Uit het kerkelijk leven.
Om te getuigen van heil.
De eerste mensch, Ons aller vader, heeft het bij ervaring gekend den zegen van het paradijs met den vloek van het wegzinken daarvan. En met schrijnend leed bleef de herinnering in zijn ziel ; om dat leed mee te geven aan zijn gansche nakomelingschap, heind en ver.
Het is dan ook niet alleen Ovidius. de Latijnsche dichter, die in zijn Metamorphosen dien gulden tijd heeft bezongen ; want bij alle volkeren leeft de herinneringsgedachte aan een verloren paradijs, hoe verdwaasd niet zelden de voorstelling daarvan ook geworden is, door het al maar verder aldwalen van den eenigen, waren God.
Gevallen Koningskind is de mensch : zwervende paradijskinderen zijn ze, die hier en ginds leven en lijden en strijden en sterven. Zijn we niet allen uit éénen bloede en van één geslacht ? Is ons aller vader niet de mensch Adam, die van God afviel ? En dat zwerven en zweven als een vogel boven fel bewogen zeeën, doch telkens in volksverhaal, in godsdienstig lied, in religieus gebruik naarbuiten komen, dat gesnakt wordt naar rust, die er niet is ; dat gezocht wordt naar vrede, die niet komt; dat gejaagd wordt naar verzadiging
van vreugd, waarbij tranenbrood het deel is.
Men spreekt daarbij van een nieuw paradijs ; en men vindt een aanrakingspunt overal, omdat na een verloren paradijs het heimwee bleef naar dien gouden tijd, toen vrede op aarde was. Lichtstralende voorstellingen van wat in den beginne was worden gemaakt en men gelooft zoo graag, wanneer gezegd wordt : het paradijs komt; zelfs als er brutaal gezegd wordt : het moet komen en het zal komen op aard. Want de mensch kan het verlorene niet missen.
De moderne mensch ziet in de ontwikkeling der huidige cultuur de nadering van een toekomstig geluksland ; dat er nog wel niet is, maar dat toch zeker komen zal ; waarnaar het zuchtend schepsel smachtend verlangt.
Neen, niet de onnoozelheid van het offer en van het gebed, die de heidenen drijft om te gaan naar het altaar en te knielen voor de goden, is de staf dien de moderne cultuur-mensch verkiest, om, daarop leunend, voort te strompelen door een duister land naar het licht. Die leunsels en steunsels heeft de man van de wetenschap, de man van de techniek, de bewuste proletariër en de roode volksleider al lang verachtelijk weggeworpen. Met die zoethouders laten ze zich niet meer alschepen en met die valsche wissels op de eeuwigheid — zooals ze dat noemen — nemen ze geen genoegen meer. Hoevelen zijn zich niet bewust geworden de toekomst in handen te hebben en alles omkeerend met revolutiekracht en alles louterend met revolutievuur, zingen ze luid en opgewekt van het paradijs, dat er nog niet is, maar dat komt, dat zéker komt op aard ; misschien niet voor allen tegelijk, maar uiteindelijk toch gelijk voor allen.
De sprookjes der oudheid hebben afgedaan, de naïeve profetieën van vroeger zijn terzij gesteld. Hoort ge ze niet spetten bij de tent van „De Dageraad" en hoort ge ze niet lachen, daar, waar men drank drinkt ten verderve ? Zegt de straatprediker 't niet aan de volks-
menigte op de markt en op het plein ? Betoogt de man van studie het niet in de pers en in den katheder ? Weg met het oude, leugenachtige Christendom, met den Bijbel, met de Kerk, met alles ! De bewuste leidslieden dier cultuur hebben andere verhalen, andere zangen, andere profetieën, andere beloften, van toekomst-vreugd vol. En de heilstaat komt, de fakkeldragers zeggen 't, waar in voor het grootst mogelijk getal het grootst mogelijk geluk zal worden verwezenlijkt. De toepassing van alles wat men nu weet, moet immers radicale verandering ten goede brengen. En als de eigendom, welke diefstal is, gemeenschapsgoed is geworden en de godsdienst, welke opium is voor de volksziel, is uitgeroeid, dan zal de gulden nieuwe tijd intocht doen en het paradijs zal op aard gevestigd zijn.
