De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

23 minuten leestijd

Geestelijke stroomingen (2)
Dat is dus de leer van „de zuivere mensch" ; met „de zuivere rede" ; met „het zuivere geweten" enz.
En die zuivere mensch moet zich nu met z'n zuivere rede en met z'n zuivere consciëntie maar inspannen, om het goede te doen. Waarbij struikelen en mislukken de oefenschool is om het straks beter te doen. Vertrouw op uzelf, o mensch !
Dan heeft men den Bijbel natuurlijk niet noodig.
Dan is er van wedergeboorte door den Heiligen Geest geen sprake.
Dan is er een gansch ander fundament voor het huis der hope dan God gelegd heeft in Jezus Christus.
Maar wij hebben niet veel hoop op dat gebouw, dat door den zuiveren mensch, met zijn zuivere rede en zijn zuivere consciëntie opgebouwd zal worden.
Daar hebben we al zooveel vreemde dingen van gezien !
Of de mensch dan geen kennis draagt van 't geen goed en van 't geen kwaad is ? van 't geen opbouwt en van 't geen afbreekt ?
Ja — vraag dat maar eens aan den Chinees of aan den Hottentot of aan den Toradja ! Wat vreemde heerschappen zijn dat, met vreemde ideeën !
Neen — zoo zegt men : Gij moet met beschaafde cultuur-menschen aankomen Die weten wel wat goed en wat slecht is, wat opbouwt en wat afbreekt.
O, zoo ! Ja, dat bewijzen Bolsjewisten en Anarchisten, dat bewijzen journalisten en juristen, romanschrijvers en acteurs en actrices ; dat bewijzen de menschen in de beschaafde maatschappij !
Neen, neen, zoo zegt men : bij zoovele slechte menschen en minderwaardige individu's zijn er toch ook zoo 'n massa brave, edele, verstandige menschen, weldoeners der mensohheid, stille, nobele figuren en wereldberoemde mannen en vrouwen.
Zeker — er zijn menschen met edele gaven van hoofd en hart.
Maar — vindt men wat goed en eerlijk en edel is niet op 't mooist in Jezus Christus en wordt het ons juist niet in den Bijbel op 't kostelijkst uiteengezet, wat de mensch heeft te gelooven, te doen, te laten, om tot Gods eer te leven en den naaste tot zegen te zijn ?
En daarom, al het goede wat menschen doen, die van den Bijbel niets moeten hebben, dat hebben ze eigenlijk uit dien Bijbel geleerd.
Daar heeft God voor gezorgd. Dat we hier in Nederland geen koppensnellers zijn en dat we van mijn en dijn weten, en dat we barmhartigheid kennen, en gevoel hebben voor 't geen eerlijk is en welluidt — wel, dat heeft de mensch aan den Bijbel, aan de wet en aan de profeten te danken.
Dat wil men natuurlijk niet erkennen, maar dat is ons in den loop der tijden, in opvolgende geslachten hier meegedeeld. En zóó wandelt de mensch, die van den Bijbel niets hebben moet, zonder dat hij het weet, in de dmgen, die de Bijbel ons leert!
Dat wij van God geen voorstelling hebben zooals de heiden, die een boom of een steen voor een god aanziet, dat hebben wij aan den Bijbel te danken. Dat wij geen onzedelijken plechtigheden en feesten godsdienstige waarde toeschrijven, wat de heidenen wel doen, dat hebben we aan den Bijbel te danken. Het goede van onze burgerlijke maatschappij hebben we aan den Bijbel te danken, enz.
En zoo heeft de mensch meer verplichtingen aan den Bijbel, dan hij dikwijls weet en erkennen wil !
