Uit het kerkelijk leven.
Een afstraffing verdiend.
Dat hebben ze ! En we zijn blij dat het eens gekomen is ; en vooral, dat het gekomen is van dien kant !
Maar laten we eerst even vertellen, waar 't over gaat.
In Amsterdam is een „Vriendenkring" die daar de lakens uitdeelt en dat voor een groot deel doet door artikelen en samenspraken in een eigen courant. Daar wordt heel wat wijsheid in verkondigd en de fiolen van haat over den Gereformeerden Bond worden daar geregeld uitgegoten. Van de „Vriendenkring" moet je het daar maar hebben !
De hoogste wijsheid heeft men daar in pacht. En men weet 't zóó te draaien en te keeren, dat Gods Woord precies zegt, wat daar de Confessioneel-Hervormd-Gereformeerde-Staatspartij-richting graag wil. Voor Kerk en school, voor land en volk zegt Gods Woord juist alles, zooals „de Vriendenkring" het te Amsterdam willen. De Staat moet schoolmeesteren, de Staat moet kerkjespelen, de Staat moet dit, de Staat moet dat en in Nederland mag maar alleen de Hervormde Kerk zijn en in die Hervormde Kerk alleen maar Confessioneele menschen en wat „Kohlbruggianen", die meer of minder sympathiseeren met de Hervormd Geref. Staatspartij. Want zóó zegt Gods Woord het!
Het is een heerlijk Gereformeerd beginsel, dat Gods Woord de hoogste autoriteit, het hoogste gezag heeft. En het zijn niet de slechtste tijden voor Kerk en school en maatschappij, wanneer men Gods Woord laat spreken en zich naar Gods Woord wil richten. Maar het bederft alles, wanneer men dan intusschen wijzer wil zijn dan Gods Woord ; en al pratend over Gods Woord z'n eigen wijsheid gaat verkoopen.
Een mensch met verstand, dat door de zonde verduisterd is en een hoogmoedig hart in zich omdraagt, komt gemakkelijk tot allerlei schijn-wijsheid, welke niet anders dan ijdele dwaasheid is.
En dat wil men dan dekken door te zeggen : zóó zegt Gods Woord.
Daarom mag er dus wel controle, scherpe controle zijn, telkens weer, daar we zoo gemakkelijk in het spoor van Rome's Kerk komen en dan onze meening, de traditie, de oude gewoonten enz., boven Gods Woord stellen, al zeggen we, dat we Gods Woord erkennen als een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad.
De „Vriendenkring" te Amsterdam staat met beide voeten in dien gevaarlijken weg. Gods Woord prijzende met den mond, volgen ze intusschen eigen wijsheid en zeggen dan maar : zoo zegt 's Heeren getuigenis.
Niet alleen dat dit gevaarlijk is voor ons doen en laten, maar we schaden daarbij, met ons overigens veel geprezen beginsel, de goede zaak. Gods Woord wordt er te meer door veracht; het gereformeerd beginsel om uitgelachen.
Ds. Lingbeek van Reitsum heeft in „de Geref. Kerk" — van je vrienden moet je het maar hebben — een van de laatste couranten, door „de Vriendenkring" uitgegeven, onderhanden genomen en op de grove fout, boven genoemd, gewezen.
Het ging over het vraagstuk van de groote-stads-gemeenten, hoe die 't best bewerkt kunnen worden, waarbij in de laatste jaren telkens over het parochiestelsel gesproken wordt en in de Geref. Kerk van Den Haag tot kerksplitsing is overgegaan ; om des te beter alles te kunnen overzien en het kerkelijk leven meer te kunnen ooncentreeren.
Nu is „de Vriendenkring" te Amsterdam tegen het parochiestelsel en tegen kerksplitsing. Dat moeten ze daar zelf weten. Maar wat nu het frappante in deze is, dat is de fiere, kloeke houding die men daarbij aanneemt, zeggende : „Niemand, die Gods Woord tot zijn richtsnoer neemt zal het durven ontkennen", n.l. wat wij, Vriendenkringorgaan, zeggen, dat waarheid is in deze. Dat is nog al wat!
Temeer, als er dan volgt : „Wij, Nederlandsch Hervormden, die de Nationale Kerk aanvaarden, hebben het pand te bewaren, ons toebetrouwd : het pand der Reformatie en wij hebben niet in de leer te gaan bij Rome noch bij de „vrije" Keuken".
Dat is nog al voornaam uitgedrukt, zouden we zeggen.