Vooralsnog is het geen gelukstaat hier beneên. Maar daarom moet des te harder gewerkt aan de stoffelijke verbetering van de minder bevoorrechte klassen, waartoe de massa behoort, zegt men. Dat zal de balans doen omslaan straks en nader brengen bij het evenwicht, om te brengen wat zoo vurig wordt verlangd en zoo zeker wordt verwacht : vrijheid en geluk voor allen ; het paradijs op aarde.
Verhooging van socialen welstand is het streven allerwegen. Zóó zullen de knellende banden worden geslaakt; zóó zal de bitterheid van het lijden wijken, zóó zal het lood, dat nu de vleugelen drukt, worden afgeschud. Dan wordt de toekomstdroom werkelijkheid ; het verloren paradijs is herwonnen ; de hemel is dan voor de vogels en de aarde is des menschen, die daar zijn schatten van vrijheid en vreugd vergaart.
Éénheid van kracht is daarvoor noodig. Verzameling van alle menschelijk kunnen en menschelijk willen. En daarom : de Internationale. Lukt het niet in eens, dan een tweede internationale ; desnoods een derde. Met internationale kracht alleen zal het gaan, waartoe het bewust geworden proletariaat dan ook wordt opgeroepen en onbewusten moeten worden wakker geschud.
Internationale kracht tot sociale verbetering en sociale verbetering tot internationale kracht. Dan zullen de grenzen tusschen de landen verdwijnen en alle standen worden bevrijd. Geen leger en vloot meer. Geen zwaard, geen kanon. Geen tuchthuis noch gevangenis. Geen armoe en geen gebrek. Slechts geluk dan op aarde, 't hoogste geluk voor 't hoogst aantal der aardbewoners, die vrije wereldburgers dan zijn. Dan is het verloren paradijs herwonnen ; als 't tegenwoordig geslacht zich maar geven wil ; dan zal het komend geslacht de namen van de pioniers van heden prijzen ; en uit den strijd van nu zal de toekomst-vreugd opbloeien als een roos zonder doornen !
Een bedriegelijke leer, zeggen wij, waar deze dingen gepredikt worden. Een valsch evangelie, al kwamen engelen in lichtend gewaad om het te propageeren overal.
Teleurstelling brengt zoo'n „Heiland", die niet genezen kan wat door de zonde brak en viel in vloek en dood ; Die niet verzoenen komt mtet God. Gruwelijke dwaasheid en bittere vijandschap ten slotte, anders niet ; geboren uit de vervreemding van God en Zijn dienst, opkomend uit een hart, dat altijd wegen uitdenkt, die van den levenden God afvoeren en Hem tegenstaan, Die kwam uit den hemel om hier op aard te brengen Gods heil voor zondaren, gaven van genade en liefde, geestelijke gaven en volmaakte giften voor een volk, dat naar Hem leert vragen, om Hem te dienen naar Zijn Woord.
Blind is men voor Hem, Die Zijn zou doet opgaan over boozen en goeden en alles in stand houdt, om Zijn evangelie te brengen allen creaturen, opdat zij wijs zouden worden tot zaligheid ; een welbehagen in menschen !
Wij zeggen daar niet mee, dat er op sociaal terrein niets te doen valt nu ; dat aan de volkeren en de landen geen boodschap is te brengen van sociale gerechtigheid en onderlinge verdraagzaamheid, met afstaan van gruwel, hebzucht, roofzudht en dorst naar bloed. Die met de Schrift vertrouwd is, weet beter. Want die bekent, dat de rustelooze kringloop des levens is : „in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten" en : „gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen gaan rond". Die weet ook, dat de sociale vraagstukken met den dag vermeerderen en steeds ingewikkelder worden ; terwijl de worstelingen van een volkeren-vree-verbond steeds weer zullen brengen, wat men niet had gehoopt. Maar geeft Mozes' wetgeving, door den Heere hem bekend gemaakt, geen beginselen van gerechtigheid voor armen en voor rijken, die God saam heeft gemaakt, opdat zij elkander zouden ontmoeten ? Spreken de profeten, van God geleerd, niet van maatschappelijke verhoudingen, die den Schepper niet mogen onteeren en het schepsel niet mogen beleedigen, zelfs zorg dragend voor het beest ? Getuigen Jezus en Zijn apostelen, als gezanten van Christus' wege gezonden onder de volkeren, niet, dat onrecht en verdrukking en meedoogenloosheid en wraak en moord en doodslag, met roof en plundering, moeten worden uitgebannen ?