Die zuivere mensch, met die zuivere rede en met die zuivere consciëntie, die onvoorwaardelijk op zichzelf moet vertrouwen, deed dan ook beter om meer eerbied voor den Bijbel te hebben en het te erkennen, dat daar de zuivere waarheid in wet en profeten ons gegeven is, waarbij de niet-christelijke volkeren gebracht moeten worden, opdat ze er óok kennis aan krijgen ; terwijl de christennatiën er meer eerbied voor moesten betoonen.
Trek eens met een potlood een lijn om dat gedeelte der aarde, waar de Bijbel het langst en het meest is verspreid en gelezen — zooals Engeland, Schotland, Nederland, Duitschland, Amerika — daar weet men het best, dat men niet voor een boom of voor een steen moet knielen ; daar weet men 't best wat de ware religie, de ware zedelijkheid is, wat liefde, barmhartigheid is ; waarin voor den mensch het hoogste geluk bestaat ; wat waarheid is.
Vergelijk daarmede de landen en de streken waar de Bijbel wel is, maar weinig of nooit gelezen wordt, en het zal wel opvallen, dat de kennis der waarheid gebrekkiger is, dat bijgeloof binnensluipt, dat allerlei dwaze ceremoniën intocht doen; dat het leven verruwt, dat vloeken en spelen alom wordt aangetroffen, drinken en vechten heel gewoon is.
En denk dan in de derde plaats eens aan de heidenlanden in donker Afrika, in Indië, in Australië, valt het dan niet op, dat de Bijbel licht en waarheid brengt en dat het nog zoo kwaad niet is, om dien Bijbel te prijzen als een heerlijk Boek, met heerlijke gaven, heerlijke schatten, heerlijke zegeningen. Waarbij het niet anders kan of het zal tot kostelijk voordeel zijn, indien men met geestelijke banden aan dat Boek gebonden, z'n weg wèl aanstelt.
Maar vele menschen in ons christenland zijn te trotsch en zijn te eigenwijs om de hooge waarde van den Bijbel te erkennen.
Ze leven bij gestolen goed — en ze willen niet erkennen dat het hun juist door dien Bijbel geworden is.
Ze doen als die man, die een hekel aan de zon had en nooit naar de zon wou omzien en zei, met z'n rug naar de zon staande : ik zal m'n weg zélf wel vinden !
Ja — zelf vinden.
Bij het licht van de zon, welke hij haatte !
Daarom willen wij eere geven wien eere toekomt ; en wij zeggen : wij willen wandelen bij 't licht van den Bijbel.
En als we dat nu eens samen konden doen, dan zouden de menschen van de secten en van de onderscheidene geestelijke stroomingen veel verder komen, wat de waarheid betreft.
Men zal het in ons moeten dragen, dat wij den Bijbel beschouwen als een lichtend licht en dat wij bij onze bespreking van verschillende secten en geestelijke stroomingen den Bijbel als een lamp opheffen, om alles bij dat licht nader te bezien.
Want laten we het maar zeggen, wij hebben met Paulus lust om „den God der vaderen te dienen in den weg, dien Hij zelf ons heeft geopenbaard, geloovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven staat". (Hand. 24:14).
Daarom is het ook niets nieuws wat wij weten en gelooven en gaan vertellen, 't Is ond, héél oud en in den loop der tijden als door vuur beproefd en zuiver bevonden als 't kostelijkste goud !
Wij staan dus met beide voeten op den bodem van Gods Woord en wij zien in de secten en in de geestelijke stroomingen, dat men van dien heiligen bodem, de sterkte des levens, leelijk is afgegleden ; hier meer en daar minder ; soms geheel en al, om over te stappen op oud-heidenschen grond, levende bij oud-heidensche dwalingen en leugens, door den Bijbel en ons christelijk geloof allang gecontroleerd en gekeurd en veroordeeld, hoewel men blijkbaar opnieuw er maar weer eens mee wil beginnen !
Wij hebben dus een rechterstoel, waar voor wij liefst telkens geoordeeld worden, om met anderen daar terecht te staan.
En die rechterstoel is : Daar staat geschreven !