En het wordt er nog beter op, als dan met flikkerend oog, de Nederlandsch-Hervormde borst voouit, aan allen die anders denken, gevraagd wordt: „Hoe hoog mikt gij in het geloof ? Wat wilt gij ? Een eigen parochie ? Tien, honderd, duizend zielen voor Christus ? Of een Gereformeerd Amsterdam en een Gereformeerde Natie ? "
Dat is nog al wat: een Gereformeerd Amsterdam ! En wat nog meer zegt: een Gereformeerde Natie !
En allen die voor het parochiestelsel zijn, die voor kerksplitsing zijn, om de groote-stads-gemeenten te helpen in de geestelijke bearbeiding, die zijn in strijd met Gods Woord en kiezen liever tien, honderd, duizend zielen voor Christus, dan een Gereformeerd Amsterdam ; dan...... een Gereformeerde Natie !
Haast zouden we hier zeggen : Maar liever zeggen wij niets in dit geval. Maar laten ds. Lingbeek spreken; hem is het beter toevertrouwd dan aan óns.
Ds. L. zegt dan : „Toen wij dat lazen, dachten wij : wat zijn sommige menschen toch gelukkig ! Zij weten, bij elk vraagstuk, dat zich voordoet, u aanstonds en met één oogopslag te zeggen, wat al of niet Bijbelsch, wat al of niet Gereformeerd is. Helaas ! wij zijn zoo gelukkig niet en zitten bij nieuwe vragen er vaak mee verlegen, wat nu hierbij de toepassing is der oude beproefde beginselen". „Maar", zoo schrijft ds. L. verder : „'t Zou kunnen zijn, dat die vrienden, die zoo onmiddellijk gereed zijn, het'zch bij hun oordeel al te gemakkelijk maakten. Zij zeggen maar eenvoudig : die dingen die onze Vaderen nooit hebben gehad, moeten in strijd zijn met Gods Woord. En dan wordt er wel gesproken van Gods Woord, maar uit Gods Woord wordt niets bewezen. Men gaat er eenvoudig van uit : zooals wij het dusver gehad hebben, zóó en zóó alleen is 't naar Gods Woord. En daarmee wordt al het andere dan veroordeeld".
Dit nu keurt ds. L. ernstig af ; en in den loop van zijn critiek zegt hij : dit is schijnbaar gereformeerd. Maar het is 't toch niet. Zoo heeft men feitelijk geen Bijbel meer noodig. De gewoonte, door de Vaderen gevolgd, vervangt den Bijbel". Dus dan is 't zuiver Roomsch
En dat in Amsterdam, onder de Confessioneelen, onder de Hervormd-Gereform.-Staatspartij. Zuiver Roomsch ! Wat niemand minder dan ds. Lingbeek zegt.
Het adres voor de klappen-zending zal nu voor de Amsterdammers wel zijn : pastorie Reitsum.
Dat kan een gezellige samenspraak in de Vriendenkring-courant geven !
Dr. Hoedemaker en het Parochiestelsel of de verdeeling van groote-stads-gemeenten.
Ds. Lingbeek, die boven zijn Amsterdamsche vrienden afstraft, zou geen ds. Lingbeek zijn, indien hij Hoedemaker er niet bij haalde.
Wat heeft dr. Hoedemaker dan gezegd betreffende de zaak, waarover de Gezamenlijke Vriendenkringen te Amsterdam zoo'n vernietigend oordeel uitspraken ?
In zijn referaat : „Een modus-Vivendi", in het jaar 1901 te Utrecht gehouden, lezen wij — zoo zegt ds. L. — op bladz. 13 :
„Het is zeer denkbaar, dat een en dezelfde plaatselijke gemeente, in stee van alleen Collegiaal onder eenzelfden Kerkeraad met zoo en zooveel predikanten saam te zijn, uit zich late voortkomen zelfstandige gemeenten, onder een eigen kerkeraad, met eigen huishouding.
Dit is niet een splinternieuw denkbeeld.
Men kan het stelsel in werking zien, sedert de dagen van de Reformatie in Bremen en elders, heden ten dage in Schotland en in Amerika, waar het zeer goed werkt" (onze Redactie cursiveert).
En iets verder : „In dien zin is-de Modus Vivendi wellicht — onder sommige omstandigheden — gewenscht".
Tot zoover dr. Hoedemaker.
Misschien is onder de lezers iemand, die geneigd is dit te beschouwen als een zwakheid van dr. Hoedemaker ; als een terwille van de practijk afwijken van de tot dusver gevolgde lijn, en dus van Gods Woord.
