Stichtelijke overdenking.
Om den Heere te bereiden een toegerust volk. Lucas 1 vers 17b.
Door Beth-abara naar Bethlehem
Om den Heere te bereiden een toegerust volk. Lucas 1 vers 17b.
Nog enkele dagen en dan zullen de Kerstklokken weer luiden. De goede boodschap van de groote blijdschap zal weer over het rond der aarde weerklinken en duizenden zullen zich opmaken om in den geest naar Bethlehem te trekken. Steeds grooter wordt in de wereld de belangstelling voor het Kerstfeest — maar is er ook belangstelling voor het Kerstfeit ? Is er een biddend uitzien naar de komst van den Zaligmaker ? Is er een hongeren en dorsten naar de gerechtigheid ?
Toen de Heere Jezus op aarde kwam, was er voor Hem geen plaats in de herberg. En het is heden niet anders. In de wereld, in het natuurlijk hart is voor den Christus geen plaats. Kerstliederen zingend, glijdt de mensch langs Bethlehem henen, zonder dat de ziel iets verstaat van wat het zeggen wil : Met Woord is vleesch geworden.
Toch was er toen Christus op aarde kwam een plaats om Hem te ontvangen. Al was het niet in de herberg, dan toch in den stal. De Heere Zelf had die plaats bereid. En al kon de groote massa des volks den weg naar dien stal niet vinden, toch waren er door de lage deur binnengekomen. Een Zacharias en een Elisabeth, een Simeon en een Anna, eenvoudige herders en wijzen uit het verre Oosten hebben bij Bethlehem's kribbe de groote daden Gods aanschouwd. In hun hart was plaats voor den Zaligmaker. Reeds lang hadden zij biddend uitgezien naar de Vertroosting Israels. Zij waren door den Heere Zelf voorbereid en toegerust om den Koning te ontvangen.
Ook straks als de Kerstklokken luiden zal er weer een volk zijn, dat aanbiddend bij Bethlehem's kribbe neerzinkt. De Heere zorgt voor Zijn eigen werk. Hij zorgt er wel voor, dat Zijn Zoon geen Koning is zonder onderdanen. Maar ook dat volk werd voorbereid op de komst van Christus. Hetzij ze voor het eerst Kerstvreugde mogen smaken of dat ze reeds eerder den geboren Zaligmaker ontmoetten; toegerust werden zij allen. Voor den Christus moet altoos weer plaats gemaakt worden in het hart.
Aan Kerst gaat altoos Advent vooraf. Een wonder is en blijft de komst van Gods Zoon in het vleesch ; een wonder is en blijft de geboorte van Christus in het zondaarshart. Maar ook een wonder is en blijft het werk der plaatsbereiding, het werk der toerusting.
Hoeveel dalen moesten er verhoogd, hoeveel heuvelen moesten er vernederd worden, hoeveel, dat krom was moest recht, hoeveel dat hobbelachtig was moest tot een vallei gemaakt worden, voordat de heerlijkheid des Heeren kon geopenbaard worden.
En zoo is het nog precies eender bij de komst van Christus in het hart. Er moet wat gebeuren voordat er voor Hem plaats is ; er moet wat uitgeroeid en uitgerukt worden voordat de weg voor Hem in ons hart gebaand is. Ook van dat werk zingen allen, die het kennen leerden : Het is door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alleen geschied.
Van dat werk wordt in onzen tekst gesproken. De Heere, Die zich van de middelen bedient, zond Johannes den Dooper als een wegbereider voor Jezus uit. Door den dienst van den boetgezant in Judéa's woestijn heeft hij Zijn velen toebereid om Christus te kunnen ontmoeten. En nog voert God Zijn volk door Johannes tot Jezus, door Bethabara naar Bethlehem.
Om den Heere te bereiden een toegerust volk. Met dit woord vertolkt de Engel aan Zacharias Gods bedoeling met Johannes.
Wat was dat een oogenblik voor den grijzen priester Zacharias, toen hij, aangewezen tot de bediening van het gouden reukaltaar, het Heiligdom binnentrad. Dit was hem nog nooit eerder te beurt gevallen. De overlevering meldt, dat een priester slechts één keer in zijn leven dit werk mocht verrichten. Denk u dus zijn verrassing eens in, toen Gods hand hem door middel van het lot tot deze bediening verkoor en hij verwaardigd werd om aan het reukaltaar de schaduw van den komenden Christus te zijn. Maar nog grooter verrassing wacht hem in het heiligdom. Want terwijl de wierookwolk van het reukaltaar opstijgt verschijnt hem plotseling een engel des Heeren, die hem de goddelijke boodschap brengt : „Vrees niet, Zacharias ! want uw gebed is verhoord, en uwe vrouw Elisabeth zal u eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Johannes".
Uw gebed is verhoord ! Welk gebed ? Hun bede om kinderzegen ? Zeker, die bede is ook verhoord. Maar Zacharias en Elisabeth behoorden immers ook tot de weinigen, die in die dagen nog uit ware zielsbehoefte uitzagen naar de Vertroosting Israels, die de gevouwen handen zoo menigmaal smeekend naar den hemel hadden opgeheven : Och, Heere, vervul nu Uwe beloften, aan de vaderen geschonken. Ook die bede was thans verhoord.