Laat dat tusschen ons beslissen ! Dan hebben we ten minste een rechter ; en wel een wereldrechter, een rechter die van de oudste tijden af bestaat, waarbij de ervaring is, dat het voor gansch de breedte van het leven van alle volkeren nog zoo kwaad niet is, als men naar de stem van dat Woord des Heeren luisteren wil.
Jammer dat men weigert om het oor te luisteren te leggen aan dat Woord des Heeren. En wat de religie en wat de moraal betreft, wil men het zonder Gods Woord doen.
Men moest minder dom, minder eigenwijs, minder haatdragend zijn ; en liever het licht gaan zoeken, dat van die Goddelijke lamp afstraalt. Want dat men het niet doet, dat is juist de oorzaak dat men gaat dwalen en mistasten ; zóó komen allerlei leugens en dwaasheden in de wereld, met meer of minder waarheid gemengd, .die de menschen, van God vervreemd, gretig slikken en ijverig propageeren. In de duisternis wandelend, gaat men door de duisternis, naar de duisternis.
En zoo komt men nooit tot Jezus Christus, die des Heeren tempel heeft gebouwd (Zaoh. 6:13); in welken tempel wij allen verzadiging vinden voor leven en sterven. Daartoe is Christus verhoogd, om niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende, de hoogste en heerlijkste heilsgoederen te bereiden een iegelijk die in Hem gelooft (Ef. 1 : 20—22). En dien Heiland begeert men niet. Dwaas die men is, om dat Woord, om dien Christus te verwerpen ! Terwijl men toch wéét en erkent, dat het altijd en overal om dezelfde dingen gaat waarvan het Woord gewaagt en Jezus leert. We zijn dan ook ten slotte allen van één geslacht, we hebben één begin, één geschiedenis, één toekomst, hoe onderscheiden onze gang door 't leven en ons verblijf op aarde ook is. In al de religies, bij al de geestelijke stroomingen, bij al de secten gaat het ten slotte om dezelfde hoofdzaken als : schepping, zonde, verlossing leven, dood, tijd, eeuwigheid, enz.
Maar in plaats dat men nu luisteren wil naar Gods Woord en gaan wil tot Jezus; fantaseert men liever zelf en overal heil zoekend, weet de een dit te vertellen en de ander dat, terwijl Christus met uitgebreide armen tot de einden der aarde zegt : ., Ik ben het licht der wereld, die tot Mij komt, zal in de duisternis niet wandelen". Zijn Geest alleen leidt in alle waarheid.
't Zal dus bij ons gaan om Gods Woord, om den Christus der Schriften. En we zullen zien hoe vele secten en geestelijke stroomingen anders, geheel anders willen ; maar daardoor ook in de duisternis en niet in het liclit wandelen. Terwijl wij, door Gods genade, iets beters hebben leeren kennen, om er ook van te getuigen.

Antipapisme en nog wat.
Vele menschen zijn 't eens met den wjzen Koning, die gezegd heeft, dat er ook een tijd is van afbreken en een tijd om het gezaaide uit te rukken. En ze zetten zich aan 't werk met alle macht om hetgeen gebouwd is te vernielen.
Nu was Salomo een wijs koning. Maar als we soms deze en gene aan 't werk zien, om met alle macht af te breken en te verstoren 't geen door anderen is gesticht en gebouwd, dan twijfelen wij er wel eens aan, of zij de wijsheid van Salomo hebben.
Afbreken is op zichzelf genomen, zoo gemakkelijk, al kost hét soms inspanning van alle krachten en al moet er een zweetdroppel bij vallen. Toch is het gemakkelijk, daar men maar voor den voet weg den hamer laat beuken en het breekijzer er tusschen wringt. En dan valt het wel; in stukken en brokken gaat 't naar beneden.
Opbouwen is heel wat moeilijker ; staat ook heel wat hooger. En de menschheid heeft wel hulde gebracht aan de bouwers, maar voor de afbrekers hebben ze verder geen aandacht noch lof.