Behandelen Paulus en Jacobus niet 't broodvraagstuk en de nationale, met de internationale verhoudingen onderling ? Predikt Petrus niet heel ernstig en klaar dat de christen zijn christendom heeft uit te leven en dat de wereld geen oorzaak moet krijgen de christenen speciaal schuldig te verklaren ?
Heeft de christenheid dat ook niet altijd, als de Geest vaardig werd en het Woord scheen als een helder licht, gevoeld en betracht, zoodat de slavernij niet is bestendigd, al is Cham's geslacht gevloekt geworden door Hem, Die Mozes Zijne woorden heeft bekend gemaakt en den kinderen Juda's Zijne daden, zooals Hij aan geen volk heeft gedaan ? Is weduwe en wees geen zorg en liefde gewonden toen de Kerk van Christus Jezus' Woord verstond ? Heeft men den arme niet beschermd, 't zwakke niet geholpen, het kind onderwezen, toen Jezus liefde leefde in Zijn volk ? Heeft de Kerk van Christus Overheid en volk niet herinnerd aan de ordinantiën Gods en had zij niet een woord en goddelijk bevel voor heeren en knechten, voor vrouwen en dienstmaagden ? Hebben Luther en Calvijn zich niet ingelaten met het maatsohappelijk leven en hebben zij hun woord, het woord der Schrift, niet laten hooren in betrekking tot de sociale aangetegenheden ? r
En daarom zeggen wij ook niet, dat er op sociaal terrein niets te doen valt; dat de Christelijke Kerk geen woord heeft voor Staat en maatschappij, voor school en huis. Integendeel, wij moeten vragen : heeft de christenheid wellicht haar hooge roeping niet recht verstaan en niet betracht; heeft zij misschien oorzaak gegeven, dat degenen, die het geloof gram zijn, opstaan om nu hun stem te doen hooren en te roepen om recht en gerechtigheid, met verwijt aan hen die zich noemen naar Christus, maar niet aflaten van onrecht ?
De Kerk van Christus hier en in de andere landen heeft daarom wel ernstig toe te zien en zelve levend bij 't Woord en wandelend door den Geest, Gods Waarheid te verkondigen op elk terrein des levens, want in het houden van Gods geboden ligt groot loon voor de oprechten van harte.
Maar hoe 't ook gaat, de sociale beweging als zoodanig, 't zij Parijs of Moskou of Berlijn tot tempelstad wordt verkoren, kan geen paradijs op aarde tooveren. En het wordt allengskens wel openbaar, dat het eenzijdig drijven naar materiëele verbetering en het streven naar verhooging van den socialen welstand en het verjagen van vorsten en het ageeren tegen den oorlog het rechte geluk en den waren vrede op aarde niet brengen zal noch kan.
De veronachtzaming van de geestelijke behoeften des menschen laat de geslachten in geestelijk tekort, met geestelijke armoede, vol ellende, vreemd van het waarachtig geluk, zonder echte, gezonde levensvreugd, zonder paradijs, zonder God, zonder Christus, zonder hoop ; als vervreemd van het heil, dat de Heere in Christus aan Zijn volk heeft bekend gemaakt; waarvan aan Oud-Israël de profetie kwam met vree en vreugd voor een ieder die geloofde ; en waarvan ons die vervulling is geschonken, voor een iegelijk, die God vreest, tot groote blijdschap, die al den volke wezen zal.
Daarom zei de Heiland ook tot het zaad van Abraham en in hen, ook tot ons : „Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid en alle andere dingen zullen u worden toegeworpen".
