vastgehouden aan de mogelijkheid dat, althans aan de belijdenis van den levenden God, in Nederland eenige voorrang zou worden verleend.
„Sedert 1862 niet meer. Bij mijn terugkeer in de Tweede Kamer heb ik den godsdienstloozen Staat aanvaard.
„Den godsdienstloozen, zeg ik, niet den anti-Christelijken Staat.
„Den onzijdigen Staat, die alle kerken gelijkelijk beschermt.
„Niet een Staat, die zelf heerschende ongeloofskerk wordt".
Mr. Groen van Prinsterer heeft dus langen tijd vastgehouden aan de mogelijkheid dat, althans aan de belijdenis van den levenden God, in Nederland eeuwige voorrang zou worden verleend. In dit „althans" ligt opgesloten, dat hij begonnen is zich te bezinnen op de mogelijkheid, dat aan de Hervormde (Gereformeerde) belijdenis, in Nederland eenige voorrang zou worden verleend.
Ook het woordje eenige in ons citaat is kenmerkend.
Het geheele citaat draagt de kenmerken van de onderscheidene phasen in den strijd van dezen Antirevolutionairen, staatsman.
1. De Gereformeerde belijdenis de voorrang.
2. De Gereformeerde belijdenis eenige voorrang.
3. De belijdenis van den levenden God de voorrang.
4. De belijdenis van den levenden God eenige voorrang.
En dan eindigt mr. Groen van Prinsterer sedert 1862 met te aanvaarden den onzijdigen Staat, die alle kerken gelijkelijk beschermt.
Hij aanvaardt den onzijdigen Staat als het betere dan de anti-christelijke Staat.
De stichter onzer A.R. partij was geen droomer, maar behalve een kloek belijder der anti-revolutionaire, gereformeerde beginselen, een staatsman, die oog had voor de werkelijkheid der toestanden.
Met beide beenen plaatste hij zich op den bodem der feiten.
Hij zag, hoe ver een groot deel van ons volk was afgeweken van het voetspoor der vaderen. Hoe de mogelijkheid om in afzienbare jaren te grijpen naar hetgeen eens realiteit was in het Staatkundig leven der Republiek, niet was te voorzien.
Daarom vangt hij aan in 1862 met te aanvaarden den onzijdigen Staat, die alle kerken gelijkelijk beschermt.
In 1924 zijn er menschen, die ijveren voor den Hervormd (Gereformeerden) Staat.
Zijn onze dagen anders, beter dan ten tijde van Groen, toen hij zich genoodzaakt zag te aanvaarden den neutralen Staat ?
Zijn wij sedert 1862 zoozeer vooruitgegaan ?
Of, wat hooren we een gerucht van socialisme, communisme, van r.k. propaganda, van ongeloof en revolutie, van grooten afval van de Kerk ?
Het wordt hoog tijd dat die droomers van verleden, schoone dagen, ontwaken en zich met ons plaatsen op den bodem der, nuchtere, droeve werkelijkheid.
Om dan met allen, die de Gereformeerde belijdenis liefthebben, te ijveren voor verbetering ; samen te strijden tegen de machten van on-en bijgeloof, als eenmaal. Groen met de zijnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 november 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's