Sinds we begiftigd zijn met het algemeen kiesrecht en de volksvertegenwoordigers gekozen worden op grond van evenredige vertegenwoordiging, zijn wij heel wat politieke partijen en partijtjes rijker geworden.
Inplaats van volksvertegenwoordiging hebben we zoo langzamerhand partij of groepsvertegenwoordiging gekregen en de een zit voor dit belang en de ander voor dat belang in de Kamer. De evenredige vertegenwoordiging maakt het mogelijk, dat ieder, die een persoonlijk-of groepsbelang voorstaat, in de gelegenheid is, indien een zeker aantal personen zich met hem vereenigt, een lijst in te dienen, waarop namen voorkomen die men wenscht, dat in de Tweede Kamer hunne belangen zullen bepleiten.
Zoo krijgt men leden in de Kamer, die voor vrouwenbelangen, die voor arbeidersbelangen, voor plattelanders, voor theater-houders, voor dit en voor dat opkomen, en alzoo vertegenwoordigen een groep van menschen, waarmee zij op 't nauwst verwant zijn.
Onder de vele partijen, die in de laatste jaren verrezen zijn, behoort ook de Herv. (Geref.) Staatspartij ; die zichzelf ook wel noemt Hoort Gods Stem (H.G.S.).
Het adres van die partij is in hoofdzaak te Amsterdam, bij ds. Gravemeijer, vroeger te Steenwijk en daarvoor te Schipluiden predikant bij de Ned. Herv. Gemeente. Als compagnon dient zijn broer te 's Gravenhage en verder z'n zwager ds. Roscam Abbing te Arnhem en diens zwager ds. Van Leeuwen te Arnhem. Ook mag hier wel genoemd worden ds. Den Hertog te Rotterdam. Toen 't, jaren geleden, op politiek terrein in bangen strijd om de allergewichtigste en allergrootste beginselen ging, zoowel wat het maatschappelijk leven aangaat als wat de School betreft — hoorde men van deze menschen niet. Ze deden niet aan politiek. Dat lieten ze aan anderen over. Maar nu op 't breede veld van het politieke leven groote slagen geleverd zijn, waarbij 'het in hoofdzaak ging om de christelijke beginselen voor elk terrein des levens, en nu het evenredig kiesrecht is gekomen, waardoor elk partijtje wel een of twee mannetjes in de Kamer kan krijgen, nu zijn die dominé's aan politiek gaan doen, hebben een eigen partij opgericht, met een eigen orgaan, en het is de toeleg om nu een of meer van hun vertegenwoordigers in de Kamer te krijgen.
Ze loeren daarbij op Hervormd-Gereformeerde menschen ; waarbij ze nog al opvallend knipoogjes geven aan Hervormd-Gereformeerde menschen die tot onzen Gereformeerden Bond behooren.
Neen - de gebroeders Gravemeijer zijn niet Hervormd - Gereformeerd in den zin zooals wij dat in het midden van onzen Gereformeerden Bond gewoon zijn.. Ze zijn vurige voorstanders van de Gezangen, ze werken in Amsterdam en in den Haag de Hervormd-Gereformeerden zoo hard mogelijk tegen ; gunnen ons geen enkelen predikant; lasteren en liegen ten opzichte van den Gereformeerden Bond zonder weerga ; en toen in Schipluiden in den kerkeraad het voorstel werd gedaan, om een deel van de Pinkster-zendingscollecte te bestemmen voor den Gereformeerden Zendingsbond, sloeg ds. Gravemeijer met de vuist op tafel en zei : dat nooit!
Zulke vrienden zijn het, van ons Geref'ormeerde volk, dat in de Hervormde Kerk leeft. En die Gereformeerden, die buiten onze Hervormde Kerk wonen, in de Gereformeerde Kerken, enz., haten ze met grooter haat nog. Voor deze scheurmakers zijn geen scheldwoorden genoeg te vinden.