Daar, in Christus, in Zijn Koninkrijk, is de deur van een nieuw paradijs geopend, toen de deur van het eerste dicht viel achter den met vloek uitgebannen zondaar, die het gansche menschengeslacht in zijn lendenen droeg.
Ja — er is iets nieuws voor den gevallen mensch, die ronddoolt op een van God vervloekte aarde. Er is nieuw geluk ; een nieuw paradijs ; een nieuwe hemel vol zaligheid, voor een zondig en ellendig volk, van wat kleur, wat taal, wat land ook.
De Gemeente van Christus kent dat geheim, en zij is geroepen te zijn de fakkeldraagster des Heeren; om een aangename boodschap te brenigen tot de uiterste einden der aarde ; om te klimmen op een berg en te roepen tot de geslachten : hier is uw heil!
De oud-heidensche en de nieuw-heidensche religies, vol snikken van smart en vol begeeren naar verlossing, zijn hier het spoor geheel bijster. God niet in erkentenis houdend en het schepsel eere gevend boven den Schepper, heeft de Heere hen overgegeven naar het goeddunken huns harten, hoewel ze de sporen der ware religie nog vertoonen in offer en gebed, in boete en onthouding, in vreugde en klaagzang, zijnde van Gods geslacht.
Ze zijn het paradijs kwijt en ze zoeken nu, al kost het moeite, geld, goed en bloed. Ze, hebben heilige boeken, ze houden heilige ceremoniën in eere ; ze kastijden, vasten, buigen, bidden, zingen, schreien — al, om het geluksland, dat wegvluchtte, weer te mogen terug ontvangen ; is het hier op aarde niet, dan straks in het hiernamaals, bij spel en dans, met spijze en drank.
Gods weg gaat over de heidenwereld, waar oud-heidensche philosophie hoogstaande cultuurvolken als in Babel, Assyrië en Egypte woonden, hoe langs hoe meer verdwaasd hebben, om vervreemd van God, zich eigen gerechtigheid op te richten. En het laagstaande en diep wèg gezonken heidendom, met Cham verwant, is onder den vloek voortgegaan zich te verharden onder de hand die hen sloeg, gaande van duisternis tot donkerheid.
Waarbij intusschen de Heere van het heil in Christus sprak tot Zijn volk Isaël, om, nadat de vervulling kwam, nu Zijn boodschappers te zenden naar allen kant, opdat Buddhist en Kaffer, Negers en die Lapland bewonen, met sterke stem zouden vernemen, dat 't Licht, het Groote Licht, het Licht der wereld is verschenen, om te schijnen in een duister land en alles te doortrekken met levenskracht en te zegenen met vreugd en vree.
En zooals Seth en Henoch de zaligheid verkregen, om te wandelen met hun God ; zooals Noach en Abraham geloofden, geborgen in God ; zooals Mozes Egypte's heerlijkheid losliet om Gods heil te verkiezen ; zooals David en Elia op die groote zaligheid mochten acht geven — zóó wil de Heere, dat wij nu zullen komen tot Hem, om in Christus te vinden die parel van groote waarde : om door Hem te beërven het hemelsch paradijs en dan blij te zingen : „Want beter dan dit tijd'lijk leven is Uwe goedertierenheid !"
Wij moeten bij den Rotssteen Christus wezen, uit welken Rotssteen wateren uitvloeien in de woestijn. Bij Hem, die als het hemelsch manna spijze geeft ter verzadiging op de pelgrimsreis ; die als de groote Jozua straks Zijn erfdeel door de wateren van de doodsrivier een goeden ingang bereidt in het Kanaan, dat Boven is.
Gods ware volk heeft altijd geweten van dat nieuwe paradijs, van dien Vredevorst, van dat goddelijk geluksland. Bij wet en ceremonie, bij tempel en altaar, bij gebed en offer hebben zij, die de eerste beginselen des nieuwen levens mochten kennen, op dat heil gehoopt, van dat heil gesproken, bij dat heil geleefd ; en zij hadden geestelijke toekomstverwachtingen op een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid wonen zal en waar God zal zijn alles in al de Zijnen, om hier te wandelen in oprechtheid voor Zijn aangezicht, ziende den Onzienlijke en zich sterkend in hun God.
