Stichtelijke overdenking.
Zoo zeide dan Jezus tot hem : „Ga henen en doe gij desgelijks". Lucas 10 vers 37.
De barmhartige Samaritaan.
De aanleiding tot het uitspreken van deze gelijkenis ligt in de vraag van zekeren wetgeleerde : „Wat doende zal ik het eeuwige leven beërven ? " en de mededeeling er bij van Lucas : „hem verzoekende", bewijst, dat het geen zuivere nieuwsgierigheid was, die geleid had tot de vraag, nog minder oprechte belangstelling, maar dat er een „scherp kantje" aan zat en er een bedoeling achter school.
Naar den vorm komt de vraag vrijwel overeen met die van den rijken jongeling en bewijst zij dat ze voortkomt uit gedachten van 't werkverbond, om dus door wettischen dienst een hemelsche belooning te kunnen wegdraigen.
Heel fijn, in de taal van zijn tijd en zich voegend naar de bevatting van de vrager, heeft de Heiland dan ook geantwoord hier, gelijk bij den rijken jongeling met het wettisch antwoord : „doe dat en gij zult leven".
Staaltje van den fijnsten humor in Jezus' woord, met de intentie (de onuitgesproken bedoeling) hem te leiden door de wet tot de genade, door de schuld tot de vergeving, door de kennis der zonde tot de kennis van verzoening en verlossing.
Maar ach, die wetgeleerde is al als de meeste menschen, die hun aangezicht te zien krijgen in het zuivere spiegelbeeld van de wet.
Dat was wel mooi gezegd, vond hij, maar niet voldoende. „En willende zichzelf rechtvaardigen" (o, vreeselijk bedrijf van den onontdekten en altijd weer zichzelf bcdekkenden zondaar !) zeide hij tot Jezus : „Wie is mijn naaste ? "
Zooals wij ook, om aan de klem en de kracht van het goddelijk Woord te ontkomen, en in plaats van te vallen voor den eisch van het goddelijk getuigenis, „een boom gaan opzetten", een discussie uitlokken over een theologisch vraagstuk.
Maar Christus vat den sluwen wetgeleerde en Hij zal hem ten voeten uitteekenen dien naaste, in de onovertrefbaar schoone gelijkenis, waarin beeld, gedachte en toepassing spreken zullen tot zijn ziel en geweten.
Wat 'n arm slachtoffer van lage moordenaarspractijken, die man, die „afkwam van Jeruzalem naar Jericho" ! Zie hem daar liggen in zijn bloed en tranen.
Wat type van onbarmhartigen kerkgodsdienst, die priester met zijn vluggen tred, haastend om na volbrachte taak te komen tot de zijnen, zijn plicht volbracht hebbend, zonder bekommering over eens anders ellende !
En de Leviet maakt het al niet beter ; hij mag misschien iets meer deernis gevoeld hebben met den kreunenden ongelukkige, maar hoezeer 't hem spijt, hij kan zich daarmede niet inlaten. Andere bezigheden roepen hem elders.
Maar die Samaritaan, wien de haat tegen het Jodendom in het bloed zat, en die alles moest overwinnen om weldadigheid te oefenen en barmhartigheid te bewijzen, die doet het ; stapt af, giet olie, verbindt de wonden, rijdt hem weg, betaalt de kosten. In één woord : dat is de man, die het keurig volkomen in orde brengt.
En dan komt de toepassing, na de teekening ; zoo is de situatie, en hoe is nu de conclusie ? Wie is van die drie de naaste van den gevallene in moordenaarshanden ?
Antwoord, gij, wetgeleerde ! en vel dan uw eigen vonnis meteen ; de tweede wetstafel zal u hier oordeelen. Wie is de naaste ? Uw naaste ? Uw priester, uw leviet, of die verachte, gevloekte, maar toch zoo barmhartige Samaritaan ?
Daar hebt gij de oude leer en de nieuwe leer tegenover elkaar. Joden leerden : uw volksgenooten en geloofsgenooten, die moet men liefhebben, maar de rest, die anderen, dat zijn uw vijanden, gij moogt ze haten.
Maar de nieuwe leer zal de oude opzijde zetten. Uw naasten ? zijn dat uw dierbaren, gelijken, familieleden, van wie gij wedervergelding kunt verwachten ?
Absoluut niet. Uw naasten zijn allen, die u hulp brengen of uw hulp behoeven, onverschillig van wat rang, stand, godsdienst of nationaliteit.
Helpende liefde is Cosmopolietisch van aard, dienende liefde reikt de hand over de muren der kerk heen.
Dat is iets geweldig ernstigs.
Een prediking, die ons allen veroordeelt.
