Uit het kerkelijk leven.
Geestelijke stroomingen (3)
Waar zullen we nu beginnen met onze besprekingen ?
Het is een opvallend iets, dat naast veel ongeloof en naast stofvergoding of materialisme, er 'n zeker dwepen komt met verschillende oude, Oostersche godsdiensten en eerediensten, die door hun halfduistere geheimzinnigheden een zekere bekoring hebben gekregen voor de kinderen van ons geslacht. Spiritisme, theosophie, boeddhisme, wie boort er niet van tegenwoordig, waar onze tijd zoo verzot is op allerlei occulte of geheime dingen. Een buddhabeeldje, met een wierookwalm en geheimzinnige sjaals — men vindt het zóó verrukkelijk, dat de winkels er rekening mee houden ! 't Is ook te midden van alle pessimistische beschouwingen en droeve levenservaringen zoo „zalig" om iets anders te hebben, dan het Christendom, dat een „ruw barbarendom" geworden is, zooals immers ds. Louis Bahler, Hervormd predikant, indertijd schreef.
Laat ons iets van het Boeddhisme, zij 't in vogelvlucht, vertellen.
We moeten zeshonderd jaar vóór de geboorte van Christus terug. En gaan in den geest naar Voor-Indië, waar te midden van een weelderige natuur een volk woont, dat verweekt van krachten, vol droomerijen en fantasieën leefde. Men leefde bij hooge bergen en snelstroomende rivieren, tusschen kleur en pracht, en de droomer-fantast — die óók van Gods geslacht is en óók van huis uit met de ware Godiskennis is begiftigd, maar God niet in erkentenis houdend vér, vér van Hem is afgedwaald — begint te peinzen over schijn en wezen, over stof en geest, over tijdelijke en vergankelijke dingen. Er werd toen een geslacht van monniken, van pelgrims, van heiligen gekweekt, dat met verachting neerzag op het leven en alles deed om aan het leven te sterven en zoo over te gaan in een zalig, ijdel, grenzenloos, niet-zijn, het Nirwana ; de Boeddhistische hemel.
Nu hebben wij dus dat woord „Boeddhistisch" al gebruikt vóór we over Boeddha gesproken hebben ; en dat is natuurlijik in den grond der zaak niet juist. We hadden eerst moeten zeggen, dat die droomerige-fantastische Voor-Indiërs tot hun wereld-en levensbeschouwing gebracht zijn door Boeddha. Maar Boeddha is toch in die omgeving en in die sfeer geboren en heeft toen de dingen, die men onbewust wist, in een soort leerstelsel duidelijk gemaakt en al zoo een eigenlijke Boeddhistische wereld-en levensbeschouwing gemaakt en geformuleerd.
Boeddha sloot aan bij de levenssfeer van de bevolking, waaronder hij geboren is en geleefd heeft; en is hun profeet geworden, al ging het met horten en stooten, ook niet zonder vijandschap en tegenstand.
Omstreeks 560 vóór Chr. — toen in Israël de profeten en de ceremoniën den komenden Heiland ten voeten uit geteekend en afgeschaduwd hadden en over het probleem van het lijden, over de vragen van tijd en eeuwigheid, van zonde en verlossing zooveel reeds was geschreven, gezongen, in religie en cultus was uitgeleefd — werd in Voor-Indië een kind geboren, een zoontje van een aanzienlijken Koning, waarvan geschiedenis en legende heel wat vertellen ; de later beroemd geworden Boeddha.
Dat is de man, die geleerd heeft wat men zocht : verlost te worden van het leven, dat lijden is; en uit het leven over te gaan in het ijle, onbestemde Nirwana. Een evenknie van Christus ; neen, veel meer dan Christus. De voorganger van Christus, van wien Christus — in de jaren die vallen tusschen z'n 12de levensjaar en het 30ste — alles geleerd heeft bij zijn verblijf in Egypte en Indië !