Onuitroeibaar vast stond het geloof, dat het geluk van dezen Koning, die Davids troon beklom, alles overtreft en dat Zijn Koninkrijk zou komen eerst voor den Jood, maar straks ook voor Barbaar en Scyt, voor Tyriër en Moor, die de Heere — 't stond voor het geloovig Israël vast — Zelf zou inschrijven in 't boek des levens, als in Sion geboren. Alles viel saam in Hem, die komen zou op aard en als een Lam zou worden geslacht.
Dan zou de zonde Zijns volks worden gedragen en verzoend in Zijn bloed. Maar dan zou ook ontsloten worden, en dan voor alle volkeren, de deur van het nieuwe paradijs, waardoor gansch Sion zou ingaan om God te ontmoeten met onverliesbare zaligheid.
Duizenden bij duizenden hebben het in het midden van Israël verkeerd verstaan. Ze hebben het veruitwendigd, verdwaasd, verkracht, verworpen ; en, hoewel uit Israël zijnde, hebben zij het Koninkrijk Gods niet gezien en ze zijn niet binnen gegaan in het paradijs Gods.
Ontrouw volk, ontrouwe priesters, ontrouwe leidslieden, ontrouwe volgelingen — ze zijn bestraft, veroordeeld, vervloekt, verworpen. Ze hebben in het vleesch geleefd; om bij slachten van vee, bij bidden en vasten, bij wasschingen der handen en onderhouden van gebod op gebod hun dagen door te brengen bij een vleeschelijken godsdienst, met het harte ver verwijderd van den Heere. Ze hebben de tegenwoordige wereld lief gehad en zijn gestorven ongetroost, onverzoend, als vreemdelingen in een vreemd land.
Onbegrepen door den Jood, onbegrepen door den heiden, onbegrepen door een modernen cultuurmensch, onbegrepen door allen, die geestelijk blind, vleeschelijk verkocht zijn onder de zonde ; onbegrepen vroeger en nu staat Hij, die vol is van nieuwe zaligheid ; die een nieuw paradijs ontsluit; die gekomen is om iets nieuws te werken op aarde, zoo vol zaligheid en vrees voor een iegelijk, die in Hem gelooft.
Tot Hem dan henen, die verzoening werkt bij God ; die vrede brengt in de ziel ; die aan Satan zijn buit ontrooft ; ie de wereld verlost; die den hemel erdient; die de aarde oordeelt; 'die oven plaats bereidt ; die de bokken itwerpt; die de schapen zet aan Zijn echterhand ; die een nieuwen hemel bereidt en een nieuwe aarde straks geeft.
Tot Hem — tot Wien de weg is voor elke ziel door de wedergeboorte ; om eigen leven te verliezen en het leven te vinden in Hem ; dat leven, zoo vol zaligheid.
Is er voor Hem dan nog toekomst, als allen Hem verachten en allen Hem verwerpen, om in eigene wegen te wandelen vol zonde en vijandschap ?
Bethlehem heeft bewezen dat, waar de wereld Hem niet begeert. Hij Zijn volk vergadert en toebrengt ; en hierin is Hij bekleed met geestelijke heerschappij, opdat straks geen enkele zal gemist worden van het volk, dat zal zalig worden.
Ze zullen komen van allen kant; de Heere heeft het gezegd. En een in zichzelf verloren zondaarsvolk, door Zijn Geest aangeraakt, zal op Hem hopen. Ze zullen van God geleerd worden en ze zullen tegen elkander zeggen : dat volk is ons volk en die God is onze God !
In Hem zullen ze het goede zien, nu en tot in eeuwigheid. En tot ieder, die het hooren wil, zullen ze zeggen : komt tot Hem, die den hemel verliet, om arme zondaren te vervullen met goederen des heils ; die kwam om tot gevloekten te zeggen : heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
Zoo is het paradijs herwonnen. Door Christus. Voor allen, die Hem mogen kennen als hun Borg en Voorspraak bij God ; als den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs.