Intusschen hebben ze een eigen partij en een eigen orgaan en straks een eigen candidatenlijst voor de Tweede Kamer, gelijk ze reeds zelfs voor den Gemeenteraad hun lijsten indienden en hun vertegenwoordigers hier en daar zagen gekozen.
Practisch eigen-werk hebben ze niet. Ze zijn niet voor het bijzonder christelijk onderwijs en stichten geen scholen met den Bijbel ; zenden er ook bij voorkeur hun kinderen niet heen. De Openbare, de Staats-scbool is hun school ; die moet van Staatswege christelijk gemaakt worden ; gelijk de Staat er ook voor zorgen moet, dat alles in handen komt van de Hervormden. De Koningin moet Hervormd zijn, de ministers, de leden van Eerste en Tweede Kamer, de burgemeesters, wethouders, leden van Gemeenteraden, onderwijzers, dominé's — alles moet christelijk en alles moet Hervormd zijn. De Universiteiten Hervormd, de Gymnasia en Hoogere Burgerscholen christelijk en Hervormd ; en dan niet het vrijen bijzondere onderwijs, waarbij de ouders een eerste plaats innemen, neen, de Staat, de Overheid moet het alles doen, die dan ook zelve als Lands-of Stadsoverheid christelijk, Hervormd moet wezen.
Zoolang dat nog niet het geval is, steken ze geen hand uit, om in een bijzonderen weg van eigen initiatief en samenwerking tusschen gelijkgezinden iets tot stand te brengen. Ze blijven bij de openbare school; bij de openbare, rijksinstellingen. Zoo staat hier en daar een Hervormd Gereformeerd Openbaar onderwijzer, om in de openbare school, zonder bidden of danken, zonder uitgesproken belijdenis, te arbeiden aan de opvoeding en ter onderwijzing van de kinderen. Toen onze christelijke onderwijzers schade en schande moesten lijden voor hun keuze om niet te zwijgen en in alle onderwijs Gods waarheid te leggen, met bidden en danken en zingen en lezen van de H. Schrift, stonden die z.g.n. Hervormde Gereformeerde menschen in de openbare school met een goed tractement te zwijgen ; stille getuigen zijnde in een wereld, waar ieder en alles sprak, behalve zij. En nu de schoolstrijd in zooverre gewonnen is, dat het christelijk onderwijs gelijk berecht is met het openbare, neutrale onderwijs en ook de tractementen vrijwel 't zelfde, nu blijven ze, hier en daar, rustig in de openbare school werken, met niet al te groote klassen en als een vrij man in een vrij land — maar zwijgend, waar spreken gebiedende eisch is ; smakeloos onderwijs gevend, waar het zout onzer belijdenis door alle onderwijs heen moet worden gemengd.
Wel richten ze hier en daar Geuzenclubjes op om met zakdoekjes te zwaaien en een geuzenlied te zingen als de Koningin komt. Maar van een Calvinistische levens-en wereldbeschouwing en aanpakken zooals een christen betaamt, weten ze niet.
Men moet het ons niet al te zeer kwalijk nemen, dat wij voor die Herv. Geref. Staatspartij nu niet zoo bijster veel respect hebben. Omdat zij Het Groote Spook, dat Rome heet, exploiteeren en Heel Graag Schelden op anderen, ook op mannen, die de hitte van den dag en de koude van den nacht hebben verdragen jaren en jaren achtereen in den grooten strijd om de allerheiligste beginselen, terwijl zij, die nu schelden, toen geen vinger hebben uitgestoken noch ooit iets hebben gedaan ten goede.
Zij hebben Geen Staatkundig plan. Alleen een Heel Groot Spook. Met Hun Gruwzaam Schelden. Terwijl Hun Grootste Stuurlui aan wal staan, die Hun Grootste Slag tot nog toe geslagen hebben met zakdoekjes zwaaien, maar overigens bewijzen dat zij heusch Geen Staatspartij zijn, waarbij de problemen groot worden gezien.