Om een en ander te weten te komen moeten we gebruik maken van „de heilige boeken" der Boeddhisten. Doch met die boeken moeten we wat voorzichtig zijn. Niet alleen omdat droomers, fantasten, pessimisten en scepticisten de stof geleverd hebben ; maar waar Boeddha zelf geen geschriften heeft nagelaten, is het klaarlijk bewezen, dat de legende veelal de plaats van de historie heeft ingenomen en waar niet weinig geleverd is voor die geschriften, die onderling in de verschillende landen nog al wat verschillen, in den tijd na Christus' geboorte, is het wel raadzaam niet alles zoo maar voetstoots aan te nemen als waarheid, daar de verdichting geen klein bestanddeel van dat alles vormt!
Boeddha, wat geen eigen naam is, maar een titel, later door hem verkregen toen hij algemeen door zijn volgelingen „Boeddha" dat is : de Verlichte genoemd werd — stamde af uit het geslacht der Sakya's. Zijn vader Suddbodana, was een klein Indisch vorst, wiens rijkje lag ten zuiden van de uitloopers van den Himalaya, in het tegenwoordige Nepal. Van Kapilavasta, de hoofdstad des rijks, zijn een veertig jaar geleden de ruïnen ontdekt.
Toen de ure van Maya, de moeder van Boeddha, naderde, ging zij, der oude gewoonte getrouw, naar haar ouderlijik huis in de meer noordelijke bergstreken op reis, Om daar de geboorte van haar kind af te wachten (denk aan de reis van Maria naar haar voorvaderlijke stad Bethlehem). Onderweg echter verraste haar bare ure en bracht ze een zoon ter wereld, wiens leven haar dood was : acht dagen later stierf Maya. Op de plaats waar het kind geboren was, het Lumbini-bosch, liet later, in + 250 voor Christus, Koning Asoka, de Constantijn van het Boeddhisme, een gedenkzuil oprichten die in December 1896 is weergevonden.
Het kind ontving den naam van Siddhartha en werd door een zuster zijner moeder verpleegd en opgevoed.
Er zijn wetenschappelijke menschen. die gezegd hebben, dat heel de geschiedenis van Jezus en de verhalen van de Evangelisten nabootsing is van Boeddha's geboortegeschiedenis en leven. Zoo heeft 'n zekere Notowitsch in 1894 een roman geschreven : „La vie inconnue de Jesus Christ" (handelend over het onbekende deel van Jezus' leven) waarin hij mededeelde, dat Jezus in Indië was geweest en daar zijne wijsheid had opgedaan. De bekende Max Muller heeft hem echter als een wetenschappelijk falsaris op de kaak gesteld.. Ook andere geleerden als Eitel en Jacolliot hebben gezegd, dat Jezus in Egypte en in Indië z'n eigenlijke opvoeding heeft genoten en een leerling van Boeddha is geweest; maar al de genoemde heeren konden geen enkel bewijs aanvoeren, dat wetenschappelijke waarde heeft. Zoo is 't ook, met 't geen Rudolf Seydel, hoogleeraar in de filosofie te Leipzig, heeft beweerd, dat de evangelieschrijvers een bron moeten gehad hebben, dat een Boeddhistisch-evangelie kan worden genoemd, waaruit zij veel hebben geput voor hun geschriften ; een stelling, die hier te lande verdedigd is door dr. G. A. van den Bergh van Eysinga, die in zijn : „Indische invloeden op de oude christelijke verhalen" (Leiden, 1901) tot de slotsom kwam : „hoogst waarschijnlijk heeft Indische overlevering haar invloed doen gelden op de oude Christelijke Evangeleebeschrijving".
Men heeft parallellen meenen te vinden in de geboortegeschiedenis van Jezus en de legende van de geboorte van Boeddha ; wat de wondere verschijning van een witten olifant betreft vóór de geboorte van Boeddha aan zijn moeder en de overschaduwing des Heiligen Geestes van de maagd Maria ; wat de verschijning van geesten betreft na de geboorte van Boeddha en de zang der engelen in Efratha's velden. Ook wordt een parallel getrokken tusschen de geschiedenis van Simeon in den tempel en het bezoek van een wijze, Asita genaamd, aan den jonggeboren Boeddha ; als een flamingo zich verheffend was de wijze Asita door de lucht gevlogen naar de residentie, om daar het kind te bezoeken en als hij 't op z'n knie genomen had zag hij 32 kenteekenen van een groot man in het kind en weende, wijl het hem niet meer vergund was het optreden van dezen grooten profeet te aanschouwen ; zijn stem verheffend sprak hij toen : „Deze zal eenmaal de Boeddha, de verlosser der wereld worden. Hij zal zonder twijfel uitgaan uit deze woning om heremiet te worden". Weder met tooverkracht gaande door de lucht, verdween Asita.