Niet alleen zal Zacharias in zijn ouderdom een zoon in zijn armen mogen sluiten, maar die zoon zou des Konings heraut zijn, voor Hem uitgezonden om Zijne wegen te bereiden. In enkele scherpe trekken teekent de engel het leven van den wegbereider. In den geest en de kracht van Elia zal hij optrekken. De harten der vaderen zullen weer in liefde tot de kinderen geneigd worden, de ongehoorzamen zullen bekeerd worden tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen en aldus zal den Heere bereid worden een toegerust volk.
Om den Heere te bereiden een toegerust volk. Is dat woord eigenlijk geen aandacht tegen het volk van Israël? Is het niet vreeselijk, dat onder dat volk, dat geleid en gezegend was als geen ander volk, nog een wegbereider noodig was ? Wees de vinger der profetie al niet sedert jaren naar Bethlehem Efrata ? Kon Israël uit de Schriften niet weten, hoe, waar en wanneer de beloofde Messias zou komen ? O zeker, en toch in Israël was geen plaats voor Hem. In een nacht van vreeselijke onkunde leefde het voort. In een poel van ongerechtigheid was het weggezakken. Men verwachtte wel een Messias, maar die verwachting was vleeschelijk. Men zag uit naar een Koning, die hen van de heerschappij der Romeinen verlossen zou en Israël weer groot zou maken onder de volkeren dezer aarde. Maar dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld zou zijn, daarvan had men geen begrip. Voor de heeriijkheid van een Koning in dienstknechtsgestalte had men geen oog. Aan een Zaligmaker van zonden had men geen behoefte. Ze waren immers Abraham's zaad ? Een Heiland, die de oogen der blinden zou openen begeerde men niet. Verontwaardigd hebben zij straks den Christus gevraagd : Zijn wij dan ook blind ?
Er was voor den Heere Jezus geen plaats bij Israël. Want Hij kwam om de verlorenen te redden — en zij waren niet verloren. Hij kwam om de armen met goederen te vervullen, maar zij waren niet arm ; ze waren rijk en verrijkt van zichzelven en hadden geens dings gebrek. Hij kwam om te troosten alle treurenden over de zonden, maar zi] kenden die smart niet.
Geen plaats was er bij Israël voor den Heere Jezus. Want Hij woont bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is. En Israël kende die diepte niet; het leefde op heuvelen van eigengerechtigheid en bergen van vreeselijken hoogmoed. Zeker, er waren er nog wel, die in deze wegen geen vrede hadden, die diep in hun hart een andere begeerte hadden, maar ook zij konden in hun onkunde den weg naar Bethlehem niet vinden.
De Heere Zelf zou echter hen komen toebereiden. Genade zou voor genade plaats maken. De Heere Zelf zou Zijn overblijfsel toerusten met armoede des geestes, droefheid over de zonde, honger en dorst naar gerechtigheid. De Heere Zelf zou in wegen van ontdekking en zondekennis voor Zijn Zoon plaats maken. En dat heeft Hij gedaan door den dienst van Johannes te Bethabara. Door Johannes tot Christus.
Door Beth-abara naar Bethlehem.
Nog is er geen andere weg om in Bethlehem te komen dan door Bethabara heen. Meer dan negentien eeuwen zijn voorbij gegaan, sinds de Zone Gods als een hulpeloos Kindeke in Bethlehem geboren werd. Nog is er voor Hem geen plaats in de wereld. Nog is er voor Hem geen plaats in het menschenhart. Alles wat geldt van Israël uit Johannes' dagen, geldt ook voor ons. Hoever wij ook van God zijn afgeweken — we kennen geen Godsgemis. Hoe vast wij gebonden liggen in banden van zonde, wereld en dood — wij meenen dat wij vrij zijn.
Wij zijn nog wel godsdienstig wellicht, maar we zijn niet verloren.
Wij kunden misschien niet gansch en al missen de gerechtigheid van Christus, maar dan als een lap op het oude kleed van onze gerechtigheden.
Wij kregen wel eens indrukken van dood en eeuwigheid, maar wij kennen geen afgesneden zaak. Wij kunnen alles maar niet prijs geven, we willen alles niet verliezen en daarom glijden we, Kerstliederen zingend, Bethlehem voorbij zonder dat onze ziel iets verstaat van het: Heden is geboren de Zaligmaker.
Er is geen vervuIling zonder ontdekking.
Er is geen behouden worden zonder verloren gaan.
Er is geen Kerstvreugde zonder Adventssmart.
De weg naar Bethlehem gaat door Beth-abara heen.
Maar wat is dan Beth-abara ? Bethabara is de plaats der ontdekking. Bethabara is de plaats waar Johannes gedoopt en gepredikt heeft. Het is de plaats, waar den mensch wordt voorgehouden de spiegel van Gods wet.
Ga eens mee naar die eenzame plaats aan den Jordaan.