En van dezen Christus, met die volheid van genade, die het paradijs herwon, om het te ontsluiten voor verlorenen, heeft de Kerk ook hier te lande te getuigen.
Fakkeldraagster moet zij wezen van dat Licht, van dat heil, van die zaligheid getuigend hier en overal. Daar ligt de weg des heils I
Geestelijke stroomingen ()
De overlevering — vooral de overlevering in jongeren vorm — heeft de geboorte van Boeddha en zijn jeugd in een geheimzinnige wolk van heerlijkheid gehuld (Dr. H. Kern. Geschiedenis van het Boeddhisme en Indië. Haarlem. 1882. I blz. 20—42. Zie ook : prof. dr. J. S. Speyer: Het Buddhisme. blz. 10—11).
Rijk en weelderig werd hij opgevoed. Op zijn zestiende jaar deed zijn vader hem in het huwelijk treden ; waarna hem een zoon geboren werd, Rahula genaamd.
De weelde en de genoegens van de Indische hoven omgaven den jongen prins, hoewel zijn vader maar een eenvoudig vorst was van een klein staatje. Maar voor elk der drie seizoenen van 't jaar : winter, zomer en regentijd, was er een afzonderlijk paleis, prachtig ingericht, omgeven door Indische pracht-tuinen, met vijvers, boomen en bloemen, een schare van bedienden, jachtpartijen, feesten en wedstrijden. (Wat een verschil met de geschiedenis van onzen Heiland!) Ten slotte vermoeiend en onbevredigend voor een geest, die niet tevreden was met de oppervlakte des levens 1 En de jonge prins, die met alles mee deed en de wereld diende (zooals Augustinus later) genoot volop, doch vond geen rust en onder de schaduw van een Jambuboom. Met hij dikwijls den vrijen loop aan zijn gedaóhten en overpeinzingen.
Hoe zijn bekeering precies heeft plaats gehad, vertelt men ons niet. Maar hij is tot een geheel andere levensbeschouwing gekomen dan hij vroeger bezat, wat een algeheele verandering van levenswijze ten gevolge had. Levende temidden van de genietingen der wereld, zoo verhaalt men — Boeddha zelf heeft geen geschriften nagelaten ; anderen hebben later allerlei te boek gesteld — beval prins Siddhartha op zekeren dag zijn wagenmenner zijn rijtuig in te spannen : vier lelieblanke schimmels trokken den versierden wagen. De prins reed naar het park op korten afstand van het paleis. Op zijn weg zag hij een vervallen, stokoud man, grijs van haar, krom en gebogen, op een stok leunend langzaam voortstrompelen. Naar aanleiding van dien man begon hij een gesprek met zijn bediende —• en de prins zag, dat alles 'in het leven vergankelijk is ; hij ging niet verder, maar keerde naar het paleis terug. Met zijn vader, die zich er over verwonderde, dat hij zoo spoedig weer terug was, zette hij 't gesprek voort en zijn besluit was genomen, om asceet te worden. Zijn vader bezwoer hem dergelijke gedachten uit z'n hoofd te zetten en nam maatregelen om hem te doen bewaken. Maar eenigen tijd daarna ontmoette hij een zieke en deed soortgelijke vragen als vroeger en kreeg soortgelijke antwoorden van zijn knecht en dieper wortelde zich de overtuiging bij hem, dat alles broosheid en ijdelheid is wat het leven biedt. Wat later weer ging hij uit en zag onderweg een Hjk, afzichtelijk, tot ontbinding overgaand, en andermaal betuigde hij, dat het leven een last is, waar ouderdom, ziekte en dood alles komt verderven. De besliste keuze kwam na een vierde ontmoeting : de prins zag een monnik, stemmig gekleed, kalm voor zich kijkend met een gelaat, waarop innerlijke rust te lezen stond. De wagenmenner vertelde hem, dat 't een monnik was en de prins vernam met groote voldoening, dat op dien weg, welken de monnik bewandelde, de geboorte tot een nieuw leven kon worden voorkomen. Want men geloofde immers, dat de mensch meer dan één leven achter elkaar op aarde moest leven en waar het leven een last was, vond de prins het een heerlijke uitkomst om zóó te leven, dat men niet meer behoefde weder te keeren tot het leven, maar „verlicht" genoeg zijnde in het onbegrensde hiernamaals kon ingaan als in een eeuwige, ledige ruimte van niet leven.