't Is heusch Geen Schande dat mannen als de gebroeders Gravemeijer heusch Geen Staatkundigen zijn ; dat komt iemand ook zóó maar niet aanwaaien. Maar dan moest men zich ook niet opwerpen als zoodanig. Want dat moet ten slotte verkeerd uitpakken.
Of wij dan niet gelooven, dat de Hervormd Gereformeerde Staatpartij van Hollandsch Gereformeerde Schare niet heel wat stemmetjes zal krijgen ?
Ja, zeker ! gelooven wij dat.
Want onze Hervormd-Gereformeerde menschen laten zich in deze blijkbaar gaarne bij den neus nemen.
Men schijnt het niet te voelen als men getrapt en gescholden wordt door diezelfde menschen die een oogenblik daar na heel lief om een stemmetje op den politieken candidaat komen bedelen.
En daarbij komt men dan met Het Groote Spook dat Rome heet. Wat door velen, die argeloos eenvoudig zijn en niet verder zien dan hun neus lang is, gewillig wordt geslikt, met gevolg, dat zij niet weten waar zij vóór zijn, niet weten welk staatkundig plan zij hebben — alleen zijn ze tegen Rome en dat is genoeg blijkbaar.
In dat anti zijn ze sterk ; anti-papisme is hun kracht. En daarom noemen wij de Hervormd Gereformeerde Staats partij ook gerust de partij van Het Groote Spook, dat Rome is.
Want deze partij meent het Vaderland het best te dienen met op alle manier tegen Rome zich te stellen ; het anti-papisme te bevorderen en zoo burgers van één land tegen elkaar in 't harnas te jagen. Waarbij men van een gefingeerde en foutieve en fatale gedachte uitgaat, n.l. dat Nederland een land is, dat door geloovige Protestanten bewoond wordt, die dan ook maar alléén rechten hebben in dit land.
Natuurlijk zou ieder van ons graag willen, dat dit in werkelijkheid zoo was. Geen Roomschen, geen Socialisten, geen Communisten en Anarchisten, geen ongeloovigen, geen Remonstranten, geen Lutherschen — enkel en alleen Protestanten, geloovige Protestanten, Gereformeerden en dan Hervormd - Gereformeerden !
Om te watertanden. Maar — de werkelijkheid ?
En moeten we hier nu krijgen een Roomschen-hetze, zooals we in andere landen een Joden-hetze hebben ? Moeten wij krijgen anti-papisme, zooals in Rusland het anti-semitisme ?
Natuurlijk, dat wij tegen de verkeerdheden van het militairisme zijn ; maar wij achten het een ramp, dat men de menschen anti-militairist wil maken. Natuurlijk dat wij de Joden-streken haten ; maar anti-semieten zijn gevaarlijke leids lieden. En zoo hebben we ook open oog voor de gevaren van Rome, maar wee ! de hervormd Geref. Staatspartij, die als de partij van Het Groote Spook optreedt.
Wij leven hier in een land van godsdienstvrijheid, waarbij alle belijders van den godsdienst gelijke rechten hebben en om oorzake van hun godsdienstigt: overtuiging in geen enkel opzicht schade mogen lijden. Iemand van de Hervormde Kerk of van de Geref. Kerk heeft gelijke rechten. Ook de Roomsche. En zoolang de godsdienstvrijheid niet misbruikt wordt tot misdadige, voor het land gevaarlijke doeleinden, moet de vrijheid van godsdienst door allen hóóg gehouden worden, in dit land, waarvan de bodem gedrenkt is met bloed, dat gevloeid is in den strijd om godsdienstvrijheid.
Het ooren en neus afsnijden van de Geuzen begeeren we niet terug, evenmin als het plunderen en rooven en moorden van de Turken, evenmin als de vervolgingen van Rome.