Zie hem daar staan, den boetgezant in zijn kemelsharen kleed als handhaver van het goddelijk recht. Wat durft hij de Zonde zonde te noemen ! Hoe snijdend scherp is zijn woord ! Hoe vernederend voor hun trots was zijn eisch om zich met de anderen te laten doopen ! Joden en heidenen, beiden moeten bukken leeren om de poort van het Koninkrijk der hemelen te kunnen ingaan. Op grond van het onverbreekbare recht Gods spreekt Johannes zijn „Wee u" uit over alle hoogmoedige zondaars. Met de wet Gods in de hand rukt hij hen af het kleed van hun eigengerechtigheid en vroomheid en legt bloot de diepte van hun ellende.
Aangrijpend is zijn prediking „Gij adderengebroedsel ! Wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn ? Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig ; begint niet te zeggen bij uzelven : Wij hebben Abraham tot een vader, want ik zeg u dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken. En de bijl ligt ook alreede aan den wortel der boomen : alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen".
Het mes gaat er wel diep in : alle gronden worden weggegraven ; alle steunsels ontrukt. Maar zoo moet het ook, zal er behoefte aan den Christus geboren worden. Zoo moet het, zal Hij begeerd worden niet als een koning in aardsche heerlijkheid, maar als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
Door Beth-abara naar Bethlehem. In Beth-abara vallen onder het recht Gods, om dan in Bethlehem te worden opgericht.
In Beth-abara zondaar worden, om dan in Bethlehem behouden te worden. In Beth-abara alles verliezen, om dan in Bethlehem alles te vinden.
Door Beth-abara naar Bethlehem. Die twee behooren bijeen. In Beth-abara ligt de poort die toegang geeft tot Bethlehem. Maar kan Johannes dan die poort ontsluiten ? O neen, dat is Gods werk. Gods Geest is het, Die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Johannes is niet anders dan instrument in 's Heeren handen.
De genade begint niet bij Bethlehem, maar bij Beth-abara.
Niet alleen het inbrengen van den Christus in de wereld is Gods werk ; ook het plaats maken in de wereld voor den Christus is Gods werk.
„Het begin des Evangelies van Jezus Christus, den Zoon van God. Gelijk geschreven is in de profeten : Zie, Ik zend mijnen Engel voor uw aangezicht " Aldus lezen wij in Marcus 1:1. Ziet gij wel, de stem des roependen in de woestijn is het begin van het Evangelie.
O leeren wij dat begin kennen in deze dagen, die nog aan het Kerstfeest voorafgaan. De Heere doet een afgesneden zaak met Zijn volk om Zijn genade te verheerlijken.
Kent gij dat begin reeds ? Zijt gij Beth-abara reeds doorgetrokken ? Zijt gij reeds gevallen onder het recht Gods ?
Gij zijt wellicht reeds druk bezig met uw voorbereidingswerk voor het Kerstfeest ? Maar zijt gij reeds toebereid ? In Bethlehem worden de hongerigen met goederen vervuld, maar de rijken ledig weggezonden. Wat vreeselijk om ledig te worden weggezonden. Wat vreeselijk om straks weer verder te moeten zonder den Koning te hebben ontmoet.
Bidt den Heere dat Hij u nog genade bewijze en in Beth-abara brenge. Genade te Beth-abara ? Maar Bethabara is toch de plaats, waar wij verbrijzeld worden ? Ja maar verbrijzeld tot behoudenis.
Wonderlijk, dat de strenge wetsprediker naar Gods bestel moest heeten Johannes, d.w.z. God is barmhartig. Maar hij is ook de echte wetsprediker. Hij houdt de zielen, die onder zijn woord door Gods Geest aan zichzelven werden ontdekt, niet vast, maar wijst ze van zichzelven af op Jezus. Hij leidt ze van Beth-abara naar Bethlehem.
Er zijn boetepredikers genoeg in onze dagen, maar er zijn er maar weinigen, die Johannes heeten. Een Johannes moet gij hebben. Meen niet, dat Johannes minder streng was dan anderen; niemand was strenger dan hij. Maar hij was van God gezonden om den Heere te bereiden een toegerust volk.
Zalig, die te Beth-abara maar alles verliest. Zalig, die te Beth-abara maar niets meer te hopen over houdt. Voor hem is de weg naar Bethlehem gebaand. In den nederigen stal kan hij in het geboren Kindeke zijn Zaligmaker ontmoeten. Door Beth-abara naar Beth-lehem. Dat blijft de wens voor allen, die in Christus hun Zaligmaker leerden kennen.
Altoos weer terug naar Beth-abara. Hoe dieper ontdekking, des te rijker vervulling. Nooit raken wij uitgeleerd te Beth-abara, maar nooit raakt ook uitgeput de rijkdom van Bethlehem.
God Zelf brenige er velen te Bethlehem, die door Beth-abara zijn doorgegaan. Dan zal er echte Kerstvreugde gesmaakt worden en van Bethlehem zullen velen terug keeren tot hun arbeid, verheerlijkende en prijzende God ever alles wat zij gehoord en gezien hebben.
B.
W. J. V. L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's