Hoe opgesmukt en legendarisch is dit verhaal en hoe eenvoudig en heerlijk staat daartegenover de geschiedenis van Simeon. Er is tusschen beide verhalen bijna geen ander punt van overeenkomst, dan dat beiden, Asita en Simeon, hunne blijdschap uitspreken over de geboorte van een kind, doch de inkleeding van het verhaal, zoowel als de inhoud en de strekking, is een geheel verschillende. Terecht zegt dan ook wijlen prof. Baljon (Theol. Studiën und Kritiken 1906. Ie Heft, seite 67) dat het boos opzet is, als men de geschiedenis van Simeon uit die van Asita gaat verklaren ; dat het een enghartig stand punt verraadt en dat men: niet gewoon is om een dergelijke geschiedenis-behandeling wetenschappelijk te noemen. En prof. Obbink zegt in zijn: „Godsdienstwetenschap" blz. 44 : „Historisch verband tusschen Christendom en Boeddhisme is tot heden toe niet aangewezen" ; 't geen hij zegt, na litteratuur over dit onderwerp genoemd te hebben.
Wij zeggen deze dingen, omdat zelfs op onze Jongelingsvereenigingen „de Vragenbus" over dit onderwerp toelichting vraagt, een bewijs dat men ook onzen jongens wil wijs maken dat Boeddha de eerste en de grootste en de oorspronkelijke wereldprofeet en wereldverlosser is en dat Jezus en de Heilige Schrift achteraan komen en eigenlijk van Boeddha hebben gestolen.
En de geboortegeschiedenis, èn de geschiedenis van Simeon ; ook van den 12-jarigen Jezus in den tempel, van den doop in den Jordaan, van de verzoeking in de woestijn, van de roeping der discipelen, van '`de Samaritaansche vrouw, van Petrus wandelende op de zee, van den blindgeborene, van de verheerlijiking op den berg, van het verraad van Judas — al die geschiedenissen en vele andere wil men van zekere zijde als oorspronkelijk behoorend tot de geschiedenis van Boeddha verklaren, waarbij de Evangelisten en Jezus zelf als naapers van den Indischen profeet worden aangewezen ; maar nog eens, wie bedenkt dat de Boeddhistische lectuur, waarin deze verhalen gedaan worden, in haar tegenwoordige redactie zeer zeker dateert uit de 2de eeuw na Christus en die werkelijk deze verhalen vergelijkt met de Bijbelsche (neem b.v. de zaligsprekingen van Boeddha, onder een boom gezeten, en de zaligsprekingen van Jezus op den berg) zal moeten erkennen, dat er zoo'n ontzaglijk verschil is, dat men zich verbaast, wanneer men ernstig wil volhouden, dat hier het Christendom de. mindere is van het Boeddhisme en Jezus de imitator van Boeddha. Prof. Windisch, een uitnemend kenner der oudheid, heeft in zijn boek „Mara und Buddha" (1895) dan ook gezegd dat het een fout is (b.v. van Rudolf Seydel) aan invloed der Boeddhistische traditie op de christelijke voorstelling, te denken.
Wij voelen, dat het bovendien antichristelijk is, om, naar deze methode van godsdienstgeschiedenisbeschrijving, het Christendom op ééne lijn met de godsdiensten der heidenen, ja, beneden de heidensche godsdiensten, te stellen. Dan ontkent men het geheel eenige karakter van de christelijke religie, de vleeschwording des Woords en het goddelijk karakter der Heilige Schrift.
Is er dus soms ook in de heidensche litteratuur veel dat verraadt, dat Gods algemeene gratie niet zonder beteekenis is voor de volkeren, die uit Zijn hand voortgekomen, Hem hebben verlaten — het groote verschil springt toch steeds ook weer duidelijk in, 't oog, daar het heidendom staat op de basis van de gevallene natuur, met heimwee naar het verloren paradijs, van zichzelf getuigt en uit zich zelf spreekt over God, wereld, zonde, verlossing, enz., terwijl in den Bijbel op gansch bizondere wijze, in den weg der bizondere openbaring. God Zelf spreekt over dezelfde dingen, maar dan ook hemelsch en niet aardsch. Goddelijk en niet menschelijk, waarachtig en heerlijk, niet leugenachtig en bedriegelijk.