Zijn besluit was genomen : hij zou als asceet de verlossing van het leven, dat in lijden is, zoeken !
Dat gebeurde toen heel vaak onder de Brahmanen. Dan verliet men vrouw en kinderen, huis en erf, en men ging in armoede leven en zocht bevrijding van de banden der sterfelijkheid. De Indische ascetenkringen met hun eigen heils leer, met wereldverzaking en monniksleven, zijn bekend !
En ook prins Siddhartha zou zoeken bevrijd te worden uit de banden des bestaans ; om niet meer te leven en naar het leven terug te keeren ; maar om te bereiken de zaligheid van het niet-leven, om te gaan in het Nirwana : het eeuwig onbegrensde van niet-zijn.
Het leed, waaronder de prins gebukt ging, was dus niet persoonlijk leed, maar wereld-leed („Weltschmerz" zeggen onze Duitsche naburen: wereldleed, wereldsmart). Het doellooze van een leven, dat slechts ontstaat om weer te vergaan ; de smart, die aan elke vreugd verbonden is — die gansche wereld, die tot zoo eindeloos lijden gedoemd is, met dat schijnen en verdwijnen, met dat blinken en verzinken, met dat opbloeien en verwelken, dat was zijn smart en dat gaf hem begeerte om te mogen komen tot het niet-meer leven ; tot het Nirwana ; het eeuwig, onbegrensde rusten.
Het element van medelijden zit hierin. Medelijden, met al die schepselen, tot lijden alleen geboren ; gaande over menschen, maar ook over dieren; over boom en plant, over bloem en vrucht.
En bij dat lijden ging Boeddha, die toen nog niet „Boeddha", dat is „de Verlichte" was, in eigen kracht aan het werk, om zelf een weg te kiezen, om van alle begeerte naar het leven verlost te mogen worden, ook anderen aansporend om met hem te gaan en te staan in dien weg, die naar het Nirwana leidt.
Zelf doen — dat was de weg. En dan voor anderen een voorbeeld zijn.
Meer kon men niet doen. Maar dat was ook genoeg.
Om afscheid te nemen van zijn vrouw en zoontje gaat hij naar 't paleis ; maar moeder en kind slapen saam. Hij wil afscheid nemen, maar hij bedwingt zich ; rukt alle menschelijke gevoelens uit z'n hart uit en zonder een kus, zonder een groet, zonder een traan gaat hij heen.
Hij vlucht. En de hemelsche goden — aldus prof. Speyer, blz. 12 — zorgen er voor, dat zijne nachtelijke vlucht uit het paleis op zijn wonderpaard, vergezeld van zijn wagenmenner, ongemerkt kan geschieden ; goddelijke wezens dempen het geluid van den wègdravenden oorlogshengst ; en de snelheid van zijn rijdier is zóó buitengewoon, dat, als den volgenden morgen de zon weder voor hem opgaat, hij zijne vaderstad reeds vele dagreizen achter zich heeft. Nu snijdt hij zich met het zwaard zijn haardos af, ontdoet zich van zijne kostbare gewaden en tooi, hult zich, alweder met bijstand van de goden, in de grove kleeding van een zwervend asceet en komt in het bezit van de attributen van zoo iemand. Zóó trekt hij, te voet en alleen, verder als een bezitlooze, buiten de wereld staande, zoeker naar de hoogste wijsheid.