Hij wachte dan nog even ! In zijn werk „De Kerk en het Moderne staatsrecht", blz. 124, schreef Hoedemaker :
„Ofschoon het om allerlei redenen zeer gewenscht moge zijn, dat er eene plaatselijke gemeente is onder éénen kerkeraad, kunnen wij niet inzien, waar om zij niet gesplitst zou zijn in vele gemeenten, die dan uit een ander, nader uiteen te zetten beginsel, classlcaal verbonden behooren te zijn, wanneer de taal hiertoe aanleiding geeft, zooals bij het bestaan van Waalsche of Engelschpresbyteriaansche of Duitsche kerken, de groei der groote steden, met het oog op de practijk of de herderlijke zorg, of deze of gene, het wezen van het geloof niet rakende punten van verschil dat gewenscht maken".
Hoedemaker leert hier dus : als het wezen van het geloof er niet mee gemoeid is, als 't dus niet te doen is om door middel van zulk een splitsing, een deel der groote-stads-gemeente van den band der belijdenis te ontslaan, maar wanneer het geschiedt om redenen van practijk alleen, dan is er niets tegen.
En aardig herinnert hij ons er aan en wijst hij ons er op, dat wij sinds eeuwen in onze groote steden, reeds twee of drie zelfstandige Gereformeerde gemeenten naast elkaar gehad hebben. Want naast de Nederduitsche Hervormde gemeente had men van oude dagen de Waalsche Hervormde gemeente. Elk met haar eigen kerkeraad. Onze Gereformeerde Vaderen hebben dus splitsing der ééne plaatselijke Gereformeerde gemeente, om practische redenen volstrekt niet ongeoorloofd geacht, maar soms gewenscht. En ze zijn er ook zonder schroom toe overgegaan.
Maar nu hooren wij wéér roepen : „het Woord !" en „de belijdenis !"
Uitnemend ! Hoedemaker riep daar niet alleen van, maar kwam er ook mede voor den dag.
Men leze slechts bladz. 123 van het laatst genoemde werk :
„In Jeruzalem moeten er van meet af onderscheidene samenkomsten van geloovigen zijn geweest, evenals er voortijds vele Synagogen waren. Hand. 8:1. Na den Pinksterdag was de schare der geloovigen 5000 mannen sterk. Hand. 1 : 15 ; 2 : 41—47 ; 5 : 12 en 14; 6 : 7 en 21 : 20.
Men brak brood van huis tot huis". Zoo was het ook elders.
Paulus groet de gemeente te Laodicéa, meer in het bijzonder Nymphas en „de gemeente, die in zijn huis is". Col. 4 : 15.
Evenzoo worden Aquila en Priscilla en de gemeente ten hunnent gegroet. Romeinen 16 : 13.
Alle groetenissen in dat hoofdstuk duiden hetzelfde aan. Indien zij allen in ééne gemeente waren geweest, ware het onnoodig ze zoo te groeten.
Schrijvende aan de gemeente te Corinthe zegt de apostel Paulus, „dat de vrouwen in de gemeenten zwijgen", vgl. ook 1 Cor. 14 : 33. Deze gemeenten vormden evenwel tezamen één geheel". Tot dusver Hoedemaker.
Ons dunkt: het bewijs is geleverd.
Als Paulus een brief schrijft aan al de Christenen te Rome, en als hij, in dien brief aan al die Christenen in die ééne stad, apart melding maakte van aparte gemeenten aldaar (zie hoofdst. 16 : 5) dan blijkt daaruit, dat de naam „gemeente" niet maar alleen gegeven werd aan het georganiseerd geheel van al de Christusbelijders in zekere plaats, maar ook werd gegeven aan een onderdeel van hen.
Wat mede blijkt uit de andere aangehaalde plaatsen in de brieven.
Laat ons hier nog bijvoegen, dat dr. Hoedemaker wel een zeer oorspronkelijke geest was, maar in het hierboven aangehaalde in het geheel niet oorspronkelijk.
Hij had deze wijsheid uit veel oudere Gereformeerde kerkrechtelijke werken".
Ons dunkt, dat het duidelijk is dat de voormannen en toonaangevers, de leids-lieden ook bij het beroepingswerk in Amsterdam, nog wel een lesje noodig hebben om te weten te komen : wat Gods Woord zegt en wat gereformeerd is. Wij wenschen hun beterschap toe.
Geestelijke stroomingen (1)
't Was vroeger ook niet één geluid, dat men hoorde. Ook toen waren er allerlei richtingen, verschil-en strijdpunten. Ook toen tal van geschriften, debatten, vonnissen. 't is altijd veel strijd en veel wrijving geweest. Maar het zal niet kunnen worden tegen gesproken, dat onze tijd de kroon spant. Het aantal geestelijke stroomingen is nu schier ontelbaar en men weet waarlijk niet, waar men moet beginnen, hoe men moet voortgaan en straks eindigen.