Staan wij (denk aan de les van de voetwassching) al schuldig tegenover onze allernaasten, hoe veel grooter wordt onze tekortkoming als wij hooren wat wij schuldig zijn tegenover de wereld die buiten staat, het breede terrein van menschen, omgrensd door de grenzen van de tweede wetstafel !
Tegenover die heidenwereld met haar blinde onkunde, en die Jodenwereld met haar fanatieken haat, en die Roomsche wereld met haar afgoderij en menschvergoding, die arme wereld met haar paupers, bedelend om eeji Kerstgave, en die vijandige wereld met haar anarchistisch geweld en haar bolsjewistische wreedheid en de lachende, spottende wereld met haar ijdel vermaak en haar dolle kermisjool.
Jezus legt ze zoo even voor u, en Hij brengt u, staande tegenover haar, bij uw roeping en het klinkt als een bijtende satire : „ga heen en doe gij desgelijks".
Scherper veroordeeling van uw gebrek staat er wel in den heelen bijbel niet, noch ernstiger wetsprediking, noch geweldiger aanwijzing van uw tekort.
Excuses baten hier weinig ! Verontschuldigen behoeft gij u niet.
Dat zijn uw naasten ! En dit is uw roeping !
Gaat heen en doet allen desgelijks ! Gij wetgeleerde, gij priester, gij leviet, gij Samaritaan, gij allen, want dat doende zult gij......
II. Wetsprediking lees ik in 't woord van den Christus Gods in de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan.
Maar ik lees er ook een Christusprediking in. Als ik er dat niet in las zou ik het zeker niet genomen hebben tot onderwerp van stichtelijke (stichtende? ) overdenking !
Er zijn al zedepreekers genoeg in onze dagen, en tegen Kerstmis vooral wordt de christelijke wereld als overstroomd door lectuur, waaruit het „doe dat en gij zult leven" maar al te duidelijk spreekt.
Christusprediking ! En zonder te vervallen in de fout van de allegorische Schriftverklaring, meen ik, dat uit dit woord van den Heiland ons toeklinkt het woord van de hoogste barmhartigheid en van de zaligste genezing van de breuke des levens.
Of meent gij, dat Jezus in deze gelijkenis niet een voorbeeld gegeven heeft van de beste beoefening der hoogste, d.i. der goddelijke barmhartigheid ?
Dus een Christusprediking van de reinste ontferming ?
Zeker, de wetsprediking kan in de verkondiging des Woords niet gemist worden. Het eerste stuk van den Catechismus, dat voorop gaat! En ik heb er vrede mede, als men meent die wetsprediking zoo diep, zoo breed mogelijk te moeten geven als maar eenigszins m'Ogelijk is, maar, laat het er toch' niet bij blijven, want dat kweekt een dom, dood en zuchtend Christendom, met vorm en vertoon, schijn en een gedaante van godzaligheid.
Dan is het gevaar zoo groot, dat niet de wet onze doodslager blijft, maar dat de wetspredikers de doodslagers worden, die den man tusschen Jeruzalem en Jericho half dood laten liggen.
Jezus' barmhartigheid moet ten hoogste geroemd worden !
O, dat is genade, dat Jezus den armen zondaar vindt, in zijn ellende, „op de vlakte des velds vertreden in zijn bloed", en dat Hij zich alzoo ontfermt over de Zijnen ! Denk aan de uitgeworpen genezen blindgeborene, buiten den tempel staande, maar door den Heiland „gevonden".
Dat is genade, dat Hij hem aanschouwt in zijn verlatenheid en ongetroostheid. Voor de conversatie met de wereld zijn ze onbruikbaar geworden, uit den kring van de farizeesche vroomheid worden ze gebannen, maar Gode zij dank, bij Hem is genade voor den eenzame, en Zijn oog, dat der genade, is op hen gevestigd en Zijn arm over hen uitgebreid tot zegening.
Dat is genade. Hij vindt ze. Hij ziet ze, maar ook Hij zegent ze allen, die Zijn hulp behoeven. En met de olie Zijner vertroosting en den wijn Zijner verkwikking heft Hij hunne zielen op, ze brengend in de veilige plaats Zijner almachtige hoede en ze leidend tot de gewenschte stad Zijner kostelijke bewaring.
Dat is genade, dat Hij ze ook zaligt. En niet één dier gevondenen, gezien en getroost, gezegend en verkwikt, zal die zaligheid ontgaan, die bereid is van de grondlegging der eeuwen om geopenbaard te worden in de laatste tijden en om verheerlijkt te worden aan de harten der Zijnen.
Hier is de prediking van een Christus, die ide hoogste barmhartigheid oefent en uit de diepste ellende voert tot de heerlijkste zaligheid.
