De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

6 minuten leestijd

Lijkverbranding.
Ds. Fernhout schrijft in „de Reformatie" het volgende over lijkverbranding :
„De aandacht dient er op gevestigd, dat de vraag : mag een christen dit of dat wel doen ? niet volledig is. Want boven alle christenen staat Gods Woord. Daarom moet men niet den christen als toetssteen nemen, alsof de christen zal hebben uit te maken wat wèl of wat niet mag. Het Woord onzes Gods, de Heilige Schrift, moet het hoogste zeggenschap hebben of houden, waarom de vraag moet zijn : wat zegt Gods Woord ? en : mag dit of dat volgens Gods Woord ? Laten we dat ernstig nemen, want eer we het weten wordt anders het criterium der dingen verlegd uit den geopenbaarden wil Gods in den mensch ; en daardoor zouden we alle vastheid verliezen en aan de eere des Heeren raken !
De vraag moet dus worden : „Is lijkverbranding al of niet in strijd met Gods Woord ?
Dan kan de vraag dus niét beantwoord worden met een verwijzing naar de christelijke zede of gewoonte, om de lichamen der afgestorvenen niet te verbranden, maar te begraven. Want hoe eerbiedwaardig deze gewoonte van begraven ook is en hoeveel het te denken geeft, dat deze gewoonte van begraven zich in alle eeuwen en onder alle volkeren, bewust en nadrukkelijk tegenover de lijkverbranding handhaafde — ook die gewoonte is ten slotte onderworpen aan den toets van Gods Woord.
Daarom hebben we niet te komen met gevoelsargumenten, maar te vragen hoe we bij het licht der Schrift over de crematie te oordeelen hebben.
En dan begin ik met te zeggen, dat de wederopstanding der dooden, die de Heilige Schrift met zooveel nadruk leert, op zichzelve het verbranden van lijken m.i. niet verbiedt. Verbranding toch vernietigt een lichaam niet méér dan ontbinding in het graf.
In het laatste geval zoowel als in het eerste keert het weer tot stof; tot stof, dat in beide gevallen dient tot opbouwing van andere lichamen ; van het planten, via de plant van het dierenlichaam, en via beide van menschen-lichamen. En voor de almacht Gods is het niet moeilijker bij zijn vertering tot asch het we­zen van een lichaam in stand te houden en in den dag der toekomst van Christus zijn zicht-en tastbare gestalte te hergeven, dan bij ontbinding in het graf. In 't andere geval zouden immers de martelaren, die om Christus' wille hun lichaam aan de vlammen prijsgaven, zich door het heerlijkst betoon van geloof en gehoorzaamheid beroofd hebben van de hope der wederopstanding des vleesches.
Of we dan ergens in de Schrift met zooveel woorden het verbranden van lijken verboden of het begraven voorgeschreven vinden ?
'k Zou zulk een uitdrukkelijk verbod van verbranden en gebod van begraven niet kunnen aanwijzen in Gods Woord,
En toch schijnt mij het Woord duidelijk genoeg te spreken in deze.
Want het antwoord of wij onze dooden moeten verbranden dan wel begraven ligt, dunkt mij, in de eerste plaats in wat de Schrift ons openbaart van de schepping des menschen, als ze zegt, dat God ons schiep naar Zijn eigen beeld. Want al is de eigenlijke zetel van 't beeld Gods stellig niet in ons lichaam, maar in onzen geest te zoeken, ons lichaam staat er daarom nog niet buiten. Naar de innige eenheid van het geestelijk en 't stoffelijk deel onzer natuur — zoo innig dat het eerste om haar niet dan bij uitzondering „geest" maar schier altoos „ziel" wordt genoemd en dat een ziel zonder lichaam evenmin mensch is, als een lichaam zonder ziel — deelt het lichaam in de eere, die ons in het beeld onzes Gods werd geschonken. En de Schrift, die in Adam's schepping de twee momenten van de formeering van Adam's lichaam en van de bezieling van dat lichaam door den adem Gods afzonderlijk vermeldt, zegt dan ook niet van de ziel alleen, maar van den mensch, d.i. van ziel en lichaam in de eenheid van den menschelijken persoon, dat hij naar den beelde Gods geschapen is.
Doch daaruit volgt dan ook, dat een gewelddadige vernietiging van het lichaam door verbranding evenzeer een vergrijp is aan het beeld Gods, gelijk we in natuurlijken zin ook na den val daarvan nog dragers zijn, als een aanranding en verderving der ziel.
De bedenking, dat we toch ook bij 't begraven ervan een lichaam vernietigen, geldt hiertegen niet. Dat begraven toch is geen handeling, die de vernietiging bedoelt en bewerkt, maar een passief ons buigen onder het proces der ontbinding, dat reeds aanving.
Een tweede aanwijzing van het begraven als door God gewild, schijnt mij te liggen in het vonnis, dat God de Heere over Adam sprak in Gen. 3 vers 17 tot 19. Heel dit vonnis beweegt zich om de verhouding van Adam tot de aarde, waaruit hij geformeerd werd en waarvan hij in zijn lichamelijk leven afhankelijk bleef. De aarde wordt om zijnentwil vervloekt; met smart zal hij daarvan eten ; distels en doornen zal ze hem voortbrengen ; en dan volgt ten slotte in vers 19 : „in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en tot stof zult gij wederkeeren". Wie dit ontroerende woord indenkt, verstaat, dat God de Heere daarin als met eigen hand Adam's graf delft; dat het Adam, en in hem ons allen, het in de aarde begraven worden om weer te keeren tot haar stof, oplegt als een deel der vernedering, die goddelijke gerechtigheid over onze zelfverheffing en over ons kiezen van de rucht des aardrijks boven onzen God, ver ons bracht.
Lijkverbranding, zoowel als lijkbalsemng, die, zoo mogelijk, alle ontbinding eren moest, is een door het vleesch uitgedacht middel om aan dit vernedeend vonnis Gods te ontkomen.
Met deze twee gegevens der Schrift: de eerbied, dien we om onze schepping naar 't beeld Gods aan 't lichaam van een gestorvene schuldig zijn, beter nog: om den eerbied, dien we schuldig zijn aan Gods recht om zélf en alleen te beschikken over wat Hij in Zijn beeld uitdrukte ; en het ootmoedig buigen onder de vernedering, die ons om  der zonde wil overkwam, komt de Israëlietische en de Christelijke zede overeen, die eenerzijds het lichaam eerde door het noch op 't open veld te werpen, noch te verbranden, en andererzijds in het begraven het hoofd boog voor het vonnis Gods. Bij deze opmerkingen over het onderwerp, waarover nog zooveel meer te zeggen zou zijn, laat ik het. Voor breeder belichting er van verwijs ik naar dr. A. Kuyper „Ons Program" ; pag. 802 v.v. , dr. Bavinck „Dogmatiek", Dl. IV, pag. 654 en 773 en Groen „Lijkverbranding", Utrecht 1900".
Ook het geschrift „Lijkverbranding" van ds. G. Wisse (1914) kan en moet hier genoemd worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 december 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's