Daarom kan het Christendom ook nooit verklaard worden uit de z. g. n. godsdiensten der volkeren, maar de valsche religies moeten getrokken worden onder het licht van Gods Waarheid, in het beschreven Woord, bovenal in het vleeschgeworden Woord geopenbaard, eerst aan Israël en nu bestemd voor alle volkeren. (Wordt voortgezet)
Verschrikkelijk.
In een particulier schrijven van een lid der Herv. (Geref.) Staatspartij wordt o.m. aanmerking gemaakt, dat wij over den Gereformeerden Zendingsbond gesproken hebben. Genoemde schrijver vindt, dat het dominé's als ds. Gravemeijer volstrekt niet kwalijk genomen mag worden, dat zij niet voelen voor dien Bond. Ook schijnt het een teeken van goed-gereformeerd te zijn gerekend te moeten worden, dat ze de gezangen voorstaan.
Nu zouden wij over deze dingen niet schrijven, indien er niet heel iets bizonders, heel iets verschrikkelijks in dezen brief stond over deze zaak, waaruit blijkt hoe verdwaasd men in die kringen is, hoe vergiftigd men daar wordt, hoe vierkant men staat tegenover wat onze Gereformeerde menschen denken en doen.
Hoort eens hoe bedoelde Herv. (Geref.) Staatspartij-man over den Gereformeerden Zendingsbond opdeelt! Hij schrijft letterlijk :
„Met den Gereformeerden Zendingsbond stond het ook niet zuiver. Ik weet niet of u Gods geschiedenis kent en verwaardigd wordt daar telkens bij bepaald te worden. Maar de dood van dien eersten Zendeling, die door uwen Bond uitgezonden is, daar heeft de Heere zich mee verzoend, om uw schuld te betalen. De Gereformeerde Zendingsbond had schuld voor God, toen hij een nieuwen Zendingsbond opriohtte ; en dat offer, die eerste Zendeling eischte de Heere om de schuld te betalen. Ik kan u nog veel meer dergelijke voorbeelden uit Gods geschiedenis aantoonen. Nu heeft de Heere zich misschien met uwen Zendingsbond verzoend; zoo doet de Heere, maar wees voortaan voorzichtig met uwe partij-en consciëntiezaakjes ; het heeft met waar geloofswerk niets te maken".
Menschen, die zóó denken en schrijven en spreken verraden wife ze in den grond der zaak zijn. En onze Gereformeerde menschen zullen goed doen het te onthouden.
Van hetzelfde laken een pak.
Wat dezer dagen in den Gemeenteraad van Den Haag gebeurd is, is eigenlijk van hetzelfde soort als het onzinnige, hierboven vermeld.
Want in Den Haag was aan de orde de subsidiëering van het bijzonder Bewaarschoolonderwijs, waarbij B. en W. voorstellen deden, waarop wij in Rotterdam jaloersch zijn en die we dan ook zeker met beide handen zouden aangrijpen, omdat ze voor onze christelijke Bewaarscholen vrij wat voordeeliger zijn, dan die wij nu hebben.
En wat deden de twee leden van den Haagschen Gemeenteraad, die tot de Herv. (Geref.) Staatspartij behooren ?
Zij stemden tegen de voorstellen.
Omdat zij tegen het bijzonder christelijk onderwijs zijn.
Omdat zij. voorstanders-zijn van het openbaar onderwijs, dat van de Overheid uitgaat.
Volgens hen moet het niet zijn htet Bijbelsch standpunt : de school aan de ouders.
Zij zweren bij de heidensche stelling : de kinderen behooren voor rekening van den Staat te liggen.
Iets wat zóó geheel buiten ons Gereformeerd denken en handelen valt, dat wij er verder niet over praten. Wij betreuren alleen, dat men nu, in 1925, nog zulke dwaze dingen zichzelf en anderen wil wijsmaken.