III. Maar dan ook nog in de derde plaats, na de prediking van de wet en van den Christus Gods, ook de prediking van de genade Gods, van dezelfde genade, die in Christus en uit Hem vloeit door Zijne kinderen tot anderen.
Natuurlijk stemmen wij toe, dat de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan de snaren van elke menschelijke ziel doet trillen. Deze wereld is nog geen hel, en dank zij Gods gemeene genade, is er nog veel goeds en teeders en liefelijks in verhoudingen, toestanden en werkzaamheden en zijn er nog teederder banden des bloeds en der liefde, dan wel eens openbaar wordt onder verwanten en vrienden.
Maar ten eerste is het zoo te bejamimeren dat velen hier „godsdienst" van maken en een „grond voor de eeuwigheid" ; en vervolgens is het een feit, dat al zulk uitwendig, wettisch, vroom deugdelijk, fatsoenlijk leven geen vrede en geen rust en geen troost geeft voor de eeuwigheid, op het ziekbed of in het aangezicht van den dood. En zeker niet voor den hemelschen Rechter, ook al zouden wij dan zeggen : „heb ik niet in Uw naam wonderen van barmhartigheid, verricht" ? want dan zal ook voor dat soort van christenen het verpletterend vonnis luiden : „maar Ik heb u nooit gekend !"
Echter, ook al maken wij voor deze gelijkenis een restrictie en geven we gaarne toe, dat er op het gebied van 't kerkelijke en sociale leven veel geschiedt dat der wereld ten zegen strekt, dit zal er altijd tegenover blijven staan, dat alleen degenen, die van Christus zijn en Gods genade deelachtig, predikers van de genade zullen blijven en genade bewijzen zullen aan anderen.
Hoe verstaat gij anders het woord uit de bergrede van den Heiland : „Zalig zijn de barnïhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden" ?
Dat wil toch zeggen, dat hij mijn naaste is, die het allernaaste bij' Christus is en die als een der geestelijke huis genooten des geloofs in Zijn naam en kracht de geur van het priesterlijk werk der barmhartigheid doet uitgaan tot velen ; die dus het beginsel, het werk en den zegen van Christus ervaren heeft en ook dat beginsel uitdraagt tot anderen, zich ontfermend over den ellendige, balsemend den gewonde, zegenend den nooddruftige.
O, dat we het zoo, en zoo alleen zien !
Van Gods Kerk gaat de zegen uit tot de wereld !
Kunst, beschaving, cultuur en wat onze tijd naar voren brengt, kan niet het arme hart brengen den vrede des kruises, maar de barmhartigheid Gods in Christus zal alleen de harten opheffen, en dit is het wat de wereld overwint, n.l. de liefde van Christus.
Hij is de eerste Prediker der breede liefde Gods over een zondige, wijde wereld van ellendige verlorenen.
Hij de voornaamste Arbeider in het werk der goddelijke liefde tot zegen van Zijn Koninkrijk.
Hij, de blijvende Trooster voor het hart van alle geslagenen, en die het leven bij zichzelf niet meer kunnen houden.
Daarom blijve bij de prediking van de wet tot onze veroordeeling, en bij die van Christus tot onze verzoening, ook die der goddelijke genade tot onze vertroosting.
„Ga heen en doe gij desgelijks !"
Moet 't tenslotte nog herhaald worden, met de bijvoeging : wie dan ? en hoe dan ? en waar dan ? en tot hoelang dan ?
Ieder kan aan de hand van de voorafgaande overdenking wel de toepassing maken,
Nog gaat de Christus voorbij, nog gaat Zijn werk door.
Zoudt gij dan sterven bij een volkomen kundig, machtig en gewillig Geneesheer ?
En zoudt gij, bij eigen zelfveroordeeling. Hem niet aanroepen in den nood van uw leven ?
Ach, gij kunt het niet laten.
En Gode zij dank, dat het kreunen van den half doode op den weg het gewenschte middel is tot volkomen zielsgenezing, levensbehoud en Godsverheerlijking.
„Ga henen en doe gij desgelijks !" Die geholpen is, helpe ook een ander ! Heerlijke roeping voor Gods kinderen !
Op den weg der eenzamen ligt er nog wel eens een, die uw hulp, uw woord behoeft.
Laat er zelfverloochening zijn bij het werk der barmhartigheid, en volharding.
Gode de eer gevend, en om Zijns Naams wil voortgaande, wetende, dat wij eenmaal daar zullen komen, waar niemand ziek zal zijn, omdat zij allen vergeving van zonden hebben ontvangen, en waar de hoogste barmhartigheid, in Christus geschonken, eeuwig verheerlijkt zal worden.
L G.
H. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's