Wij, Calvinisten, zijn voor de vrijheid van Godsdienst, waarvoor Prins Willem, de Vader des Vaderlands, gestreden heeft en zijn leven gegeven heeft.
Daarom vinden wij het ook dwaasheid om zich op politiek gebied in den politieken strijd Hervormd te noemen en een partij te stichten uitsluitend voor de Hervormde Kerk.
Wij zijn niet bang om ons Hervormd te noemen en ook als Hervormden uit te komen, daar, waar het pas geeft en het onze Hervormde Kerk als Gereformeerde Kerk, tot voordeel kan strekken. Wij hebben onzen Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in het midden van de Herv. (Geref.) Kerk. Dan gaat het om herstel en oprichting van die Hervormde Kerk, waarin wij zien en blijven zien een plantinge Gods. Wij hebben onzen Bond van Hervormde Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag, om onze Hervormde jongens — en meisjes — zooveel mogelijk te vormen voor elk terrein des levens ; allereerst om straks, goed toegerust, in het midden van de Hervormde Kerk als mondige leden te kunnen optreden. Wij hebben onzen Hervormden Zendingsbond, om, in het midden van de Hervormde Kerk, alle Gereformeerde kerkeraden en gemeenten saam te brengen bij het werk der Zending onder de heidenen, allereerst in onze Indien.
Neen, wij zijn niet bang om als Hervormden op te treden daar waar 't pas geeft (waar zitten dan de leidslieden van de z.g.n. Hervormd Gereformeerde Staatspartij ? Onderzoek dat eens en zeg het ons eens), maar om een staatkunidige partij te formeeren als een specifiek Hervormde partij en dan als een anti-papistische partij, dat lijkt ons niet toelaatbaar ; ja, dat lijkt ons dwaas en allergevaarlijkst; waarvan positieve vrucht niet komen kan en negatieve gevolgen ten kwade niet kunnen en niet zullen uitblijven.
Al scheldend en afbrekend zal men groote schade berokkenen aan de goede zaak, maar iets ten goede opbouwen is alzoo onmogelijk.
Dat wij op godsdienstig terrein met Rome niet meegaan, is bekend.
Wie hebben dat méér en duidelijker uitgesproken en klaarder bewezen dan de Gereformeerden ! Wij gevoelen ons zonen der Hervorming, die vierkant tegenover Rome's dwaalgevoelens staan. Die ook het oog niet willen sluiten voor het gevaar, dat van de zijde van Rome's Kerk dreigt. Wij willen en zullen doen wat mogelijk is om de grenzen helder en eerlijk af te bakenen op den Vaderlandschen bodem. Maar in het felle anti papisme van de Herv. Geref. Staatspartij zien wij geen heil, wèl gevaar. Heeft November 1918 ons pas nog niet geleerd, dat er zoo groot gevaar voot Koningin en Vaderland dreigt van de zijde van het ongeloof, van Socialisme en Anarchisme ? En als we dan als geloovige Protestanten en als geloovige Roomschen eens zóó tegenover elkaar gestaan hadden, dat vijandschap ons als Nederlanders scheidde, waren dan de gevolgen niet rampzalig geweest voor héél het land en héél het volk ?
Laat ons dan als Hervormden optreden als Hervormden, daar waar het pas geeft. Maar laat ons overigens, op politiek gebied saam als geloovige Protestanten, van Hervormde Kerk, Gereform. Kerk, Chr. Gereform. Kerk enz., schouder aan schouder gevonden worden, om ook den Roomschen de vrijheid te geven die hun toekomt, met verdediging van land en volk tegenover den gemeenschappelijken vijand ; en laat ons niet meedoen met hen die met speciale Hervormde belangen willen naar voren komen waar het geen pas geeft en met anti-papisme onrust en onvrede willen stoken, tot schade voor het volksleven en het volksbestaan.