Maar ons Gereformeerde volk zal wel zóó verstandig zijn, naar we hopen, dat ze alles maar niet voor zoete koek aannemen.
Belangrijk.
Het Reglement op de Predikantstractementen heeft heel wat beroering gebracht ; en geen wonder. Allerlei kwesties hangen er mee samen. Nu zijn er gemeenten, die weigeren en er zijn gemeenten, die noodgedwongen hebben toegegeven en er zijn er ook, die meer van harte zijn meegegaan. Men weet, hoe wij over deze zaak denken. Het is jammer, dat het dezen weg is uitgegaan. En met weigeren zonder meer komen we niet verder. Gemeenten worden er intusschen door verwoest ; herderloos zijnde, gaat alles hollend achteruit en de gelegenheid is schoon voor allerlei dingen, die niet tot zegen zijn voor ons kerkelijk leven. Wij, voor ons, zouden wel willen, dat men de gemeenten niet prijs gaf aan allerlei, dat schadelijk werkt en de schadelijke gevolgen nog jaren zal doen gevoelen. Trouwens het kan zoo niet blijven bij het vóór van den een en het tegen van den ander. Het zou zoo te wenschen zijn dat, niet in een weg van obstructie, maar in een officiëelen, ordelijken, wettigen weg deze zaak eens kon worden uitgemaakt — waarbij natuurlijk (dat brengt de aard van ons „eigenaardig" kerkelijk leven mee) de moeilijiheden niet zullen ontbreken.
Prof. Van Apeldoorn, een specialiteit op dit terrein, is door de Vereeniging van protesteerende Kerkvoogdijen uitgenoodigd op verschillende plaatsen lezingen te houden over bovengenoemde aangelegenheid. Te Goes is Vrijdag j.l. de eerste vergadering geweest. En hoewel de bladen geen breed verslag hebben gegeven, is er toch van dat optreden wel een en ander bekend, 't welk ons aanleiding gaf boven dit stukje te zetten „belangrijk".
Laat men zich in deze zooveel mogelijk van groote woorden en veel breede gebaren onthouden. Dat geeft toch, allemaal niets. Maar als de zaak, waarom het gaat, door mannen als prof. Van Apeldoorn nu eens kalm, maar flink kon worden aangepakt, dan zal het ons grotelijks verblijden.
Wat de bladen meldden van de rede, door prof. Van Apeldoorn gehouden, komt hierop neer : „Spreker zeide het uiteenspatten van de Kerk niet te willen, maar alleen opheffing der Synodale organisatie en vervanging door eene organisatie, die een werkelijke vertegenwoordiging der gemeenten zou brengen. Hi] daagde de Synode uit de weigerende Kerkvoogdijen voor den rechter te brengen ; geschiedde dit niet, dan kunnen de Kerkvoogdijen aan den rechter terug betaling der gestorte bijdragen vragen".
Wellicht geven de volgende vergaderingen meer bizonderheden nog.
Het zal ons verblijden, indien hier het rechte licht mag worden ontstoken, om langs den koninklijken weg te komen tot oplossing van de kwestie, die aan de orde van den dag is, 'in tal van gemeenten van allerlei kleur.
Merkwaardig.
In IJmuiden is wel iets héél merkwaardigs geschied. Want door de Kerkeraden der Ned. Hervormde, Doopsgezinde en Chr. Gereformeerde Kerk, het Kerkbestuur der Oud-Katholieken en de af'deeling der Evangelische Maatschappij zijn godsdienstige samenkomsten georganiseerd in het Ned. Hervormd kerk gebouw, waar op de tweede vergadering de Chr. Gereform. predikant ds. J. J. van der Schuyt, docent aan de Theol. school der Chr. Geref. Kerk te Apeldoorn, gesproken heeft over : „De centrale plaats van den Christus in het religieuse, intellectuëele en sociale leven" De spreker werd ingeleid door ds. J. B. G. Croes, Chr. Geref. predikant te Bussum, voordien te IJmuiden.
Liever dan dit bericht een plaatsje te geven in de rubriek „Kerknieuws", vermelden wij het in deze rubriek „Uit het kerkelijk leven" ; wel waard om op te merken !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's