Hoe talrijk zijn niet de secten ? Zoodat er dan ook een afzonderlijke serie kan gemaakt worden — en is gemaakt — van „Kerk en secte". Men kan dan handelen over Het Irvingianisme of De Apostolische Kerk ; over het Darbisme, De Zevendedags-Baptisten, De Zevendedags-Adventisten, het Sabathisme, het Mormonisme, het Leger des Heils, enz.
Men kan ook in een andere richting beginnen en het oog slaan op het Materialisme, het Evolutionisme, het Pantheïsme, het Spiritisme, het Buddhisme, de Theosophie enz. enz.
Wij willen van deze dingen iets gaan vertellen, om ze voor een goed deel, soms meer, soms minder, te bestrijden-
Of wij dan de Waarheid hebben ? En of dan alle anderen, die anders denken dan wij, ongelijk hebben en dwalen ? Wat zullen wij daarvan zeggen ? Wij hebben Gods Woord. Wij hebben wat in de wet en in de profeten geschreven staat. En dat Woord onzes Gods mag ons zijn een licht op ons pad, een lamp voor onzen voet. En naar dat Woord wenschen wij te spreken, te getuigen, te crltiseeren, te waarschuwen, te veroordeelen — en anderszins te verdedigen en aan te prijzen.
Niet, dat de Bijbel voor ons een Encyclopedie is, een woordenboek of wetboek, dat we maar even hebben op te slaan, om af te lezen wat waarheid is. Want zóó kent en gebruikt een gereformeerde z'n Bijbel niet. 't Is een goudmijn, waarin het edel metaal opgehoopl ligt, wat voor het gebruik moet verwerkt. En dat goud, die oude en nieuwe schatten, willen we zoo goed mogelijk gaan gebruiken ; waarbij wij aan secten en stroomingen en richtingen en partijen, die met ons verschillen, vragen : doe hetzelfde als wij doen ; gebruik Gods Woord, gebruik dat geestelijke zwaard, die lamp, dat licht — dan hebben we een gemeenschappelijken bodem waarop we samen staan kunnen en praten.
Eensdeels zal men zeggen : neen, dien Biibel moeten wij juist niet hebben. Dien Bijbel gebruik ik niet. Ik heb ander en beter materiaal. Wij moeten ons gezond verstand gebruiken en niet een boek; en als ieder z'n gezond verstand gebruikte en naar z'n geweten handelde, dan kwamen we veel verder dan wanneer men altijd met dat oude boek, dat gij Bijbel noemt, kwam aandragen
Zoo lazen we ergens, dat ds. H. G. van Wijngaarden, de voorganger der Vrije Gemeente te Amsterdam, 28 April 1.918 in een toespraak het volgende heeft gezegd : „Vertrouw op uzelf als gij een zuivere mensch zijt, want de zuivere mensch weet wat hij kan. Hij heeft niets te doen dan te luisteren naar zijn hoogere instincten. De neigingen openbaren zich, laat hij ze volgen. De uitspraken des harten komen, laat hij ze gehoorzamen. Als uw hart u dringt te geven, verstik deze stem niet. Als de barmhartigheid u tegenstaat, beoefen haar niet. Gij zijt er nog niet rijp voor.
Hij hoort ook het geweten vermanend spreken ; hij kent de innerlijke zedelijkheid. Hij weet wat hij van zichzelven vragen kan. Dat hij luistere en niet het geluid onderdrukke, want dan vernielt hij de blanke gave van de zelfverwezenlijking. De zuivere mensch hoort zijn natuur spreken en weet wat hij te doen heeft.
Vertrouw echter ook, op uzelven, al zijt gij een onzuivere, onzekere mensch. Deze moet beproeven. Omdat het innerlijk geluid niet meer zuiver klinkt, te zwak of te grof is, moet hij zorgvuldig luisteren. Hij zal te boog grijpen, meer willen doen dan hij kan ; dat hij door de mislukking niet vertwijfele. Of hij zal zijn doel te laag stellen ; ' dat hij dan niet te spoedig tevreden zij. Hij zal in het duister rondtasten. Maar laat hij nooit door zijn mislukkingen het vertrouwen verliezen. Wien dat ontbreekt, lijdt onberekenbare schade. Waarom zal het hem ook ontzinken ? De ziel, die dwaalt, blijft toch de ziel, die zoekt ? De ziel, die zoekt, zal eens vinden.
Vertrouw op uzelf, onvoorwaardelijk".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's