Leerzaam is wat mannen als Calvijn en Groen van Prinsterer in deze ons hebben voorgehouden. Die hebben ook, zij 't weer heel anders, met deze zelfde dingen geworsteld. En wat was hun advies ten slotte ? Geen anti-papisme en geen heerschende Kerk. Geen haat stoken tegen Rome en geen vereeniging van Kerk en Staat. Uit de worstelingen der ziele is dat naar boven gekomen. Gelijk b.v. Groen van Prinsterer in zijn Nederlandsche Gedachten (2 Oct. 1869) schrijft: „Langen tijd heb ik vastgehouden aan de mogelijkheid dat, althans aan de belijdenis van den levenden God, in Nederland eenige voorrang zou worden verleend. Sedert 1862 niet meer. Bij mijn terugkeer in de Tweede Kamer liet ik den godsdienstloozen Staat aanvaard. Den godsdienstloozen, zeg ik, niet den anti-christelijken Staat. Den onzijdigen Staat, die alle Kerken gelijkelijk beschermt. Niet een Staat, die zelf heerscbende ongeloofskerk wordt".
Dat zijn woorden, voor velen zwaar om te verstaan.
't Is ook het resultaat van een lange, bange, diepgaande en hooggaande worsteling der ziel van den grooten Christen-staatsman. Maar daarom des te meer een woord, een beginsel, een program, dat in eere dient gehouden te worden door ons allen.
Wij willen geen anti-christelijken Staat; geen ongeloofsregeering.
Wij willen geen Staat, die optreedt als heerschende ongeloofskerk.
Maar wij kunnen en mogen ook geen Staat eischen, die aan een bepaalde geloofsbelijdenis voorrechten schenkt boven een andere belijdenis, noch eene die een bepaalde Kerk tot Staatskerk en Staats-troetelkind maakt.
In dat opzicht moet er in Nederland vrijheid van godsdienst zijn, met gelijke rechten voor de Kerken en voor de leden dier Kerken.
In den strijd tegen dien anti-christelijken Staat, die zelf als heerscbende cngeloofskerk zou optreden — zie naar Rusland en denk aan Duitschland en Frankrijk ! — moeten allen die voor godsdienstvrijheid voelen saam gevonden worden. Waarbij wij dan als Hervormden, daar waar het noodig, nuttig en mogelijk is, als Hervormden hebben op te treden en te werken het werk dat er te werken valt.
Laat ons dan nu ook, staande op den bodem der werkelijkheid, gelijk Groen van Prinsterer deed, allen oproepen tot eensgezindheid in den strijd tegen on- en bijgeloof, waarbij de geruchten van revolutie ons van all kanten toekomen. Gun dan geen plaats aan hen, die in onze Hervormde Kerk aan onze Hervormd-Gereform. geen plaats gunnen, als die zelfde lieden in de politiek poeslief tot ons komen om ons met lokvogels als „anti-Rome" en „de Vaderlandsche Kerk" te verleiden om ons bij hen te voegen. Want het is een onwaardige, nuttelooze poging om op politiek terrein invloed te krijgen, waarbij zij gescholden worden die de hitte van den strijd hebben verduurd en daadwerkelijk voor land en volk, voor Kerk, school en maatschappij het goede hebben gezocht.
De Hervormd Gereformeerde Staatspartij, als de partij van Het Groote Spook, is heusch Geen Staatspartij, waarbij wij ons te voegen hebben.
Laten de leidslieden van die partij liever eerst wat meer en beter Gereformeerd-Hervormd worden op kerkelijk terrein ,en daar Gereformeerd-Hervormd werk verrichten, wat vrij wat beter is dan weer een groeps-belangenpartij in elkaar te timmeren, waarbij verdeeling van stemmen en schade voor onze groote, heerlijke christelijke actie op elk gebied de noodzakelijke' gevolgen moeten zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's