De geest des kwaads, Mara, volgde hem als „de verzoeker". Deze beloofde hem binnen een week tijds de heerschappij over de gansche aarde, maar de prins, nu geen prins meer, luistert niet naar hem en gaat op den ingeslagen weg voort. Zes a zeven jaar bracht hij in afzondering en zelfkastijding door. Als bedelmonnik trok hij rond ; zocht de kluizenaars op, die in de rotsholen van het gebergte woonden ; waar zij sobere maaltijden gebruikten, hun van uit de bewoonde wereld gebracht, door hun vereerders. Zoo maakte Siddharta of — zooals zijn bijnaam was — Gautama, kennis miet de wijsheid der brahmaansche asceten, maar vond geen rust. Hij had nog niet den weg der zelfkastijding en zelfpijniging bewandeld. Vijf trouwe leerlingen volgden hem en zes lange jaren gaf hij zich nu over aan de afgetrokkenste en diepzinnigste bespiegeling en legde zich de zwaarste kastijding op. Een roep van heiligheid ging van hem uit. Eindelijk ging hij in zijn vasten zóóver, dat hij zichtbaar vermagerde en voor dood viel hij ten slotte neer. Doch hij kwam weer bij en zag nu de ijdelheid ook van dit pogen in !
Hij besloot weder voedsel te gebruiken en dat bracht hem de bittere ervaring dat zijn leerlingen, die zoo hoog tegen hem opzagen, meenden, dat hij den strijd had opgegeven en zij verlieten hem. Zoo stond Gautama alléén, met zijn vruchteloos zoeken en strijden, van allen en alles verlaten.
Dit wordt weer voorgesteld als een verzoeking van den booze, die hem overal volgde. De elementen werden bewogen, de aarde beefde, de toppen der bergen vielen naar beneden, een stormwind raasde, de zon werd verduisterd.
Onder een boom — later de boom der verlichting of Bodhi-boom geheeten — bracht hij den tijd door in innerlijken strijd en overpeinzing. De verzoeking om terug te keeren tot zijn vorig leven, kwam bij hem op. Maar ook nu weerstond hij den Verzoeker. En nu kwam het beslissend oogenblik, dat hij de begeerte naar het leven verloor en, daarmee had hij den weg, om van alle lijden verlost te worden, betreden. Van „de zonde der begeerte", van „de zonde van het aardsche bestaan", van „de zonde des dwalens" en van „de zonde der onwetendheid" was hij verlost. Nu was hij „Boeddha", de Verlichte. Het weten der verlossing was bij hem. De plicht was volbracht. Tot het leven, tot de wereld zou hij niet weder keeren ; hij zou ingaan in het Nirwana !
De hoogere kennis was tegelijk verlossing.
De oplossing van bet levensraadsel was gevonden.
„Geboorte is lijden" zoo leerde Boeddha zijn monniken ; „ouderdom is lijden, ziekte is lijden, dood is lijden — het gehecht zijn aan het leven is lijden". Dan is de verlossing : geen begeerte meer te kennen.
Dan komt het opgaan in het Nirwana. „De dorst naar bestaan", zoo leerde hij, „de dorst naar lusten, de lust naar worden, de dorst naar macht: dat is het ontstaan van het lijden".
„Dit is, monniken, de heilige waarheid van de opheffing des lijdens, de opheffing van den dorst door volkomen vernietiging van het begeeren; dien laten varen, zich er van los maken, geen plaats daar aan geven", zoo sprak hij.
Boeddha had geleerd, in den nacht, waarin het licht hem opging : de overwinning op het lijden wordt niet in een actief strijden behaald. Hoe dan ?
„Ontneem het vuur zijn voedsel en t dooft uit; neem uit het leven de begeerte weg en het leven, dat enkel lijden is, maakt plaats voor ongestoorde rust. Geen nieuw leven wordt meer geboren, want de begeerte tot leven is gebluscht, geen lijden wordt meer geleden, want de oorzaak is weggenomen. Geen ascese baat, die slechts een gedeelte van het bestaan zoekt te dooden en in zich zelf toch weer actie, dat is een drang tot bestaan, is. Slechts een uitrukken van allen drang tot leven, van alle begeerte naar bestaan, van alle vreugd en alle smart verlost.
Niet door eenige actie, slechts door zuivere passiviteit sluimert het leven de eeuwige rust in". (Nirwana).
Dat was het licht, hem opgegaan over de eindelooze rij geboorten, over het lijden des levens — dat was de weg tot ongestoorde rust: geen begeerte meer naar het leven, om sluimerend zonder passie de eeuwige rust in te gaan.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's